Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/9.3.2
9.3.2 Ratio
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS400625:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
9 januari 1974, BT-Drs. 7/1470, blz. 347. Daar wordt door de wetgever opgemerkt: “Die Bedeutung des Instituts der körperschaftsteuerlichen Organschaft reicht jedoch über die Beseitigung der steuerlichen Doppelbelastung hinaus. Sie beinhaltet darüber hinaus den Verlustausgleich zwischen den an der Organschaft beteiligten Unternehmen, eine Folge, die dem Anrechnungsverfahren nicht wesensimmanent ist. Die Bundesregierung ist daher der Auffassung — und sie folgt darin der Ansicht der Steuerreformkommission (vgl. Tz. IV/229) —, daß die körperschaftsteuerliche Organschaft als Bestandteil unseres Konzernsteuerrechts auch nach der Einführung des Anrechnungsverfahrens unentbehrlich ist.”
Vergelijk ook A.J. van Soest, De regeling van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, FED, 1983, blz. 27. Zie ook G.J. van Leijenhorst, Dochtermaatschappij en vaste inrichting, een juist onderscheid?, WFR 1978/321, waarin Van Leijenhorst aangeeft dat de Duitse regeling op een omvangrijk theoretisch fundament is geplaatst, namelijk de orgaantheorie. Van Leijenhorst wijst er ook op dat er meerdere varianten op de orgaantheorie bestaan, welke varianten door Jurkat (W. Jurkat, Die Organschaft im Körperschaftstuerrecht 1975, blz. 53) zijn onderverdeeld in de eenheids-of filialentheorie en de theorieën die vasthouden aan de subjectieve belastingplicht van het orgaan en de Bilanzierungstheoriede.
Vergelijk ook J. Verburg, De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, Belastingconsulentendag’77, nr. 22, FED, 1977, blz. 37.
N. Herzig, Organschaft 2003, blz. 4. Deze einheits- of filialtheorie geldt overigens wel (en nog steeds) in de btw.
Zie onder andere Bundesfinanzhof, 3 maart 2010 – I R 68/09, DStR 2010, 858. Het Bundesfinanzhof oordeelt daar dat sprake is van een “strikten oder prinzipiellen Steuersubjektprinzip”.
Desens in Hermann/Heuer/Raupach, Einf. KSt, Anm.110 en J.Böhmer, Das Trennungsprinzip im Körperschaftsteuerrecht – Grundsatz ohne Zukunft? StuW 1/2012, blz. 36.
Schmidt/Müller/Stöcker, Die Organschaft, NWB, 4e Auflage, Rn. 7.
K. Karsten, Die körperschaftsteuerliche Organschaft, DStR 1993, blz. 893.
Montag in Tipke/Lang, Steuerrecht Tipke/Lang22, Steuerrecht, §14, Rz. 1.
J. Verburg, vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2000, paragraaf 15.2.
De economische benadering is volgens Offermanns gebaseerd op eigendomscontrole, operationele en economische verbondenheid of integratie tussen de groepsmaatschappijen. R. Offermanns, Een vergelijking van de fiscale eenheidsregimes binnen Europa en hun verenigbaarheid met het EU-recht, TFO 2016/146.2, paragraaf 2.
J. Verburg, De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, Belastingconsulentendag’77, nr. 22, FED, 1977, blz. 9.
Vergelijk N.Herzig, Organschaft 2003, blz. 3.
