Zie het tussenarrest van 23 maart 2010, r.o. 2 en r.o. 8; het hof geeft hier een samenvatting van de door de rechtbank in haar tussenvonnis van 26 januari 2005 (r.o. 1.1-1.10) vastgestelde feiten, waarvan ook het hof is uitgegaan.
HR, 03-05-2013, nr. 12/04243
ECLI:NL:HR:2013:BZ5371
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-05-2013
- Zaaknummer
12/04243
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- LJN
BZ5371
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BZ5371, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑05‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ5371
ECLI:NL:PHR:2013:BZ5371, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑03‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ5371
- Wetingang
- Vindplaatsen
JOR 2014/208
Uitspraak 03‑05‑2013
3 mei 2013
Eerste Kamer
12/04243
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.W. Landman,
t e g e n
Mr. H.J. BAKKER, in zijn hoedanigheid van opvolgend curator in het faillissement van [betrokkene 1],
kantoorhoudende te Leiden,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de curator.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 220648/HA ZA 04-1459 van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 januari 2005 en 30 mei 2007;
b. de arresten in de zaak 105.006.991/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 maart 2010 en 17 april 2012.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de curator is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging en verwijzing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Betrokkene 1] exploiteerde onder de naam '[A]' een horecagelegenheid (hierna: de onderneming) in een door hem gehuurd pand aan de [a-straat] te [plaats].
(ii) [Eiser] had met [betrokkene 1] een contract voor de exploitatie van speelautomaten. [Eiser] heeft zich voor [betrokkene 1] ten gunste van Heineken, met wie [betrokkene 1] onder meer een leverantieovereenkomst had, borg gesteld voor circa € 15.000,--.
(iii) Op enig moment hebben [betrokkene 1] en [eiser] een schriftelijke overeenkomst, gedateerd 1 augustus 2003, ondertekend. Deze overeenkomst hield in dat [betrokkene 1] de onderneming aan [eiser] verkocht voor € 25.000,--.
(iv) Op 13 augustus 2003 is [betrokkene 1] op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. I.T.W. Overvliet tot curator.
(vi) [Eiser] heeft de onderneming in ieder geval vanaf de datum van het faillissement geëxploiteerd. Nadat de verhuurder de huur van het pand waarin de onderneming werd geëxploiteerd, aan de curator per 1 januari 2004 had opgezegd, heeft [eiser] een huurovereenkomst met de verhuurder gesloten.
(vii) Mr. Overvliet is als curator opgevolgd door mr. O.P. Kuit; mr. Kuit is als curator opgevolgd door mr. H.J. Bakker.
3.2 Voor zover in cassatie van belang heeft de curator in eerste aanleg onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de curator door activa aan de boedel te onttrekken, en een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst tussen [betrokkene 1] en [eiser] nietig is op grond van art. 42 en 47 Fw. Ook heeft de curator gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan de curator van de koopsom die [betrokkene 1] en [eiser] waren overeengekomen.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.
3.3.1 In hoger beroep heeft de curator haar eis gewijzigd en, voor zover in cassatie van belang, een verklaring voor recht gevorderd dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van [betrokkene 1] door te weigeren de tot de onderneming behorende goederen aan de curator af te geven, en een verklaring voor recht dat de curator rechtsgeldig op grond van art. 42 en 47 Fw de nietigheid van de koopovereenkomst heeft ingeroepen. Ook heeft de curator gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade aan de boedel en de gezamenlijke schuldeisers als gevolg van zijn onrechtmatig handelen.
3.3.2 [Eiser] heeft in hoger beroep de door de curator ingeroepen nietigheid van de koopovereenkomst aanvaard.
3.3.3 In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat met de aanvaarding door [eiser] van de door de curator ingeroepen nietigheid van de koopovereenkomst vaststaat dat [eiser] de onderneming zonder recht of titel onder zich had (rov. 7). Vervolgens is het hof tot het oordeel gekomen dat het in bezit houden van de onderneming door [eiser] jegens de curator onrechtmatig was. Volgens het hof verkeerde [eiser] vanaf 4 september 2003 - het moment waarop hij (ten onrechte) een beroep deed op opschorting van zijn verplichting tot teruggave van de onderneming - ten aanzien van deze verplichting in verzuim (rov. 8). Ten slotte heeft het hof het uitgangspunt geformuleerd dat de schade van de curator kan worden gelijkgesteld aan het bedrag dat de onderneming bij verkoop door haar had kunnen opbrengen, verminderd met de kosten die zij bij verkoop zou hebben gemaakt (rov. 9).
