Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.8.1:6.3.8.1 Wettelijke omschrijving
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.8.1
6.3.8.1 Wettelijke omschrijving
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611423:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 6.3 Wet IB 2001 voorziet alleen in de aftrekbaarheid van afkoopsommen voor alimentatie aan de ex-echtgenoot. Op basis van art. 2 lid 6 AWR geldt dit ook voor betalingen aan een voormalige geregistreerde partner. Vergelijkbare afkoopsommen die worden betaald aan een ex-partner met wie de belastingplichtige ongehuwd heeft samengewoond, komen echter niet in aanmerking voor aftrek. In dit verband heeft A-G Niessen in zijn conclusie van 1 april 2008, nr. 41 537, V-N 2008/22.12, geconcludeerd dat dit effect onder de Wet IB 1964 niet in strijd moet worden geacht met het gelijkheidsbeginsel. In de jaren tot en met 2000 was er volgens hem sprake van een ontwikkeling in de wetgeving waarbij de fiscale regels voor gehuwden en die voor ongehuwd samenwonenden gelijk werden getrokken, waardoor het in die periode niet aan de rechter was om daarin in te grijpen. Voor de Wet IB 2001 acht de A-G echter geen reden aanwezig om gehuwden en ongehuwden ongelijk te behandelen ten aanzien van de afkoopsom voor een onderhoudsverplichting.
De hiervoor beschreven afwijkende fiscale behandeling van kinderalimentatie vloeit voort uit art. 6.4 lid 1 Wet IB 2001. Ingevolge deze bepaling worden onderhoudsverplichtingen betaald aan ‘bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn’ en ‘personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige’ niet tot de periodieke uitkeringen en verstrekkingen gerekend. Dit betreft ‘eigen’ kinderen, adoptiekinderen, erkende kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen en kleinkinderen van de belastingplichtige, maar ook neven en nichten.
Anders dan in art. 6.4 Wet IB 2001, wordt in de parallelbepaling van art. 3.101 lid 1 onderdeel b en art. 6.3 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001 alleen gesproken over uit het familierecht voortvloeiende onderhoudsverplichtingen aan ‘bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn’. Op basis van de wettekst zou de bepaling daarom niet gelden voor familierechtelijke uitkeringen aan ‘personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige’. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat ook in die situatie geen aftrekrecht bestaat voor de betalende partij. De wetgever achtte het echter niet nodig om dit uitdrukkelijk te bepalen.1
Overigens worden ten aanzien van de uitkeringen op basis van een wettelijke of dringende morele onderhoudsverplichting in art. 6.3 lid 1 onderdeel e en f jo. art. 6.4 Wet IB 2001 en art. 3.101 lid 1 onderdeel c Wet IB 2001 wel beide verbondenheidsbegrippen gebruikt.
In vergelijking tot de in de paragrafen 6.3.3 en 6.3.5 genoemde begrippen valt nog op dat in art. 3.6 en 3.46 Wet IB 2001 alleen de ‘bloed- of aanverwanten in de rechte lijn’ als gelieerd worden beschouwd. Voor de toepassing van art. 3.101, 6.3 en 6.4 Wet IB 2001 gaat het ook om ‘bloed- of aanverwanten in de tweede graad van de zijlijn’, dus om neven en nichten van de belastingplichtige.
Overigens is de term ‘personen die behoren tot het huishouden van de belastingplichtige’ ook gehanteerd in art. 3.6 en 3.46 Wet IB 2001.