Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.4.9
11.4.4.9 Standaardvoorwaarde 6: earningsstripping
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491483:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 11.3.11.2.
Zie onderdeel 11.4.4.2. Daarbij zal de voortwentelingsaanspraak van de zuiver splitsende rechtspersoon moeten worden verdeeld over de diverse verkrijgende rechtspersonen.
Zie onderdeel 11.4.3.
Zie onderdeel 11.3.6.
In deze standaardvoorwaarde wordt dit aangeduid met ‘ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten’. Daaronder wordt volgens standaardvoorwaarde 6, lid 5 verstaan: het bedrag waarmee het hoogste van de bedragen, bedoeld in art. 15b, lid 1, Wet VPB 1969 het saldo aan renten van het jaar overschrijdt. Ik hanteer kortheidshalve de term ‘voortwentelingsruimte’ waarmee hetzelfde is bedoeld.
Het gaat hier dus concreet over de vermogensbestanddelen met de daarbij eventueel behorende activiteiten die de betreffende verkrijgende rechtspersoon bij de zuivere splitsing heeft verkregen.
Standaardvoorwaarde 6 moet dus voor iedere verkrijger afzonderlijk worden toegepast.
Hoewel hierover niets is opgemerkt in de tekst of de toelichting van standaardvoorwaarde 6, neem ik aan dat dat voor het vaststellen van de ‘zelfstandige winst’ gebruik kan worden gemaakt van de winstsplitsing zoals neergelegd in standaardvoorwaarde 8. Zie daarover onderdeel 11.4.4.11.
In het hiervóór behandelde voorbeeld is deze situatie niet aan de orde.
In het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 1.1 is de term onderneming als volgt gedefinieerd: de vermogensbestanddelen met de daarbij eventueel behorende activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon. Met ‘oorspronkelijke onderneming’ bedoel ik hierna de onderneming zoals deze door de verkrijgende rechtspersoon direct vóór het splitsingstijdstip werd gedreven. Met ‘overgenomen onderneming’ heb ik het oog op de onderneming die door de verkrijger bij de zuivere splitsing is overgenomen van de splitser.
Zie Stb. 2018, 514, p. 32-34.
Het lijkt erop dat hieraan ook is getwijfeld bij de opstellers van het Beleidsbesluit NLF 2021/1057. Het is namelijk opzienbarend dat de onderhavige standaardvoorwaarde 6 in bijlage 1 anders is vormgegeven dan in bijlage 9. In bijlage 1 zijn de standaardvoorwaarden opgenomen die worden verbonden aan de toepassing van de doorschuifregeling op verzoek art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969. Bijlage 9 van genoemd beleidsbesluit bevat de standaardvoorwaarden in gevallen waarin de betrokkenen te laat zijn met een verzoek in de zin van art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969. In dergelijke gevallen kan onder omstandigheden toch een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing tot stand komen. Zie onderdeel 11.4.2.1. Er worden dan eveneens standaardvoorwaarden aan de fiscale begeleiding verbonden. Standaardvoorwaarde 6 bestaat dan echter slechts uit drie in plaats van vijf leden (zie bijlage 9). Hetgeen is geregeld in standaardvoorwaarde 6, lid 2 en lid 3, zoals opgenomen in bijlage 1, maakt geen deel uit van standaardvoorwaarde 6 in bijlage 9. Ik kan mij niet voorstellen dat de wijze waarop de samenloop met de earningsstrippingmaatregel is vormgegeven afhankelijk is van de vraag of een verzoek om fiscale begeleiding al dan niet tijdig is ingediend. Dit punt verdient opheldering.
Zie ook Bouwman, NDFR Deel VPB, commentaar op art. 14a, onderdeel 5.5.4.8 (bijgewerkt 17-5-2021). Deze auteur verwijst met instemming naar mijn analyse in Cursus Belastingrecht VPB, onderdeel 2.6.0.C.d5.X (bijgewerkt 12-1-2021).