In het eindarrest heeft het hof overwogen dat het in al hetgeen door [eiser] na het tussenarrest was aangevoerd, geen aanleiding zag om terug te komen van zijn oordeel dat [eiser] vanaf 4 september 2003 in verzuim verkeerde ten aanzien van zijn verplichting tot teruggave van de onderneming (rov. 1). Het verweer van [eiser] tegen de schadeopstelling van de curator strandde volgens het hof op de overwegingen dienaangaande in het tussenarrest en het eindarrest (rov. 3). Vervolgens heeft het hof de schade van de curator met betrekking tot de post 'opbrengst onderneming' begroot op € 25.593,-- en met betrekking tot de post 'buitengerechtelijke kosten' op € 6.145,75 (rov. 4-8), waarna het hof [eiser] tot betaling van deze bedragen heeft veroordeeld.
3.4 De klachten I, II, IV en V van het middel zijn gericht tegen de oordelen van het hof in rov. 8 van het tussenarrest en rov. 1 en 3 van het eindarrest. De klachten betogen, naar de kern genomen, dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, is voorbijgegaan aan de volgende, door [eiser] in hoger beroep aangevoerde stellingen:
(i) de curator heeft eerst op 20 november 2003 om teruglevering van de onderneming verzocht, zodat tot die datum van onrechtmatig in bezit houden van de onderneming door [eiser] geen sprake was;
(ii) de curator heeft [eiser] in september 2003 verzocht om de huurpenningen rechtstreeks aan de verhuurder te betalen, hetgeen eveneens meebrengt dat van onrechtmatig in bezit houden van de onderneming door [eiser] geen sprake was; en
(iii) de curator heeft op 29 september 2003 de huuropzegging door de verhuurder tegen 31 december 2003 geaccepteerd, waardoor de onderneming onverkoopbaar en feitelijk waardeloos werd, hetgeen meebrengt dat het causaal verband tussen het onrechtmatig in bezit houden van de onderneming door [eiser] en de door de curator gestelde schade (de gemiste verkoopopbrengst van de onderneming) ontbreekt.
3.5 De klachten falen voor zover zij strekken ten betoge dat het hof is voorbijgegaan aan de hiervoor in 3.4 genoemde stelling (i). In rov. 8 van het tussenarrest heeft het hof met betrekking tot deze stelling immers geoordeeld dat uit de door [eiser] overgelegde correspondentie niet volgt dat de curator de onrechtmatige situatie, die daarin bestond dat [eiser] de onderneming niet onverwijld aan de curator ter beschikking heeft gesteld, heeft geaccepteerd. Daaraan heeft het hof toegevoegd dat dit verweer van [eiser] niet anderszins was gemotiveerd, en dat het daarom faalde.
Ten slotte heeft het hof overwogen dat het feit dat de curator, mogelijk uit kostenoverwegingen en met het oog op een mogelijke schikking met [eiser], enige tijd heeft gewacht met het aanhangig maken van een ontruimingsprocedure, niet tot het oordeel kon leiden dat aan het handelen van [eiser] het onrechtmatig karakter was komen te ontvallen.
Ook overigens treffen de klachten geen doel.
Het hiervoor weergegeven oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3.6 De klachten falen eveneens voor zover zij aanvoeren dat het hof is voorbijgegaan aan de hiervoor in 3.4 genoemde stelling (ii). In rov. 8 van het tussenarrest heeft het hof met betrekking tot deze stelling immers geoordeeld dat het feit dat de curator bij [eiser] heeft aangedrongen op rechtstreekse betaling van de huurtermijnen aan de verhuurder, niet tot het oordeel kon leiden dat aan het handelen van [eiser] het onrechtmatig karakter was komen te ontvallen. Naar het oordeel van het hof sprak immers vanzelf dat [eiser], die zonder recht of titel het genot van het gehuurde had, daar een vergoeding voor betaalde.
De klachten treffen voor het overige evenmin doel, omdat het hiervoor weergegeven oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd.
