Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/6.4:6.4 VERDERE TOEPASSING VAN DE DOEL-MIDDEL BENADERING IN DE NEDERLANDSE RECHTSPRAAK
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/6.4
6.4 VERDERE TOEPASSING VAN DE DOEL-MIDDEL BENADERING IN DE NEDERLANDSE RECHTSPRAAK
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620289:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Aben 2014, p. 103.
Schalken 2013, p. 1391.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voorgaande kort samenvattend kan worden gesteld dat met de doelmiddel benadering bij uitstek kan worden voldaan aan de drie belangrijkste eisen aan de Nederlandse rechtspraak over vormfouten, te weten evenredigheid, consistentie en begrijpelijkheid. Een consequente toepassing van deze benadering waarin de rechtsgevolgen die de zittingsrechter als reactie op een vormfout in het voorbereidend onderzoek kan toepassen worden beschouwd als middelen waarmee bepaalde, in de rechtspraak te expliciteren, doeleinden kunnen worden gediend en waarvan de toepassing afhankelijk is van een eveneens in de rechtspraak (ook door de feitenrechter) geëxpliciteerde afweging van de voor- en nadelen van die toepassing:
biedt de ruimte om rekening te houden met juridische en maatschappelijke veranderingen die nodig is om adequaat en evenredig te kunnen reageren op vormfouten en kan, zonder dat de rechtspraak rigide wordt, voorkomen dat de uitkomst in soortgelijke zaken uiteenloopt;
biedt duidelijkheid over de aard en omvang van de taak van de zittingsrechter, hetgeen (a) structuur geeft aan en de efficiëntie bevordert van het proces van onderzoeken, beslissen en motiveren op een overtuigende wijze, omdat vooropstaat waarom de controle van de zittingsrechter zich al dan niet uitstrekt over bepaalde aspecten van het voorbereidend onderzoek en waarom een bepaalde reactie al dan niet wordt toegepast en (b) een taakverdeling mogelijk maakt met actoren buiten het proces ter terechtzitting wat betreft het dienen van de doeleinden van het controleren en reageren op vormfouten; en
stimuleert aandacht voor het daadwerkelijke nut en de noodzaak van reacties op vormfouten en biedt een goede basis voor zinvol (empirisch) wetenschappelijk onderzoek en voor vruchtbaar debat over de taakvervulling door de zittingsrechter en anderen en over de veranderingen die daarin mogelijk noodzakelijk zijn teneinde de inhoudelijke doeleinden van het reageren en controleren op vormfouten op een effectieve en efficiënte wijze te bereiken zonder onnodig zware inbreuk op andere bij het strafproces betrokken belangen.
De doel-middel benadering past naadloos in het systeem van art. 359a Sv. Zij schemert in sommige eerdere arresten van de Hoge Raad al door en is in twee arresten van 19 februari 2013 over bewijsuitsluiting omarmd.1 In die arresten, zo schreef Schalken, ‘gebeurt wat de Hoge Raad bij de interpretatie van art. 359a Sv nog nooit heeft gedaan’. Hij ‘koppelt een van de belangrijkste sancties – de bewijsuitsluiting – aan de doelstelling ervan’.2 Deze benadering zal nu op de rest van het leerstuk van het reageren op vormfouten moeten worden toegepast, dat wil zeggen op de overige mogelijke reacties en op de juridische wegen ter bepaling van de aard en de omvang van de door de strafrechter uit te oefenen controle op het voorbereidend onderzoek. Daaraan beoogt dit onderzoek een bijdrage te leveren door in de komende hoofdstukken in detail te bezien hoe de Hoge Raad in zijn huidige rechtspraak heeft vormgegeven aan de taakuitoefening door de zittingsrechter en door te analyseren in welke opzichten deze rechtspraak beter zou kunnen voldoen aan de daaraan te stellen eisen door deze scherper in de sleutel van de doel-middel benadering te zetten.
Bij deze analyse is onderscheid gemaakt tussen de rechtspraak waarin de omvang van de door de strafrechter op het voorbereidend onderzoek uit te oefenen controle is vormgegeven – die in hoofdstuk 7 wordt behandeld – en de rechtspraak waarin het toepassingsbereik van de verschillende mogelijke reacties is afgebakend – die het onderwerp vormt van hoofdstuk 8.
Sinds de invoering van art. 359a Sv heeft de rechtspraak zich in hoofdzaak gekanaliseerd langs de in die bepaling getrokken lijnen. Art. 359a Sv en de op die bepaling geënte rechtspraak heeft in deze hoofdstukken daarom een centrale rol. In het standaardarrest over deze bepaling uit 20043 heeft de Hoge Raad in hoofdlijnen verduidelijkt op welke aspecten van het voorbereidend onderzoek de door de zittingsrechter uit te oefenen controle betrekking moet hebben en zijn de maatstaven voor de toepassing van de verschillende mogelijke reacties op een rij gezet. Dat arrest zal in de verschillende paragrafen van dit hoofdstuk veelal als vertrekpunt van de analyse kunnen fungeren.
In beide hoofdstukken wordt geanalyseerd welke doeleinden de strafrechter volgens de huidige rechtspraak met welke middelen geacht wordt te dienen en wordt geprobeerd licht te werpen op de afweging van voor- en nadelen die daaraan ten grondslag ligt. Bij de analyse van de bestaande rechtspraak staan de volgende vragen centraal, die voortvloeien uit de aan de rechtspraak te stellen eisen: Zijn de doeleinden van het controleren en reageren op vormfouten voldoende in de rechtspraak van de Hoge Raad geëxpliciteerd? Worden deze doeleinden op een effectieve en efficiënte manier bereikt, zonder onevenredige inbreuk op de daarbij betrokken belangen? Laat het rechterlijk beoordelingskader voldoende ruimte en geeft het voldoende richting om in concrete gevallen tot een passende reactie op een vormfout te komen? Laat de motivering van rechterlijke uitspraken te wensen over?
Op grond van de antwoorden op deze vragen kunnen – tegen de achtergrond van de bevindingen in de voorafgaande hoofdstukken en de in dit hoofdstuk voorgestelde benadering – in hoofdstuk 9 conclusies worden getrokken over de punten waarop verbetering en verduidelijking van de rechtspraak mogelijk is en hoe deze concreet vorm zou kunnen krijgen.