Bij een fiscale eenheid ligt dat gecompliceerder. Er kunnen namelijk meer dan twee maatschappijen deel uitmaken van een fiscale eenheid, terwijl iedere gevoegde maatschappij over voortwentelingsaanspraken van voor het voegingstijdstip kan beschikken. Bovendien kan bij een gevoegde maatschappij zonder voortwentelingsaanspraken zelfstandig bezien een saldo aan renten aanwezig zijn. Het voorbeeld over de werking van art. 10a, lid 1, Besluit fiscale eenheid 2003 in Stb. 2018, 514, p. 32-34, gaat dan ook uit van drie fiscale-eenheidsmaatschappijen. Iets vergelijkbaars kan zich voordoen bij een fiscaal gefaciliteerde juridische fusie, aangezien bij die rechtsfiguur het vermogen van meerdere verdwijners kan overgaan naar één verkrijger. Bij een zuivere splitsing is dat niet mogelijk. Ik wijs erop dat de regels voor de verrekening van voorsplitsingsverliezen bij een fiscaal begeleide zuivere splitsing op verzoek dan ook eenvoudiger zijn vormgegeven dan de regels voor de verrekening van voorfusieverliezen bij een fiscaal gefaciliteerde juridische fusie op verzoek. Ik doel hier specifiek op de winstsplitsing en de daarmee verband houdende regeling op grond waarvan een negatief deel moet worden verdeeld. Bij een zuivere splitsing wordt dat negatieve deel simpelweg in mindering gebracht op het positieve deel van de andere ‘onderneming’. Zie onderdeel 11.4.4.11. Bij een juridische fusie is dat (veel) ingewikkelder omdat het negatieve saldo moet worden verdeeld over meerdere positieve delen. Zie standaardvoorwaarde 6, lid 3 in het Beleidsbesluit NLF 2021/1059, bijlage 1.
Het is ook mogelijk dat de verkrijgende rechtspersoon deelneemt aan meerdere elkaar opvolgende zuivere splitsingen en voorsplitsingsrenten in het spel zijn. De vraag is echter of de staatssecretaris dergelijke situaties op het oog heeft aangezien in die gevallen per zuivere splitsing standaardvoorwaarden aan de fiscale facilitering zullen worden verbonden. Hier wreekt zich (opnieuw) de uiterst summiere toelichting op deze standaardvoorwaarde.
In de tabel staat in de kolom met het oorspronkelijk vermogen van de verkrijgende rechtspersoon een negatieve gecorrigeerde winst. Dat is om duidelijk te maken dat de oorspronkelijke onderneming van deze verkrijger in jaar 2 een verlies heeft geleden. Dat zelfstandige verlies vermindert de totale gecorrigeerde winst van de verkrijgende rechtspersoon (en die bedraagt 90). Deze totale gecorrigeerde winst is ten minste nihil (art. 15b, lid 3, Wet VPB 1969).
Deze ruimte wordt bepaald door € 27 miljoen, zijnde 30% van de gecorrigeerde winst van € 90 miljoen, te verminderen met het saldo aan renten in jaar 2 van € 25 miljoen.
De drempel van € 1 miljoen kan worden gebruikt voor het verzilveren van een voortwentelingsaanspraak, ook als het saldo aan renten in dat ‘voortwentelingsjaar’ nihil is. Zie Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 7, p. 22-23. De vraag is of dit ook geldt binnen de context van standaardvoorwaarde 6 in gevallen waarin de drempel bij de verkrijger als geheel geen rol speelt omdat 30% van de gecorrigeerde winst (in dit geval € 27 miljoen) meer bedraagt dan de drempel (€ 1 miljoen). Mocht het antwoord op de zojuist opgeworpen vraag ontkennend zijn, dan staan nut en noodzaak van standaardvoorwaarde 6, lid 2 en lid 3 nog verder onder druk.
Deze ruimte wordt bepaald door € 30 miljoen, zijnde 30% van de gecorrigeerde winst van € 100 miljoen, te verminderen met het saldo aan renten in jaar 2 van € 25 miljoen.
Bij de oorspronkelijke onderneming wordt € 1 miljoen (rsp) gedeeld door € 6 miljoen (rt) en daarna vermenigvuldigd met € 2 miljoen. Bij de overgenomen onderneming gaat het over (€ 5 miljoen: € 6 miljoen) x € 2 miljoen.
Zie onderdeel 11.4.4.11.
Zie onderdeel 10.4.5.5.
Kamerstukken II 2018/19, 35 028, nr. 3, p. 70. Ook op dit punt is duidelijk aansluiting gezocht bij de antimisbruikbepaling van art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969. Zie onderdeel 10.4.6.
In standaardvoorwaarde 6 is het volgende bepaald:
Voor de toepassing van artikel 15b, vijfde lid, komen de voor het splitsingstijdstip ontstane saldi aan renten (voorsplitsingsrenten) in aftrek bij het bepalen van de winst van een jaar eindigend na het splitsingstijdstip voor zover:
in dat jaar ruimte bestaat voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten; en
bij de rechtspersoon bij wie de voorsplitsingsrenten zijn ontstaan in dat jaar ruimte zou bestaan voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten als de zuivere splitsing niet zou hebben plaatsgevonden en het vermogen van de splitsende rechtspersoon alleen zou hebben bestaan uit de aan de verkrijgende rechtspersoon overgedragen onderneming.