3.7 De klachten slagen echter voor zover zij betogen dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, is voorbijgegaan aan de hiervoor in 3.4 genoemde stelling (iii).
Het oordeel van het hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, indien het aldus moet worden verstaan dat aan de stelling van [eiser] - inhoudende dat het causaal verband tussen het onrechtmatig in bezit houden van de onderneming door [eiser] en de door de curator gestelde schade (de gemiste verkoopopbrengst van de onderneming) ontbreekt, omdat de curator op 29 september 2003 de huuropzegging door de verhuurder tegen 31 december 2003 heeft geaccepteerd, en de onderneming daardoor onverkoopbaar en feitelijk waardeloos werd - geen betekenis toekomt bij de beantwoording van de vraag of [eiser] is gehouden tot vergoeding van de door de curator gestelde schade.
Het hof heeft dan immers miskend dat de aanvaarding door de curator van de huuropzegging door de verhuurder een omstandigheid vormt die (mede) tot het ontstaan van de schade kan hebben geleid. Daaraan doet niet af dat, zoals het hof heeft overwogen, [eiser] vanaf 4 september 2003 in verzuim was ten aanzien van zijn verplichting tot teruggave van de onderneming.
Indien het hof het vorenstaande niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu niet blijkt dat het hof voornoemde stelling van [eiser] in zijn oordeelsvorming heeft betrokken.
3.8 Klacht III is gericht tegen het passeren van het door [eiser] in hoger beroep gedane bewijsaanbod als onvoldoende gespecificeerd dan wel niet terzake doend (rov. 10 van het eindarrest). De gedeeltelijke gegrondbevinding van de klachten I, II, IV en V brengt mee dat ook klacht III slaagt, voor zover deze strekt ten betoge dat [eiser] bij memorie na comparitie een voldoende gespecificeerd en terzake doend bewijsaanbod heeft gedaan, door bewijs aan te bieden 'van het feit, dat de onderneming geen waarde had' door het horen van [betrokkene 2].
3.9 De klachten van het middel kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de arresten van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 maart 2010 en 17 april 2012;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 899,82 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 3 mei 2013.
Conclusie 01‑03‑2013
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
12/04243
Mr. L. Timmerman
Zitting 1 maart 2013
Conclusie inzake:
[Eiser]
eiser tot cassatie,
(hierna: [eiser])
tegen
Mr. H.J. Bakker, in zijn hoedanigheid van opvolgend curator in het faillissement van [betrokkene 1]
verweerder in cassatie,
(hierna: "de curator" van "[betrokkene 1]")
1. Feiten1.
1.1
[Betrokkene 1] exploiteerde onder de naam "[A]" een horecagelegenheid in een door hem gehuurd pand aan de [a-straat] te [plaats].
1.2
[Eiser] had met [betrokkene 1] een contract voor de exploitatie van speelautomaten. [Eiser] heeft zich voor [betrokkene 1] ten gunste van Heineken, met wie [betrokkene 1] onder meer een leverantieovereenkomst had, borg gesteld voor circa € 15.000,-.
1.3
Op enig moment hebben [betrokkene 1] en [eiser] een schriftelijke overeenkomst met daarop de datum 1 augustus 2003 ondertekend. Die overeenkomst hield in dat [betrokkene 1] de onderneming [A] (hierna: "de onderneming") aan [eiser] verkocht voor € 25.000,-.
1.4
Op 13 augustus 2003 is [betrokkene 1] op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard met benoeming van mevr. mr. Overvliet tot curator.
1.5
De curator heeft de door [betrokkene 1] en [eiser] gesloten koopovereenkomst op 29 augustus 2003 buitengerechtelijk vernietigd.
1.6
[Eiser] heeft de onderneming in ieder geval vanaf de datum van het faillissement geëxploiteerd. Nadat de verhuurder de huur aan de curator per 1 januari 2004 had opgezegd, heeft [eiser] een huurovereenkomst met de verhuurder gesloten.
