Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.3:2.3 De samenloop van de godsdienstvrijheid (artikel 9 EVRM) met het discriminatieverbod (artikel 14 EVRM)
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.3
2.3 De samenloop van de godsdienstvrijheid (artikel 9 EVRM) met het discriminatieverbod (artikel 14 EVRM)
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS451589:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Gerards 2015.
EHRM 9 december 2010, nr. 7798/08, (Savez Crkava ‘Riječ Života e.a. v Kroatië), par. 56-58.
EHRM 9 december 2010, nr. 7798/08 (Savez Crkava ‘Riječ Života e.a. v Kroatië), par. 57.
Vanden Heede 2015. Deze wijze van grondrechtenbescherming wordt ook wel de ‘vastklikbenadering’ genoemd. Zie hierover ook 2.2.11.
Gerards, NJCM-Bulletin 2004/2, p. 192.
EHRM 9 december 2010, nr. 7798/08 (Savez Crkava ‘Riječ Života’ e.a. v Kroatië), par. 57.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 14 EVRM en artikel 1 Grondwet zijn rechten met, onder andere, een religieus object, namelijk het recht op bescherming tegen discriminatie vanwege godsdienst. De term godsdienst is in deze bepalingen als discriminatiegrond opgenomen. Er is geen reden om aan te nemen dat de betekenis van deze discriminatiegrond afwijkt van de betekenis van de term godsdienst in artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet. Discriminatie vanwege godsdienst kan ook plaatsvinden in het toekennen van godsdienstvrijheid door de staat of een particulier(e) (instantie) aan een burger. In dat kader is er geen sprake van een overlap tussen de godsdienstvrijheid en het gelijkheidsbeginsel maar van een aanvulling. Het gelijkheidsbeginsel concurreert niet met de godsdienstvrijheid maar vult deze aan. Omdat in de jurisprudentie van artikel 14 EVRM is bepaald dat artikel 14 EVRM (in tegenstelling tot artikel 1 Grondwet) geen zelfstandig recht is maar alleen toepassing kan hebben in samenloop met een ander recht, is in de jurisprudentie van het EHRM het uitgangspunt ontwikkeld dat voor de toepassing van artikel 14 EVRM in samenloop met een ander grondrecht niet de reikwijdte (‘scope’) van dat grondrecht doorslaggevend is maar de omvang (‘ambit’).1 De betekenis van de term ‘ambit’ is nog niet geheel uitgekristalliseerd in de jurisprudentie, maar duidelijk is wel dat het ziet op een feitencomplex dat ruimer is dan de conventionele reikwijdte van het betreffende grondrecht.2
Een voorbeeld in het kader van artikel 9 EVRM is de zaak Savez Crkava ‘Riječ Života’ e.a. v Kroatië.3 Het betrof een protestantse geloofsgemeenschap die klaagde dat zij, anders dan de overige geloofsgemeenschappen, bepaalde taken niet mocht uitvoeren, zoals het verstrekken van godsdienstonderwijs in openbare scholen of het afsluiten van erkende huwelijken. Het EHRM overwoog:
‘(…) the right to manifest religion in teaching guaranteed by Article 9 § 1 of the Convention does not, in the Court’s view, go so far as to entail an obligation on States to allow religious education in public schools or nurseries. Nevertheless, the Court considers that celebration of a religious marriage, which amounts to observance of a religious rite, and teaching of a religion both represent manifestations of religion within the meaning of Article 9 § 1 of the Convention.’4
Het EHRM stelt verder dat aangezien de Kroatische staat het recht op bovengenoemde geloofsmanifestaties vrijwillig aan de overige in het land aanwezige geloofsgemeenschappen heeft toegekend, ze daardoor binnen de wijdere werkingssfeer (‘ambit’) van artikel 9 EVRM vallen en artikel 14 EVRM bijgevolg toepasselijk is. Doordat de Kroatische staat het verschil in behandeling tussen de verzoekers en de andere geloofsgemeenschappen niet kon rechtvaardigen, was artikel 14 EVRM, gelezen in samenloop met artikel 9 EVRM, geschonden.5
De samenloop van artikel 9 EVRM en artikel 14 EVRM kan dus tot een breder toepassingsbereik van artikel 9 EVRM leiden. Dat bredere toepassingsbereik heeft ook consequenties voor de vraag wat in het concrete geval telt als godsdienstig. De reden hiervoor is dat het EHRM in het kader van artikel 14 EVRM in zijn beoordeling of sprake is van ongelijke behandeling teruggrijpt op een recht met een religieus object dat een ander rechtssubject (of rechtssubjecten) wel heeft (of hebben) gekregen en de klagende partij niet. Dit betekent in concreto een uitbreiding van het begrip godsdienst. Het EHRM kwalificeert dan immers uitingen en gedragingen als religieus die het zonder een op beroep artikel 14 EVRM niet onder de reikwijdte van artikel 9 EVRM zou brengen. In abstracto is er echter geen uitbreiding van het begrip godsdienst aangezien de aangeklaagde staat het religieuze object van een dergelijk recht al als zodanig heeft gekwalificeerd. Het EHRM kijkt namelijk of de specifieke godsdienstuitoefening van de klagende partij overeenstemt met de categorie uitingen en gedragingen die de staat eerder als religieus heeft gekwalificeerd. Anders gezegd, het EHRM kijkt dan of sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.6 In de onderhavige zaak had Kroatië het religieuze onderwijs en het afsluiten van huwelijken in het kader van andere religieuze denominaties al gekwalificeerd als godsdienstig. Met andere woorden, de categorie uitingen en gedragingen die op grond van artikel 14 EVRM als religieus worden gekwalificeerd zijn reeds in het kader van de rechten van een ander of andere rechtssubject(en) al als religieus gekwalificeerd. Vanuit die context overweegt het EHRM daarom:
‘(…) that celebration of a religious marriage, which amounts to observance of a religious rite, and teaching of a religion both represent manifestations of religion within the meaning of Article 9 § 1 of the Convention’.7
Tot slot valt op te merken dat de samenloop van artikel 9 EVRM met artikel 14 EVRM qua uitwerking een sterke gelijkenis kan vertonen met de in 2.2.11 besproken ‘vastklikmethode’. In feite zien we in de zaak Kimlya en in de zaak Savez Crkava ‘Riječ Života’ dat beide ‘mechanismen’ erin resulteren dat uitingen en gedragingen om twee redenen als religieus worden gekwalificeerd: 1) omdat de overheid eerder heeft toegegeven dat het betreffende rechtssubject als natuurlijk- of als rechtspersoon (de klagende partij) religieus (van aard) is, en 2) omdat ze eerder soortgelijke uitingen en gedragingen van aanhangers van andere religies als religieus heeft gekwalificeerd. Beide mechanismen zorgen ervoor dat het godsdienstbegrip in concreto wordt uitgebreid maar niet in abstracto.