Indien de ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten bij de verkrijgende rechtspersoon lager is dan de totale ruimte die hiervoor bij de rechtspersonen bij wie de voorsplitsingsrenten zijn ontstaan gezamenlijk zou bestaan als deze ruimte wordt berekend alsof de zuivere splitsing niet zou hebben plaatsgevonden en het vermogen van de splitsende rechtspersoon alleen zou hebben bestaan uit de aan de verkrijgende rechtspersoon overgedragen onderneming, komen voor de toepassing van het eerste lid voorsplitsingsrenten in aftrek tot maximaal het bedrag dat volgt uit de formule (rsp/rt) x rvrp waarbij wordt verstaan onder:
rsp: de ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten bij de rechtspersoon bij wie de saldi zijn ontstaan, als deze ruimte wordt berekend alsof de zuivere splitsing niet zou hebben plaatsgevonden en het vermogen van de splitsende rechtspersoon alleen zou hebben bestaan uit de aan de verkrijgende rechtspersoon overgedragen onderneming
rt: de totale ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten van bij de splitsing betrokken rechtspersonen met voorsplitsingsrenten gezamenlijk berekend alsof de zuivere splitsing niet zou hebben plaatsgevonden en het vermogen van de splitsende rechtspersoon alleen zou hebben bestaan uit de aan de verkrijgende rechtspersoon overgedragen onderneming
rvrp: de ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten bij de verkrijgende rechtspersoon.
Indien bij een rechtspersoon betrokken bij de splitsing met voorsplitsingsrenten het bedrag aan voorsplitsingsrenten lager is dan het bedrag dat op grond van de formule, bedoeld in het tweede lid, in aftrek kan worden gebracht, wordt het verschil tussen die bedragen door toepassing van die formule op basis van de na toepassing van het tweede lid resterende ruimten verdeeld over de bij de splitsing betrokken rechtspersonen met een na toepassing van het tweede lid resterend bedrag aan voorsplitsingsrenten, met dien verstande dat bij toepassing van die formule rvrp ten hoogste gelijk is aan de rt. Indien bij een bij de splitsing betrokken rechtspersoon het resterende bedrag aan voorsplitsingsrenten lager is dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van de eerste zin, wordt de eerste zin opnieuw toegepast, met dien verstande dat daarbij wordt uitgegaan van de na toepassing van de eerste zin resterende ruimten
Het eerste lid vindt geen toepassing voor zover de ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten ontstaat door rechtshandelingen die in overwegende mate zijn gericht op het verruimen van de mogelijkheid om voorsplitsingsrenten in aftrek te brengen. Rechtshandelingen worden geacht in overwegende mate te zijn gericht op het verruimen van de mogelijkheid om voorsplitsingsrenten in aftrek te brengen indien de rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen.
Voor de toepassing van deze voorwaarde wordt onder ruimte voor het in aftrek brengen van voortgewentelde saldi aan renten verstaan: het bedrag waarmee het hoogste van de bedragen, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, het saldo aan renten van het jaar overschrijdt.”
De earningsstrippingmaatregel en het voortwentelen van een saldo aan renten
De earningsstrippingmaatregel van art. 15b Wet VPB 1969 beperkt onder omstandigheden de aftrek van de per saldo verschuldigde renten op derden- en concernleningen. Dit is het positieve verschil tussen de rentelasten en rentebaten ter zake van geldleningen en daarmee vergelijkbare overeenkomsten (saldo aan renten). Het saldo aan renten komt niet in aftrek voor zover dit meer bedraagt dan het hoogste van de volgende bedragen (aftrekruimte):
30% van de gecorrigeerde winst.
€ 1 miljoen.
Voor zover het saldo aan renten in een jaar niet aftrekbaar is, kan dit onbeperkt worden voortgewenteld naar volgende jaren. Deze voortwentelingsregeling is uitgewerkt in art. 15b, lid 5, Wet VPB 1969. De kern daarvan is dat het niet-aftrekbare saldo aan renten van een jaar (voortwentelingsaanspraak) aftrekbaar is van de winst van het volgende jaar, voor zover art. 15b Wet VPB 1969 daarvoor in dat volgende jaar ruimte biedt. Deze voortwentelingsruimte is gelijk aan de aftrekruimte in dat volgende jaar, te weten 30% van de gecorrigeerde winst of, als dat hoger is, € 1 miljoen, verminderd met het saldo aan renten dat betrekking heeft op dat betreffende jaar.