2. Procesverloop2.
2.1
Bij dagvaarding van 27 april 2004 heeft de curator [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te Den Haag. Zij vorderde primair voor recht te verklaren dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de curator door aan de failliete boedel ts onttrekken de activa, bestaande uit inventaris, voorraden en goodwill; en subsidiair onder andere i) te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst tussen [eiser] en [betrokkene 1] nietig is en daarbij te bepalen dat de vernietiging van de koopovereenkomst tussen gedaagde en gefailleerde wordt beperkt tot de hoogte van de koopprijs en de wijze waarop deze koopprijs is voldaan, ii) [eiser] te veroordelen tot betaling aan de curator van de overeengekomen koopsom ten bedrage van € 25.000,- iii) [eiser] te veroordelen tot betaling aan de curator het verschil tussen de overeengekomen koopsom van € 25.000,- en de marktwaarde van de onderneming ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst.
2.2
De curator legde aan haar primaire vordering ten grondslag dat de koopovereenkomst tussen [betrokkene 1] en [eiser] is gesloten na datum faillietverklaring. De schriftelijke overeenkomst is geantedateerd op 1 augustus 2003. Voorts is het bezit van de onderneming op 13 augustus 2003 aan [eiser] door het overhandigen van de sleutels verschaft, zodat op de dag van de faillietverklaring nog niet alle handelingen die voor de levering nodig zijn hebben plaatsgevonden zodat de levering niet geldig kon geschieden. [Eiser] heeft nagelaten de onderneming op eerste verzoek van de curator terug te leveren.
Aan de subsidiaire vorderingen die ervan uitgaan dat voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement rechtsgeldig werd geleverd, legde de curator in de eerste plaats ten grondslag dat de koopovereenkomst van 1 augustus 2003 onverplicht werd gesloten in de wetenschap dat daardoor de gezamenlijke crediteuren werden benadeeld; zij heeft op grond van artikel 42 Fw de vernietiging van de transactie ingeroepen. Daarbij vorderde zij geen teruglevering van de onderneming, maar stelde recht en belang te hebben bij voldoening aan de boedel van de marktconforme koopsom. Verder heeft de curator een beroep gedaan op artikel 47 Fw omdat de levering van de onderneming plaatsvond op een moment dat [eiser] wist dat het faillissement van [betrokkene 1] reeds was aangevraagd althans dat de levering het gevolg was van overleg tussen [betrokkene 1] en [eiser]. Ten slotte heeft de curator gesteld dat [eiser] een onrechtmatige daad jegens de boedel heeft gepleegd door met de verhuurder van het pand een huurovereenkomst te sluiten. De boedel heeft hierdoor schade geleden, aldus de curator.
2.3
[Eiser] vorderde in reconventie voor recht te verklaren dat i) de omstandigheden als genoemd in artikel 42 en 47 Fw niet aanwezig waren en geen rol hebben gespeeld bij het sluiten van de koopovereenkomst tussen [eiser] en [betrokkene 1] d.d. 1 augustus 2003, ii) de vernietiging d.d. 29 augustus 2003 een onrechtmatige daad en/of wanprestatie vormde van de curator ten opzichte van [eiser] en iii) dat de curator aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden.
2.4
Bij tussenvonnis van 26 januari 2005 heeft de rechtbank de curator toegelaten tot het bewijs dat de sleutels van het bedrijfspand van de onderneming op of na 13 augustus 2003 aan [eiser] zijn overhandigd en de akte waarmee de goodwill is geleverd op of na 13 augustus 2003 is ondertekend; alsmede dat de waarde van (de activa behorende tot) onderneming ten tijde van de verkoop en levering, going concern en inclusief huurderbelang, hoger was dan € 25.000,-. Na enquête en contra-enquête oordeelde de rechtbank bij eindvonnis van 30 mei 2007 dat de curator niet geslaagd was in het haar opgedragen bewijs en wees de vorderingen in conventie en reconventie af.
2.5
De curator is onder wijziging van eis van deze vonnissen in appel gekomen. Zij vorderde: primair:
- a.
voor recht te verklaren dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke crediteuren in het faillissement van [betrokkene 1] door zich te beroepen op de verkoop en levering van en de weigering om aan de curator af te geven de tot de onderneming behorende goederen;
- b.
voor recht te verklaren dat de curator rechtsgeldig de nietigheid van de verkoop en levering van de tot de onderneming behorende goederen heeft ingeroepen, dan wel voor recht te verklaren dat de in het geding zijnde rechtshandelingen nietig zijn;
- c.