Zoals uit het historisch overzicht blijkt, is in Duitsland reeds aan het begin van de 19e eeuw voor de eerste keer door de rechter geoordeeld dat belastingheffing op niveau van een groep vennootschappen moest plaatsvinden. Daar waar het oorspronkelijke doel van de Pruisische rechtspraak rondom belastingheffing van een groep belastingplichtigen het voorkomen van misbruik was, is dat door latere rechtspraak omgebogen naar het voorkomen van dubbele belasting binnen concern in het toen geldende klassieke systeem. Dit laatste argument verviel overigens deels toen in 1977 het systeem van volledige integratie (Vollanrechnungsverfahren) werd ingevoerd. Voor de wetgever was dit echter geen aanleiding om het Organschaftregime aan te passen of af te schaffen.1
In de loop der tijd zijn verschillende theorieën ontwikkeld inzake de subjectieve en objectieve belastingplicht van concernmaatschappijen. Deze theorieën, die deels al in het historische overzicht genoemd zijn, zijn (i) de Angestelltentheorie, waarbij de dochtermaatschappij als een “werknemer’’ wordt gezien als deze in opdracht en voor rekening van de moedermaatschappij (Organträger) optreedt, (ii) de Bilanzierungstheorie, waarbij de resultaten die door de dochtermaatschappij aan de moedermaatschappij ter beschikking worden gesteld bij de moedermaatschappij belast worden en voor de dochtermaatschappij aftrekbare kosten vormen, (iii) de Zurechnungstheorie, waarbij het inkomen van de dochtermaatschappij wordt gesplitst in een deel dat aan de moedermaatschappij wordt toegerekend en een deel dat bij de dochtermaatschappij zelf wordt belast (iv) de Organschaftstheorie, waarbij het gehele inkomen van de dochtermaatschappij, nadat dit inkomen afzonderlijk is bepaald, aan de moedermaatschappij wordt uitgekeerd of door de moedermaatschappij wordt aangezuiverd en (v) de Einheitstheorie, waarbij de dochtermaatschappij zowel haar subjectieve als objectieve belastingplicht verliest.2 Van de huidige regeling wordt aangenomen dat zij uitgaat van de toerekeningsleer (Zurechnungstheorie) zoals deze ontwikkeld is door de rechter, die vervolgens is overgegaan op de Organschaftstheorie.3 Herzig geeft aan dat meningen uit de literatuur van vóór de Tweede Wereldoorlog die pleitten voor een einheits- of filialtheoretische invalshoek, waarbij de dochtermaatschappij zowel haar subjectieve als objectieve belastingplicht verliest (vergelijkbaar met de Nederlandse opgaan-in-gedachte), zich niet konden doorzetten in de rechtspraak van die tijd.4
Bij het Organschaftregime wordt (bij fictie) een uitzondering gemaakt op de hoofdregel dat ieder lichaam juridisch gezien zelfstandig vennootschapsbelastingplichtig is.5 Desens en Böhmer spreken over het opheffen van het in hoofdstuk 3.3.4 besproken Trennungsprinzip.6 Aangenomen wordt dat het leerstuk van de Organschaft steunt op de gedachte dat er sprake kan zijn van een zekere relatie tussen vennootschappen, waarbij de ene vennootschap afhankelijk is van de andere en vanuit economisch oogpunt als onzelfstandig kan worden aangemerkt (zoals bij een natuurlijk persoon die een dienstverband kan aangaan met de werkgever).7 Met andere woorden, het kunnen vormen van een Organschaft en de fiscale uitwerking hiervan heeft als ratio om bij de belastingheffing met de economische eenheid (van verschillende vennootschappen) rekening te houden.8 Montag geeft aan dat de Organschaftleer teleologisch geen systematische inbreuk op het fiscale systeem betekent, omdat het rechtsvormneutraal probeert aan te sluiten bij de draagkracht van een economische eenheid.9 Verburg beschrijft de orgaantheorie als de economische afhankelijkheid van de economische onzelfstandige dochtermaatschappij die als consequentie heeft dat de dochtermaatschappij als willoos werktuig, als orgaan van de moedermaatschappij wordt aangemerkt. Gevolg hiervan is dat de economische realiteit boven de juridische verhoudingen prevaleert en het concern als zodanig erkenning vindt.10
In de huidige regeling wordt de leer ingevuld door de voorwaarde te stellen dat er sprake moet zijn van financiële integratie. Dan wordt geacht sprake te zijn van een economische eenheid.11 Er is sprake van financiële integratie indien de moedermaatschappij ten minste een meerderheid van de stemrechten in de dochtermaatschappij bezit.
Het Organschaftregime is van begin af aan zowel een fiscale als civiel juridische aangelegenheid geweest. Een Organschaft komt alleen tot stand als er een civielrechtelijke overeenkomst (Gewinnabführungsvertrag) is afgesloten. De rechtspersoonlijkheid en winstberekening op het niveau van de dochtermaatschappij blijft volledig in stand. Verburg wijst er op dat het Duitse fiscale concernrecht sterk verweven is met het civiele recht en dat dit te verklaren is uit het feit dat het Organschaftregime model heeft gestaan bij de ontwikkeling van de civielrechtelijke vormgeving van het Duitse concernbegrip.12
In Duitsland bestaat er niet zoiets als een (gesloten) systeem voor belastingheffing van concerns. Er bestaan verschillende fiscale wettelijke regelingen die op concerns van toepassing zijn, maar wat betreft ratio, voorwaarden en uitwerking van elkaar verschillen.13