De verrekening van voorsplitsingsrenten en de achtergrond van standaardvoorwaarde 6
Het is mogelijk dat een lichaam met een voortwentelingsaanspraak in de zin van art. 15b, lid 5, Wet VPB 1969 als splitsende rechtspersoon of als verkrijgende rechtspersoon deelneemt aan een zuivere splitsing. Wat betreft de zuiver splitsende rechtspersoon geldt als hoofdregel dat een voortwentelingsaanspraak verloren gaat, aangezien dit lichaam als gevolg van de zuivere splitsing ophoudt te bestaan.1 Op grond van de eerder in dit onderzoek besproken goedkeuring kan de voortwentelingsaanspraak van de zuiver splitsende rechtspersoon echter overgaan naar de verkrijgende rechtspersonen.2 In zo’n geval heeft de verkrijger een overgenomen voortwentelingsaanspraak. De verkrijger kan daarnaast een eigen voortwentelingsaanspraak hebben opgebouwd. Aangezien de eigen en de overgenomen voortwentelingsaanspraak van de verkrijgende rechtspersoon zijn ontstaan vóór het splitsingstijdstip,3 wordt ook wel gesproken over voorsplitsingsrenten. In die gevallen kan de wettelijke doorschuifregeling van art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 niet worden toegepast.4 De splitsingspartners zijn voor fiscale begeleiding aangewezen op de doorschuifregeling op verzoek als bedoeld in art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969. Standaardvoorwaarde 6 is dan van toepassing. De achtergrond daarvan is dat de wetgever wil voorkomen dat door een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing ruimere mogelijkheden ontstaan voor het in aftrek brengen van de voorsplitsingsrenten. Het is opvallend dat de toelichting op standaardvoorwaarde 6 zeer summier is, terwijl de problematiek die daarin centraal staat fiscaaltechnisch buitengewoon complex is.
Standaardvoorwaarde 6, lid 1 bepaalt dat de voorsplitsingsrenten na het splitsingstijdstip slechts in aftrek komen voor zover:
bij de verkrijger als geheel in dat jaar voortwentelingsruimte5 bestaat (eerste maximum), en
bij de rechtspersoon bij wie de voorsplitsingsrenten zijn ontstaan in dat jaar voortwentelingsruimte zou bestaan als de zuivere splitsing niet zou hebben plaatsgevonden en het vermogen van de splitser alleen zou hebben bestaan uit de aan de verkrijger overgedragen onderneming (tweede maximum).6
Het eerste maximum moet worden berekend aan de hand van de gegevens van de verkrijgende rechtspersoon als geheel, dus inclusief de gecorrigeerde winst en het saldo aan renten die toerekenbaar zijn aan de vermogensbestanddelen die zijn overgenomen van de zuiver splitsende rechtspersoon.7 Indien op grond van deze berekening geen voortwentelingsruimte bestaat, kunnen geen voorsplitsingsrenten in aanmerking worden genomen. Aan het berekenen van het tweede maximum wordt in dat scenario niet toegekomen. Bestaat bij de verkrijger als geheel daarentegen wel voortwentelingsruimte, dan moet worden bepaald wat de voortwentelingsruimte zou zijn bij de rechtspersoon bij wie de voorsplitsingsrenten in het verleden zijn ontstaan als de zuivere splitsing niet zou hebben plaatsgevonden (tweede maximum).8 Daarbij moet worden gedaan alsof het vermogen van de splitser alleen zou hebben bestaan uit het vermogen dat bij de splitsing is overgegaan naar de verkrijgende rechtspersoon. Dit laatste is nodig omdat aan een zuivere splitsing ten minste twee verkrijgers deelnemen. Door dit voor te schrijven wordt op het niveau van een bepaalde verkrijgende rechtspersoon (die deze standaardvoorwaarde toepast) geabstraheerd van het vermogen dat bij de zuivere splitsing is overgegaan naar (een) andere verkrijger(s). De werking van standaardvoorwaarde 6, lid 1 kan met een cijfervoorbeeld worden verduidelijkt (bedragen x € 1 miljoen):
Verkrijgende rechtspersoon (totaal)
Oorspronkelijke onderneming
Overgenomen onderneming
Jaar 1
Voorsplitsingsrenten
20
Jaar 2
Gecorrigeerde winst
300
200
100
Saldo aan renten