[eiser] te veroordelen tot vergoeding van de schade aan de boedel en de gezamenlijke schuldeisers ontstaan door zijn onrechtmatig handelen;
- d.
[eiser] te veroordelen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding van € 25.000,-;
subsidiair:
- e.
voor zover de vernietigde rechtshandelingen rechtsgeldig zijn, [eiser] te veroordelen tot betaling van de koopsom van € 25.000,- vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten ad € 2.500,-.
2.6
[Eiser] heeft de door de curator ingeroepen nietigheid in appel geaccepteerd. Het hof stelde vast dat hij de onderneming zonder recht of titel onder zich had en beoordeelde alsnog of het in bezit houden van de onderneming jegens de curator onrechtmatig was. Bij tussenarrest van 23 maart 2010 verwierp het hof het verweer van [eiser] dat de curator er uitdrukkelijk mee akkoord was gegaan dat hij de onderneming onder zich hield en verwees de zaak naar de rol voor comparitie. Bij eindarrest van 17 april 2012 heeft het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigd en [eiser] veroordeeld tot betaling aan de curator van een bedrag van € 26.596,36 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 januari 2008; en tot betaling van een bedrag van € 6.145,75 vermeerderd met de wettelijke rente over die kosten vanaf 14 dagen na het uitspreken van het arrest, onder veroordeling van [eiser] in de kosten van beide instanties. Het meer of anders gevorderde wees het hof af.
2.7
[Eiser] heeft tijdig3. beroep in cassatie ingesteld tegen beide arresten. Tegen de curator is verstek verleend. [eiser] heeft zijn zaak schriftelijk toegelicht.
3. Bespreking van het principaal cassatiemiddel
3.1
Het principaal cassatiemiddel bevat negen onderdelen ("klachten"). Klachten I, II, IV en V zijn gericht tegen rechtsoverweging 8 van het tussenarrest van 23 maart 2010 (hierna: het tussenarrest), waarin het hof overweegt als volgt:
"8.
In hoger beroep dient alsnog te worden beoordeeld of het in bezit houden van [A] jegens de curator onrechtmatig was. [Eiser] heeft dit bestreden en aangevoerd dat hij niet, althans niet zonder goede grond, geweigerd heeft de onderneming terug te leveren. Volgens hem is de curator er uitdrukkelijk mee akkoord gegaan dat hij de onderneming onder zich hield.
Vaststaat dat de curator op 29 augustus 2003 de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd. Bij brief van zijn advocaat van 4 september 2003 heeft [eiser] meegedeeld zijn verplichting tot teruggave van de onderneming op te schorten totdat het door hem betaalde voorschot op de koopprijs was terugbetaald. De curator heeft deze voorwaarde niet geaccepteerd en dat hoefde zij ook niet. Van feitelijke betaling door [eiser] is geen sprake geweest. De gestelde aanbetaling heeft immers, zoals door [eiser] is gesteld, plaatsgevonden door middel van verrekening met vorderingen van in totaal Euro 5.000,- van [eiser] op [betrokkene 1]. De vernietiging van de koopovereenkomst hield mede in de vernietiging van deze verrekening. De ongedaanmakingsverbintenis is daarmee vervuld.
Terugbetaling van het als aanbetaling betitelde bedrag zou betekenen dat [eiser] de verrekende vordering voldaan zou krijgen en dat hij dus in een betere positie zou komen te verkeren dan voor het aangaan van de vernietigde rechtshandeling, wat in strijd zou zijn met de strekking van artikel 51 Fw. De curator heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat [eiser] geen recht had op terugbetaling en dat hij zijn vorderingen van in totaal € 5.000,- ter verificatie in het faillissement kon indienen.
[Eiser] mocht zijn verplichting tot teruggave dus niet opschorten. Door de onderneming niet onverwijld aan de curator ter beschikking te stellen, heeft hij onrechtmatig gehandeld.
