Het EVRM en het materiële omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.4.1:4.2.4.1 Inleiding
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.4.1
4.2.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS442563:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie het in paragraaf 3.2.7.1 aangehaalde citaat en de overige daar genoemde rechtspraak.
Zie EHRM 30 november 2004, Öneryildiz/Turkije, r.o. 135-136 (zaaknr. 48939/99) en EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko e.a./Rusland, r.o. 214-217 (zaaknr. 17423/05). Zie over het oordeel in de zaak-Öneryildiz/Turkije ook EHRM 20 maart 2008, Budayeva e.a./Rusland, r.o. 173 (zaaknr. 15339/02).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragrafen is gebleken dat de overheid onder omstandigheden de positieve verplichting heeft om ter voorkoming van een toekomstige aantasting van de door artikel 2evrm, artikel 8evrm en/of artikel 1ep beschermde belangen concrete handelingen te verrichten. De vraag rijst nu onder welke omstandigheden voor de overheid een positieve verplichting ontstaat om concrete handelingen ter voorkoming van een toekomstige aantasting te verrichten en hoe ver die verplichting gaat. Deze vraag wordt in deze paragraaf beantwoord. Voordat tot de beantwoording ervan wordt overgegaan, is het van belang hier op te merken dat deze vraag tot op zekere hoogte ook reeds aan de orde is geweest in paragraaf 3.2.7. In die paragraaf is namelijk bezien of de begrenzingen van de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen ook gelden voor de positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen. Dat betekent dat een zekere herhaling op deze plaats onvermijdelijk is. Ik zal proberen herhaling zo veel mogelijk te beperken, maar tegelijkertijd ook trachten te voorkomen dat een teveel aan verwijzingen naar die paragraaf (paragraaf 3.2.7) afbreuk doet aan de leesbaarheid en begrijpelijkheid van deze paragraaf (paragraaf 4.2.4).
Ten aanzien van de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen heeft het ehrm overwogen dat zij uitgelegd moet worden op een manier die geen ‘onmogelijke of disproportionele last’ (‘impossible or disproportionate burden’) op de overheid legt. Deze algemene begrenzing van die positieve verplichting heeft het ehrm geconcretiseerd door te oordelen dat de overheid alleen concrete handelingen behoeft te verrichten die redelijk zijn en waartoe zij bevoegd is, indien sprake is van een reëel en onmiddellijk gevaar en de overheid dit gevaar kende of behoorde te kennen.1 Deze begrenzing bevat verschillende elementen. Ik zal deze elementen, net als in paragraaf 3.2.7, afzonderlijk bespreken.
Voordat ik aan een nadere bespreking van deze elementen toekom, is het van belang op te merken dat het ehrm op de genoemde begrenzing en haar elementen tot nog toe slechts expliciet heeft gewezen in het kader van artikel 2evrm en artikel 8evrm. Op deze begrenzing en haar elementen heeft het ehrm in het kader van artikel 1ep niet uitdrukkelijk de aandacht gevestigd. Uit het arrest-Öneryildiz/Turkije en het arrest-Kolyadenko e.a./Rusland valt evenwel af te leiden dat de uit artikel 1 ep voortvloeiende positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen van het eigendomsbelang dezelfde begrenzing kent. In die arresten oordeelde het ehrm immers dat de positieve verplichting onder artikel 1 ep vereiste dat de overheid ter voorkoming van de verwoesting dan wel beschadiging van de eigendommen van Öneryildiz en Kolyadenko e.a. dezelfde concrete handelingen had moeten verrichten als die zij onder artikel 2 evrm had moeten verrichten ter voorkoming van de aantasting van het recht op leven.2 Overigens valt ook niet in te zien waarom de door het ehrm onder artikel 2 evrm en artikel 8 evrm geformuleerde begrenzing en haar elementen niet zouden gelden voor de uit artikel 1 ep voortvloeiende positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten. Zij zijn immers, zoals ook uit die arresten blijkt, goed toepasbaar op die positieve verplichting onder artikel 1 ep.