70
45
25
In dit voorbeeld is een bij de splitser aanwezige voortwentelingsaanspraak van € 20 miljoen via de hiervóór al genoemde goedkeuring overgegaan naar de verkrijger. Op het splitsingstijdstip beschikt de verkrijgende rechtspersoon zelf niet over een voortwentelingsaanspraak. Verder speelt de drempel van € 1 miljoen in dit voorbeeld geen rol. Op grond van standaardvoorwaarde 6, lid 1 moet eerst worden getoetst of in jaar 2 bij de verkrijgende rechtspersoon als geheel voortwentelingsruimte aanwezig is (eerste maximum). Dat is het geval. In jaar 2 kan namelijk maximaal een saldo aan renten in aftrek worden gebracht van € 90 miljoen (30% van de gecorrigeerde winst van € 300 miljoen). Het saldo aan renten dat betrekking heeft op jaar 2 bedraagt € 70 miljoen, zodat de voortwentelingsruimte € 20 miljoen is en dat is gelijk aan het bedrag aan voorsplitsingsrenten. Zonder nadere regels zou het totale bedrag aan voorsplitsingsrenten van de splitsende rechtspersoon van € 20 miljoen dus in jaar 2 ten laste van de fiscale winst zijn gebracht. Standaardvoorwaarde 6, lid 1 schrijft echter voor dat ook getoetst moet worden hoeveel voorsplitsingsrenten in jaar 2 aftrekbaar zou zijn als de zuivere splitsing niet had plaatsgevonden (tweede maximum). Daarbij moet worden gedaan alsof het vermogen van de splitsende rechtspersoon alleen bestaat uit het vermogen dat bij de zuivere splitsing is overgegaan naar de verkrijgende rechtspersoon. In de tabel zijn dit de gegevens in de rechterkolom. Op basis daarvan zou een saldo aan renten in aftrek kunnen worden gebracht van € 30 miljoen, namelijk 30% van de gecorrigeerde winst van € 100 miljoen. Het saldo aan renten dat toerekenbaar is aan het van de zuivere splitser afkomstige vermogen in jaar 2 is € 25 miljoen, zodat de beschikbare voortwentelingsruimte € 5 miljoen is. Van de totale van de splitsende rechtspersoon overgenomen voorsplitsingsrenten, zijnde € 20 miljoen, komt dus slechts € 5 miljoen ten laste van de winst in jaar 2. Er resteert een bedrag aan voorsplitsingsrenten van € 15 miljoen. In jaar 3 moet standaardvoorwaarde 6 opnieuw worden toegepast om voor dat jaar te bepalen in hoeverre het restantbedrag aan voorsplitsingsrenten (€ 15 miljoen) te gelde kan worden gemaakt. Dit herhaalt zich totdat de voorsplitsingsrenten geheel in aftrek zijn gekomen.
De voortwentelingsruimte is bij de verkrijgende rechtspersoon als geheel lager dan de ruimte bij de afzonderlijke rechtspersonen
De mogelijkheid bestaat dat de voortwentelingsruimte bij de verkrijgende rechtspersoon als geheel (eerste maximum) kleiner is dan de totale voortwentelingsruimte die beschikbaar zou zijn bij de afzonderlijke rechtspersonen als wordt gedaan alsof (i) de splitsing niet zou hebben plaatsgevonden en (ii) het vermogen van de zuiver splitsende rechtspersoon uitsluitend zou hebben bestaan uit de vermogensbestanddelen die bij de zuivere splitsing zijn overgegaan naar de verkrijger.9 Voor die gevallen bepaalt standaardvoorwaarde 6, lid 2 dat voorsplitsingsrenten in aftrek komen tot maximaal het bedrag dat volgt uit de volgende formule: (rsp/rt) × rvrp. Daarbij wordt verstaan onder:
rsp: de voortwentelingsruimte bij de rechtspersoon bij wie de voortwentelingsaanspraak is ontstaan, als deze ruimte wordt berekend alsof de zuivere splitsing niet zou hebben plaatsgevonden en het vermogen van de splitsende rechtspersoon alleen zou hebben bestaan uit de aan de verkrijgende rechtspersoon overgedragen onderneming.
rt: de totale voortwentelingsruimte van bij de splitsing betrokken rechtspersonen met voorsplitsingsrenten gezamenlijk berekend alsof de zuivere splitsing niet zou hebben plaatsgevonden en het vermogen van de splitsende rechtspersoon alleen zou hebben bestaan uit de aan de verkrijgende rechtspersoon overgedragen onderneming.
rvrp: de voortwentelingsruimte bij de verkrijgende rechtspersoon (als geheel).