De vordering tot schadevergoeding is niet afhankelijk van de vraag of de curator [eiser] heeft gesommeerd de onderneming aan haar ter beschikking te stellen (art. 6:83 sub b4. BW). Dat de curator de hierdoor ontstane onrechtmatige situatie heeft geaccepteerd, zoals door [eiser] is aangevoerd, volgt niet uit de door [eiser] overgelegde correspondentie. Nu dit verweer niet anderszins is gemotiveerd, faalt het. Dat de curator, mogelijk uit kostenoverwegingen en met het oog op een mogelijke schikking met [eiser], enige tijd heeft gewacht met het aanhangig maken van een ontruimingsprocedure, kan niet tot het oordeel leiden dat aan het handelen van [eiser] het onrechtmatige karakter is komen te ontvallen. Ook het feit dat de curator bij [eiser] heeft aangedrongen op rechtstreekse betalingen van de huurtermijnen aan de verhuurder, kan niet tot dat oordeel leiden. Het spreekt immers van zelf dat [eiser], die zonder recht of titel het genot van het gehuurde had, daar een vergoeding voor betaalde."
3.2
De klachten betogen dat zelfs indien [eiser] direct na de buitengerechtelijke ontbinding door de curator op 4 september 2003 de onderneming zou hebben teruggeleverd, de onderneming waardeloos zou zijn geworden door het accepteren van de huuropzegging door de curator op 26 september 2003 tegen einddatum 31 december 2003. Door het eindigen van de huur werd de onderneming feitelijk waardeloos, zodat er geen causaal verband bestaat tussen het ontstaan van schade en het feit dat [eiser] de onderneming al dan niet rechtmatig onder zich heeft gehouden. Immers, ook als [eiser] de onderneming had teruggeleverd, dan zou de curator de opzegging van de huur hebben geaccepteerd. Daar heeft de houding van [eiser] geen enkele rol in gespeeld, aldus de klachten. Bovendien is tot 20 november 2003, de datum waarop de curator voor het eerst om teruglevering verzocht, volgens de klachten zeker geen sprake van onrechtmatigheid, nu de curator voordien niet om teruglevering had verzocht en de curator zelfs aan [eiser] had verzocht om de huurpenningen direct aan de verhuurder te betalen. Het hof is volgens de klachten ten onrechte ongemotiveerd aan deze verweren, gevoerd bij memorie na comparitie (p. 5), voorbij gegaan.
Beoordeling klachten
3.3
De klachten miskennen m.i. dat het hof in r.o. 8 van zijn tussenarrest expliciet op de gestelde verweren is ingegaan en in r.o. 1 van zijn eindarrest van 17 april 2012 (hierna: het eindarrest) bij zijn oordeel daarover is gebleven. Het hof heeft geoordeeld dat [eiser] vanaf 4 september 2003 op grond van art. 6:83 sub c BW in verzuim was met de nakoming van de op hem rustende ongedaanmakingsverbintenis, nu hij de curator bij brief van die datum had laten weten zijn verplichting tot teruggave van de onderneming op te schorten totdat het door hem betaalde voorschot op de koopprijs was terugbetaald. Dat de curator de hierdoor ontstane onrechtmatige situatie heeft geaccepteerd, zoals door [eiser] is aangevoerd, volgt naar het oordeel van het hof niet uit de door [eiser] overgelegde correspondentie. Dit oordeel, dat niet gemotiveerd wordt bestreden, is feitelijk en ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
3.4
[Eiser] voert voorts aan dat hij heeft gesteld dat het causaal verband tussen het door hem onder zich houden van de onderneming en de gestelde schade ontbreekt doordat de onderneming door het wegvallen van het huurrecht onverkoopbaar zou zijn geworden. Het komt mij voor dat onderhavige onderneming bij het wegvallen van het recht op huur van de bedrijfsruimte waarin zij gevestigd was onverkoopbaar zou worden5.. Gezien het partijdebat en het belang van de uitkomst daarvan voor de (omvang van de) aansprakelijkheid van [eiser] had het hof in zijn eindarrest niet ongemotiveerd voorbij mogen gaan aan [eiser]s stelling dat het causaal verband tussen het door hem onder zich houden van de onderneming en de gestelde schade voor de boedel ontbreekt. In zoverre slagen de klachten.
3.6
Klacht III is gericht tegen r.o. 10 van het eindarrest, waarin het hof het door [eiser] in hoger beroep gedane bewijsaanbod als onvoldoende gespecificeerd dan wel niet ter zake doend passeert. De klacht acht dit oordeel onbegrijpelijk gezien het uitdrukkelijk gedane aanbod van [eiser] om te bewijzen dat de onderneming niets waard was.
