Arbeidsrecht en insolventie
Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/2.7:2.7 Loongarantieregeling
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/2.7
2.7 Loongarantieregeling
Documentgegevens:
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS304755:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Thans: Richtlijn 2008/94/EG; de voorganger dateert uit 1980: Richtlijn 80/987/EEG.
Kamerstukken II 1967/68, 9515, nr. 3, p. 3 (MvT).
Resolutie van de Raad van Europa van 21 januari 1974, PbEG 12 februari 1974.
Hufman 2015, p. 29.
De andere twee betrokken richtlijnen: de Richtlijn Overgang van Onderneming (2001/23/EG) en de Richtlijn Collectief Ontslag (98/59/EEG).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een wezenlijke verbetering voor de positie van werknemers van insolvente ondernemingen – en daarmee relevant voor de verhouding tussen het arbeids- en het insolventierecht in Nederland – werd gevormd door de komst van de zgn. loongarantieregeling (met ingang van 1968, opgenomen in de Werkloosheidswet). Net als de regeling van de voorrechten ziet deze met name op de positie van de werknemer als schuldeiser (en dus in mindere mate op zijn arbeidsrechtelijke positie in bredere zin). Op grond van de loongarantieregeling is UWV verplicht een aantal financiële verplichtingen van de werkgever, zoals het loon over een bepaalde periode, over te nemen als een werkgever deze zelf vanwege betalingsonmacht niet meer kan nakomen. Op grond van de zgn. Insolventierichtlijn1 zijn lidstaten sinds 1980 verplicht te voorzien in een waarborgfonds dat werknemers een minimum garandeert. Nederland liep daar met de introductie van de loongarantieregeling in 1968 vrij ver op vooruit. Deze nationale regeling volgde op adviezen van de Sociale Verzekeringsraad en de Commissie Sociale Verzekeringen van de SER, waarbij de Minister zich grotendeels aansloot, en waren een gevolg van de vrij breed gedragen overtuiging dat extra publiekrechtelijke bescherming vereist werd voor werknemers bij sluiting van ondernemingen (waarbij met name – doch niet uitsluitend – gedoeld werd op faillissement), omdat zij "vanwege hun zwakke sociale positie het minst in staat zijn de nadelige gevolgen (van de blijvende betalingsonmacht van de onderneming, JvdP) te dragen".2 Nederland was daarbij Europa onbedoeld voor, maar verrassend was dit ook weer niet, nu de introductie gebaseerd was op een langer en breder levend sentiment in Nederland en de omliggende landen. Aan de richtlijn in 1980 lag dan ook een vergelijkbaar principe (aanvullende bescherming van de sociaal zwakkere werknemer) ten grondslag, zo blijkt ook uit een van de overwegingen in die richtlijn:
"Overwegende dat er voorzieningen nodig zijn om werknemers bij insolventie van de werkgever te beschermen in het bijzonder om de honorering van hun onvervulde aanspraken te garanderen met inachtneming van de noodzaak van een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling in de Gemeenschap."
In bredere zin volgt de beschermingsgedachte ook al uit het zgn. Sociaal Actie Programma van 1974-1976,3 dat de Europese gemeenschap een 'sociaal gezicht' moest geven.4 Dat moest onder meer bewerkstelligd worden door een aantal richtlijnen, waaronder genoemde Insolventierichtlijn.5 Hiermee werd overigens niet beoogd de beleidsvrijheid van ondernemingen met betrekking tot herstructureringen en ontslag van werknemers te beperken, maar de richtlijn was wel uitdrukkelijk gericht op het reguleren van de sociale gevolgen en het verzachten van de effecten van herstructureringen en collectieve ontslagen, ook in geval van insolventie.