Op basis van deze formule wordt de voortwentelingsruimte van de verkrijgende rechtspersoon (als geheel) naar rato verdeeld over de bij de splitsing betrokken rechtspersonen met voorsplitsingsrenten. De voorwentelingsruimte wordt op grond van de genoemde formule verdeeld over de in de verkrijgende rechtspersoon verenigde ondernemingen.10 In de kern komt dit hierop neer: de per onderneming afzonderlijk bepaalde voortwentelingsruimte (rsp), wordt gedeeld door de totale voortwentelingsruimte van alle ondernemingen met voorvoegingsrenten (rt). Hierbij wordt gedaan alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden en het vermogen van de splitser uitsluitend bestaat uit de door de verkrijger overgenomen onderneming. Deze uitkomst wordt vermenigvuldigd met de aanwezige voortwentelingsruimte van de verkrijgende rechtspersoon als geheel (rvrp). Het kan voorkomen dat de toepassing van deze regeling tot gevolg heeft dat het bedrag aan voortwentelingsruimte dat wordt toebedeeld aan de oorspronkelijke onderneming of aan de overgenomen onderneming de aanwezige voorsplitsingsrenten van die onderneming overtreft. Als bij de andere onderneming van de verkrijgende rechtspersoon nog voorsplitsingsrenten aanwezig zijn na toepassing van de formule van standaardvoorwaarde 6, lid 2, zou een deel van de totale voortwentelingsruimte onverrekend blijven. Dit terwijl bij de verkrijgende rechtspersoon als geheel nog voortwentelingsruimte aanwezig is. Voor deze situaties bevat standaardvoorwaarde 6, lid 3 een voorschrift. Zie ik het goed, dan is de oplossing in standaardvoorwaarde 6, lid 3 dat het surplus aan voortwentelingsruimte van de ene onderneming (uiteindelijk) wordt overgeheveld naar de andere onderneming. Verderop volgt een cijfervoorbeeld.
Deze ingewikkelde problematiek is opmerkelijk genoeg niet toegelicht aan de hand van een op de zuivere splitsing toegespitst cijfervoorbeeld. In de toelichting op standaardvoorwaarde 6 wordt verwezen naar de bepalingen uit het fiscale-eenheidsregime die gaan over de voortwenteling van voorvoegingsrenten over het voegingstijdstip heen. Het valt daarbij op dat in die toelichting uitsluitend wordt verwezen naar art. 15aha Wet VPB 1969 en niet ook naar de regeling in art. 10a Besluit fiscale eenheid 2003. Laatstgenoemd artikel moet namelijk worden gezien als het equivalent van standaardvoorwaarde 6, lid 2 en lid 3. Art. 10a Besluit fiscale eenheid 2003 is wel toegelicht met voorbeelden.11 Kennelijk is het de bedoeling dat een en ander op vergelijkbare wijze verloopt bij een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing op verzoek.