3.7
[Eiser] heeft aan het slot van zijn memorie van antwoord het volgende bewijsaanbod gedaan:
"[Eiser] biedt bewijs aan van al zijn stellingen, in eerste instantie en in appèl, zulks door alle middelen rechtens, in het bijzonder door geschriften en getuigen, zonder dat [eiser] evenwel een bewijslast op zich wil nemen, welke niet op grond van de wet op hem rust. Hoewel [eiser] in eerste instantie geen bewijsopdracht heeft gekregen, is hij toch van mening, dat aan de hand van de in eerste instantie gehoorde getuigen, hij er in is geslaagd, zijn stellingen, voor zover die van belang zijn, reeds te bewijzen. Maar indien uw hof van mening is, dat zulks niet het geval is en nog bewijs danwel aanvullend bewijs moet worden geleverd, dan is [eiser] daartoe bereid."
In het licht van de volgens vaste jurisprudentie aan het bewijsaanbod in appel te stellen eisen, getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk dat het hof dit bewijsaanbod van [eiser] als onvoldoende gespecificeerd heeft gepasseerd.
3.8
Ter comparitie, na conclusiewisseling in appel, heeft [eiser] geen bewijs aangeboden, en is getuige het proces-verbaal van de zitting6. bovendien weinig gemotiveerd op de stellingen van de curator ingegaan. Bij memorie na comparitie heeft [eiser] een gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. De curator heeft zich met een beroep op de goede procesorde tegen het accepteren van dit bewijsaanbod verzet7., nu dit bewijs reeds bij antwoord of tijdens de comparitie gedaan had kunnen en moeten worden aangeboden. [Eiser]s bewijsaanbod luidt als volgt:
"Aanbod bewijs
[Eiser] biedt uitdrukkelijk bewijs aan van het feit, dat de onderneming geen waarde had en zulks middels het horen van de deskundige [betrokkene 2]. [Eiser] wijst er uitdrukkelijk op, dat deze taxateur ook aanvankelijk door de curator is benaderd als deskundige. De curator heeft daar van af moeten zien, toen bleek, dat [eiser] [betrokkene 2] reeds gevraagd had als deskundige/taxateur.
[Eiser] biedt ook bewijzen aan van het feit, dat de stelling van de curator ingenomen tijdens de comparitie van partijen, dat [eiser] en [betrokkene 2] goede vrienden c.q. bekenden van elkaar zijn, onjuist is. Evenzeer middels het horen van voornoemde [betrokkene 2]. Met betrekking tot dit laatste, is [eiser] evenzeer bereid als getuige op te treden.
(...)
[Eiser] biedt voorts aan te getuigen, dat ook bij de eerste bijeenkomst bij de curator niet aan hem gevraagd is de onderneming aan hem terug te leveren. Daartoe kan gehoord worden de eerder gehoorde getuige [betrokkene 3]. Deze getuige was bij het gesprek met [eiser] aanwezig. Uiteraard biedt [eiser] als partijgetuige, daarover te verklaren."
3.9
Getuige de bestreden rechtsoverweging heeft het hof het verzet van de curator niet gehonoreerd, maar heeft het geoordeeld dat de te bewijzen aangeboden feiten niet ter zake doen. Onvoldoende gespecificeerd is dit tweede bewijsaanbod immers duidelijk niet. Het eerste door [eiser] te bewijzen feit geldt ter onderbouwing van het feit dat de boedel geen schade had geleden. Over de schade had het hof in zijn tussenarrest reeds een bindende eindbeslissing genomen; nu aan deze beslissing door het (gedeeltelijk) slagen van de hiervoor behandelde klachten de gronden zijn komen te ontvallen, slaagt ook klacht III.
3.10
Klacht VI stelt dat het hof met de weigering de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen (r.o. 9 van het tussenarrest) buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. De klacht miskent dat de strekking van art. 612 Rv moet worden begrepen in het licht van art. 6:97 BW. De rechter begroot, indien hij een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, in beginsel de schade in zijn vonnis voor zover hem dit mogelijk is, ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd maar voldoende is gesteld en is komen vast te staan om te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag. Eerst als deze begroting niet mogelijk is spreekt hij een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uit. De keuze daartoe maakt de rechter desnoods ambtshalve8..
