Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/11.4.1
11.4.1 De VOF als klager
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS384643:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
De aandeelhouder kan wel opkomen tegen inbreuken op rechten die verbonden zijn aan zijn aandelen, bijvoorbeeld ingeval van onrechtmatige intrekking of verwatering van aandelen. Een aandeel zelf is namelijk ook een eigendomsrecht in de zin van art. 1 EP. Zie bijv. ECRM 11 december 1986, 11189/84 (Company S. en T./Zweden); EHRM 25 juli 2002, 48553/99, punt 92 (Sovtransavto Holding/Oekraine).
EHRM 24 oktober 1995, 14807/89, punt 65 (Agrotexim e.a./Griekenland(1)). Dit is onder andere in het Nederlandse recht het geval, zie HR 2 december 1994, NJ 1995/288 (Poot/ABP). Zie over de Poot/ABP-leer in het licht van art. 1 EP: Van Apeldoorn 2009.
EHRM 18 december 2008, 69917/01, punt 85 (Saccoccia/Oostenrijk).
Emberland 2006, p. 68.
De bescherming van eigendom wordt geregeld in artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP). Het eerste lid van dit artikel luidt als volgt:
‘Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.’
Bij lezing van dit artikellid valt direct op dat alleen natuurlijke en rechtspersonen genoemd worden. Dat een rechtspersoon als eigenaar van goederen kan klagen over inbreuken op zijn eigendomsrechten, is logisch. Dat de aandeelhouder, die geen eigenaar is van de vennootschappelijke goederen, dit niet kan, is ook niet verwonderlijk.1 De Commissie had in Agrotexim e.a./Griekenland nog geoordeeld dat er sprake is van een directe inbreuk op de rechten van aandeelhouders onder art. 1 EP als de schending van eigendomsrechten van de vennootschap heeft geresulteerd in een waardevermindering van de aandelen, maar het EHRM dacht hier bepaald anders over. De visie van de Commissie brengt namelijk het risico met zich dat a) moeilijkheden worden gecreëerd bij de vaststelling van wie gerechtigd is om te klagen in het geval er tegenstrijdige belangen zijn tussen aandeelhouders en vertegenwoordigers van de vennootschap en b) problemen ontstaan met betrekking tot de eis van uitputting van nationale rechtsmiddelen, omdat de meeste rechtssystemen aan aandeelhouders niet het recht toekennen om een schadevergoedingsactie in te stellen.2 Dit eerste risico in het bijzonder kan zich ook bij de VOF verwezenlijken. Een vennoot van een VOF is, anders dan de aandeelhouder van een rechtspersoon, weliswaar (mogelijk) mede-eigenaar van de vennootschappelijke goederen, maar dit neemt niet weg dat de vennootschappelijke gemeenschap een gebonden gemeenschap vormt. De goederen zijn, met andere woorden, ondergeschikt aan het vennootschappelijke doel. Het belang van een individuele vennoot bij een klacht kan dan ook tegengesteld zijn aan het belang van de (bestuurders van de) vennootschap. Dit vormt dan ook een argument voor de stelling dat de VOF als zodanig kan opkomen bij het EHRM onder art. 1 EP tegen inbreuken op vennootschappelijke goederen.
Een tweede uitspraak die in dit kader van belang is, is de uitspraak van het EHRM in de zaak Saccoccia/Oostenrijk.3 Het United States District Court for the District of Rhode Island had in een witwaszaak de Oostenrijkse rechtbanken verzocht om activa van de beschuldigde in beslag te nemen. De activa bevonden zich in kluizen in Wenen die waren gehuurd door de beschuldigde. De beschuldigde beriep zich op art. 1 EP, waarna partijen twistten over de vraag of de beschuldigde wel de eigenaar was van de activa en dus bescherming kon ontlenen aan art. 1 EP. Het EHRM oordeelde dat art. 1 EP spreekt van possessions (bezittingen, wat iets anders is dan ‘eigendom’ in de Nederlandse vertaling), een term met een autonome betekenis en
‘it is not disputed that the applicant had rented the safe in which the assetswere found. Nor is it disputed that the Rhode Island District Court’s finalforfeiture order was directed against him. Without the confiscation and theexecution of the final forfeiture order by the Austrian courts, he would havebeen able to dispose of the cash amounts, the bank account and the bearerbonds deposited in the safe (…). Therefore, the measures complained ofamounted to an interference with his right to peaceful enjoyment of hispossessions’.
Het is dus niet doorslaggevend wie eigenaar is van de goederen in kwestie, maar wie er feitelijk de heerschappij over heeft. In personenvennootschapsrechtelijke verhoudingen zijn het niet de afzonderlijke vennoten in privé die over hun gemeenschappelijke eigendom kunnen beschikken, maar de (besturende) vennoten (of besturende derden) namens de vennootschap (in de zin van de gezamenlijke vennoten). Juridisch gezien beschikken dus weliswaar de afzonderlijke vennoten gezamenlijk over de goederen (zij zijn bijvoorbeeld partij bij een notariële akte in verband met de levering van een onroerend goed), maar feitelijk beheerst de VOF de goederen (en zijn de afzonderlijke vennoten beschikkingsonbevoegd). Dit is een tweede belangrijk argument voor de stelling dat de VOF zelf op grond van art. 1 EP kan opkomen tegen inbreuken op de vennootschappelijke goederen.
Een derde en met het voorgaande sterk samenhangend argument voor de stelling dat de VOF zelf op grond van art. 1 EP kan ageren, is het beginsel van effectieve interpretatie. Emberland past dit beginsel toe op de situatie dat de effectieve bescherming van aandeelhouders beperkingen of hinder ondervindt omdat het concept ‘rechtspersoonlijkheid’ aan bescherming van hun belangen in de weg staat. De zogenoemde rechtspersonenrechtelijke sluier, de corporateveil, zou in een dergelijk geval opgetild moeten kunnen worden.4 Ditzelfde principe van effectieve interpretatie kan worden toegepast bij de VOF. De rechten van de gezamenlijke vennoten worden mogelijk onvoldoende beschermd als niet de VOF, maar slechts de afzonderlijke vennoten als klagers worden toegelaten door het EHRM. Er dient zich dan een scala aan problemen aan: mag iedere deelgenoot alleen voor zijn aandeel opkomen; moeten alle vennoten het verzoek tot bescherming doen; heeft een uitspraak alleen betrekking op het aandeel in het goed van de klager of op het gehele goed; komt een toegekende schadevergoeding alleen toe aan de klager of aan alle deelgenoten? Om tot een effectieve bescherming te komen, zal het EHRM dus een corporate veil moeten creëren tussen de VOF en haar afzonderlijke vennoten.
Ik concludeer op grond van het voorgaande dat de VOF als zodanig kan opkomen bij het EHRM wegens schending van art. 1 EP. Betekent dit dan dat de weg naar het EHRM voor de afzonderlijke vennoten geheel is afgesloten? In het geval van een rechtspersoon kijkt het EHRM onder bijzondere omstandigheden door de rechtspersoonlijkheid, dus door de scheiding van rechtspersoon en betrokkenen, heen. Ik ga in het vervolg van deze paragraaf na of er omstandigheden zijn waaronder de vennoten in privé náást of in plaats van de VOF kunnen klagen.