De vraag is echter of deze ingewikkelde exercitie wel nodig is bij een zuivere splitsing.12 Bedacht moet namelijk worden dat als gevolg van een splitsing slechts twee ondernemingen zijn verenigd in een verkrijgende rechtspersoon: de oorspronkelijke onderneming en de van de zuivere splitser overgenomen onderneming.13 De voortwentelingsruimte van de verkrijgende rechtspersoon als geheel, het maximum, hoeft na een zuivere splitsing dus slechts te worden verdeeld over deze twee ondernemingen.14 Daarbij geldt dat pas aan de formule van standaardvoorwaarde 6, lid 2 wordt toegekomen ingeval de voortwentelingsruimte van de verkrijgende rechtspersoon als geheel kleiner is dan de totale ruimte die hiervoor bij de oorspronkelijke onderneming en de overgenomen onderneming gezamenlijk zou bestaan als deze ruimte wordt berekend alsof de zuivere splitsing niet zou hebben plaatsgevonden. Dit lijkt aan de orde te kunnen komen in situaties waarin ofwel de oorspronkelijke onderneming ofwel de overgenomen onderneming zelfstandig bezien een nasplitsingsverlies lijdt. Dat verlies vermindert de (potentiële) voortwentelingsruimte van de verkrijgende rechtspersoon als geheel. In zo’n geval zal echter doorgaans juist vanwege het zelfstandige verlies bij die onderneming geen voortwentelingsruimte aanwezig zijn (geen gecorrigeerde winst). De aanwezige voortwentelingsruimte van de verkrijger als geheel lijkt in zo’n geval eenvoudig te kunnen worden toegerekend aan de andere onderneming (die winstgevend is). De technisch uiterst ingewikkelde regels van standaardvoorwaarde 6, lid 2 en lid 3 lijken daarvoor niet nodig. Ik heb mijn hoofd dan ook gebroken over de vraag of er situaties denkbaar zijn waarin die regels toch behulpzaam zouden kunnen zijn. Hoewel ik zeker niet uitsluit iets over het hoofd te zien, lijken de regels van standaardvoorwaarde 6, lid 2 en lid 3 in beeld te (kunnen) komen in gevallen waarin één van de twee in de verkrijgende rechtspersoon verenigde ondernemingen in het betreffende nasplitsingsjaar (i) zelfstandig bezien verliesgevend is, (ii) beschikt over voorsplitsingsrenten en (iii) de drempel van € 1 miljoen niet (geheel) gebruikt.15 Het volgende voorbeeld kan dit verduidelijken (bedragen x € 1 miljoen):16
Verkrijgende rechtspersoon (totaal)
Oorspronkelijke onderneming
Overgenomen onderneming
Jaar 1
Voorsplitsingsrenten
5
1
Jaar 2
Gecorrigeerde winst
90
-10
100
Saldo aan renten
25
0
25
Voortwentelingsruimte
2
1
5
De voortwentelingsruimte van de verkrijgende rechtspersoon als geheel is in dit voorbeeld € 2 miljoen.17 De voortwentelingsruimte die toerekenbaar is aan de oorspronkelijke onderneming van de verkrijger is in principe € 1 miljoen. Dit vereist enige uitleg. Omdat deze onderneming in jaar 2 verlieslatend is en aan deze onderneming in dat jaar geen saldo aan renten toerekenbaar is, gaat het hier over het bedrag van de drempel.18 De voortwentelingsruimte die toerekenbaar is aan de van de zuiver splitsende rechtspersoon overgenomen onderneming is € 5 miljoen.19 In dit voorbeeld is de voortwentelingsruimte in jaar 2 van de verkrijgende rechtspersoon als geheel (€ 2 miljoen) dus lager dan de voortwentelingsruimte van de oorspronkelijke onderneming en de overgenomen onderneming alsof geen zuivere splitsing zou hebben plaatsgevonden (€ 6 miljoen). De vervolgvraag is dan hoe het bedrag van € 2 miljoen moet worden verdeeld over deze twee ondernemingen. Nu lijkt een functie weggelegd voor standaardvoorwaarde 6, lid 2. Op grond van de daarin opgenomen formule wordt aan de oorspronkelijke onderneming een bedrag van € 0,33 miljoen toebedeeld en aan de overgenomen onderneming € 1,67 miljoen.20 De voortwentelingsruimte die is toebedeeld aan de overgenomen onderneming (€ 1,67 miljoen) overstijgt de bij deze onderneming aanwezige voorsplitsingsrenten (€ 1 miljoen). Het surplus is € 0,67 miljoen. Volgens standaardvoorwaarde 6, lid 3 moet dit worden verdeeld over de bij de splitsing betrokken rechtspersonen die na toepassing van lid 2 nog beschikken over voorsplitsingsrenten. Ik wijs erop dat in de verkrijgende rechtspersoon slechts twee ondernemingen zijn verenigd. Bovendien is zojuist vastgesteld dat door de toepassing van standaardvoorwaarde 6, lid 2 bij de overgenomen onderneming geen bedrag aan voorsplitsingsrenten resteert. Het surplus van € 0,67 miljoen kan daarom uitsluitend worden toebedeeld aan de oorspronkelijke onderneming. Anders gezegd, de regeling in standaardvoorwaarde 6, lid 3 lijkt te zijn bedoeld voor gevallen waarin de voortwentelingsruimte van de verkrijger als geheel moet worden verdeeld over ten minste drie ondernemingen. Dat is echter bij een zuivere splitsing niet aan de orde. Ik veronderstel dat standaardvoorwaarde 6, lid 3 in dit geval bewerkstelligt dat het surplus van € 0,67 miljoen uiteindelijk bij de oorspronkelijke onderneming van de verkrijgende rechtspersoon terechtkomt. Het eindresultaat is dat alle voorsplitsingsrenten van de overgenomen onderneming, € 1 miljoen, in aftrek zijn gebracht in jaar 2. Wat betreft de oorspronkelijke onderneming is in jaar 2 een bedrag aan voorsplitsingsrenten in aftrek gebracht van € 1 miljoen. Voor die onderneming resteert dus een bedrag aan voorsplitsingsrenten van € 4 miljoen.