3.11
Klacht VII richt zich tegen r.o. 7 van het eindarrest, waarin het hof oordeelt als volgt:
"[Eiser] heeft verder nog aangevoerd dat de boedel gebaat is geweest bij zijn huurbetalingen. De curator heeft hier tegenover gesteld dat de koper de achterstallige huurtermijnen zou hebben voldaan. Het hof acht dit aannemelijk, maar evenzeer aannemelijk is dat die betaling de hoogte van de koopsom zou hebben beïnvloed. Het hof zal een bedrag gelijk aan twee maanden huur, afgerond op € 3.000,-, als voordeel verrekenen.
De door de curator geleden schade (ad a) wordt aldus begroot op € 25.593,-."
3.12
De klacht stelt dat het hof miskent dat, op uitdrukkelijk verzoek van de curator, [eiser] huur betaald heeft van de onderneming gedurende de maanden september, oktober, november en december 2003, derhalve dus een bedrag van € 6000,-. Daarnaast is noch door [eiser] zelf, noch door de curator gesteld dat de betaling van de huur de hoogte van de koopsom zou hebben beïnvloed. [Eiser] is van mening, dat met een volledig door hem betaalde huurrekening moet worden gehouden. En niet slechts met twee maanden.
3.13
De klacht faalt. Het partijdebat draaide om de vraag in hoeverre de boedel door de betalingen van [eiser] gebaat is geweest. Het hof heeft het verweer van [eiser] gedeeltelijk gehonoreerd door enerzijds aannemelijk te achten dat de boedel bij zijn huurbetalingen gebaat is geweest, maar anderzijds ook het verweer van de curator gedeeltelijk te honoreren door aannemelijk te achten dat de koper enkele - maar niet zoals gesteld: alle - huurtermijnen zou hebben vergoed bovenop de overeengekomen koopsom.
3.14
Klacht VIII klaagt dat het hof, hoewel uitgaand van de door de rechtbank vastgestelde feiten, die feiten heeft samengevat. Volgens [eiser] is dit in strijd met het recht danwel onbegrijpelijk. Voor deze, overigens niet uitgewerkte, stellingname vind ik geen steun in een - door de klacht ook niet genoemde - rechtsregel. De weergave van het hof komt voorts niet onbegrijpelijk voor; de klacht motiveert ook niet waarom dit het geval zou zijn.
3.15
Klacht IX klaagt dat het hof de bij memorie na comparitie van 12 oktober 2010 in de procedure gebrachte getuigenverklaring van [betrokkene 2] in strijd met het recht dan wel onbegrijpelijk zonder motivering buiten beschouwing heeft gelaten. Gezien de stand van het geding - na conclusiewisseling en comparitie in appel - heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat het taxatierapport in strijd met de goede procesorde nieuwe feiten inbrengt. Kennelijk heeft het hof dit verweer gehonoreerd; dit oordeel getuigt gezien vaste rechtspraak9. niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde evenmin nadere motivering.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑03‑2013
Voor zover in cassatie relevant. Zie voor het volledige procesverloop de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2005 (r.o. 2.1-2.6) en 30 mei 2007 (r.o. 1.1-1.2) en de bestreden arresten van het hof Den Haag van 23 maart 2010 en 17 april 2012 (beide onder 'Het geding', p. 1) alsmede het p-v van de in appel gehouden comparitie van 19 augustus 2010.
De cassatiedagvaarding is op 17 juli 2012 betekend.
Zie ook het oordeel van de Voorzieningenrechter Rb Den Haag van 19 december 2003, r.o. 4.2 (A-dossier, Prod. 22 bij CvA).
P-v van comparitie, p. 3, 1e alinea.
Memorie na comparitie zijdens de curator, nr. 36.
Vaste rechtspraak, zie o.m. HR 16 april 2010, LJN BL2229 (NJ 2010, 229) en HR 3 februari 2012, LJN BU4914 (NJ 2012/95).
Zie o.m. HR 16 november 1990, LJN ZC0049 (NJ 1992, 84 m.nt. H.J. Snijders); M. Ynzonides & E. van Geuns (Burgerlijke Rechtsvordering) art. 347, aant. 20 met nadere verwijzingen.