Antimisbruikbepaling
Standaardvoorwaarde 6, lid 4 bevat nog een antimisbruikbepaling. Op grond hiervan kunnen bij de verkrijgende rechtspersoon na het splitsingstijdstip geen voorsplitsingsrenten in aanmerking worden genomen, voor zover de voortwentelingsruimte is gecreëerd door rechtshandelingen die in overwegende mate zijn gericht op het verruimen van de mogelijkheid om voorsplitsingsrenten in aftrek te brengen. Een inhoudelijke toelichting ontbreekt, maar een vergelijkbare antimisbruikbepaling is opgenomen in het fiscale-eenheidsregime (art. 15aha, lid 3, Wet VPB 1969). In de toelichting daarop is gewezen op de mogelijkheid dat binnen een fiscale eenheid vermogensbestanddelen worden overgedragen met als doel het overbrengen van voorvoegingsrenten te bespoedigen.21 Later in het wetgevingsproces is daaraan toegevoegd dat de antimisbruikbepaling in de fiscale-eenheidscontext niet is beperkt tot rechtshandelingen tussen maatschappijen die deel uitmaken van de fiscale eenheid.22 Vertaald naar de onderhavige standaardvoorwaarde behorende bij een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing rijst de vraag of de staatssecretaris vergelijkbaar oneigenlijk gebruik op het oog heeft. Opnieuw zwijgt de toelichting, maar mocht dat het geval zijn, dan moet dus (in ieder geval) worden gedacht aan een verschuiving van vermogensbestanddelen tussen de diverse ondernemingen die als gevolg van de zuivere splitsing in de verkrijgende rechtspersoon zijn verenigd. Dit voltrekt zich binnen één lichaam. Van een overdracht in civielrechtelijke zin is dan ook geen sprake. Dat ligt anders bij een overdracht van een vermogensbestanddeel tussen lichamen die deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid. Dit onderscheid tussen een zuivere splitsing en een fiscale eenheid is voor mij dan ook de (voornaamste) reden dat ik bij de bespreking van de standaardvoorwaarde over de verliesverrekening over het splitsingstijdstip heen het standpunt inneem dat verschuivingen van vermogen tussen de in de verkrijger verenigde ondernemingen na een zuivere splitsing niet relevant zijn voor de winstsplitsing.23 Het lijkt erop dat de staatssecretaris hier (in ieder geval) in de context van de antimisbruikbepaling van standaardvoorwaarde 6, lid 4 anders over denkt.
De in standaardvoorwaarde 6, lid 4 gebruikte terminologie ‘in overwegende mate’ is niet toegelicht, maar deze frase komt ook voor in de antimisbruikbepaling van art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969. Eerder in dit onderzoek is al besproken dat het in die context ‘beslissend’ betekent.24 Het is meer dan aannemelijk dat in de context van standaardvoorwaarde 6, lid 4 van dezelfde betekenis moet worden uitgegaan. De antimisbruikbepaling komt dan in beeld wanneer het creëren van de voortwentelingsruimte beslissend is geweest voor de rechtshandeling. De bewijslast of hiervan sprake is, ligt primair bij de inspecteur, maar deze wordt hierin tegemoetgekomen met een bewijsvermoeden. Als een rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, wordt deze geacht in overwegende mate te zijn gericht op het verruimen van de mogelijkheid om voorsplitsingsrenten in aftrek te brengen. In de toelichting op de vergelijkbare antimisbruikbepaling in het fiscale-eenheidsregime is opgemerkt dat een herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de fiscale eenheid voorbeelden zijn van zakelijke overwegingen.25 Dit zal mutatis mutandis gelden in de context van standaardvoorwaarde 6.
Afsluitende opmerkingen
Het uitgebreide commentaar hiervóór staat in schril contrast met de summiere toelichting van de staatssecretaris. Bovendien zijn tal van onduidelijkheden gesignaleerd. Gelet op de fiscaaltechnische toets dient standaardvoorwaarde 6 te worden verduidelijkt, bij voorkeur met behulp van sprekende (cijfer)voorbeelden.