De notaris en gelijk oversteken
Einde inhoudsopgave
De notaris en gelijk oversteken (AN nr. 184) 2024/6.3.2.2:6.3.2.2 Hoeveel tijd/geld kosten de recherches voor de medewerker/het kantoor?
De notaris en gelijk oversteken (AN nr. 184) 2024/6.3.2.2
6.3.2.2 Hoeveel tijd/geld kosten de recherches voor de medewerker/het kantoor?
Documentgegevens:
mr. T.J. Bos, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T.J. Bos
- JCDI
JCDI:ADS941748:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze kosten zijn in te zien via kadaster.nl, ‘Tarieven Kadaster 2022’. Per recherche (c.q. afschrift) bedragen deze kosten, indien het afschrift geautomatiseerd leverbaar is (hetgeen in de regel het geval is) enkele euro’s.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het idee bij deze vraag luidt dat het aantal minuten dat de recherches kosten voor de medewerker die ze uitvoert, vermenigvuldigd met het brutoloon per uur van de persoon die de recherches verricht (inclusief de overheadkosten van deze medewerker per uur), de kosten van de recherches voor het kantoor oplevert. De inzagekosten die het kadaster in rekening brengt bij het notariskantoor om de inzagen (in het kader van de verplichte recherches) aan het kantoor beschikbaar te stellen, worden hierbij buiten beschouwing gelaten, maar komen wél aan bod bij de vraag hoeveel de recherches kosten voor de partijen bij een transactie.1 Bij de vraag naar het aantal minuten dat de recherches voor de betreffende medewerker in beslag nemen, is een onderscheid gemaakt tussen de voor-, her-, en narecherche. Het aantal respondenten bij deze vragen luidt respectievelijk 55, 55 en 53. De voor-, her-, en narecherche kosten respectievelijk gemiddeld (afgerond op hele minuten) elf, acht en acht minuten. De gemiddelde tijd die één recherche in beslag neemt is (ook afgerond) negen minuten.
Een moeilijkheid bij het vragen naar het uurloon van degene die de recherches uitvoert betreft het gegeven dat de respondent niet altijd dezelfde persoon is als degene die de recherches verricht, en dat het ongemakkelijk kan zijn voor respondenten om te vragen naar de verdiensten van degene die de recherches doet. Teneinde dit probleem het hoofd te bieden, zijn de respondenten bij de vraag naar het brutoloon van degene die de recherches verricht niet gevraagd om een exact getal te noemen, maar hebben zij een keuze moeten maken uit de volgende ‘inkomensklasses’: (een brutoloon van) 10-20 euro, 20-40 euro, 40-60 euro, 60-80 euro, 80-100 euro, 100-120 euro, 120-140 euro, 140-160 euro en ten slotte méér dan 160 euro. Bovendien is de respondenten gevraagd om aan te geven of zij hun antwoord zeker weten, of dat het om een benadering gaat. Bij het berekenen van het gemiddelde brutoloon wordt uitgegaan van het bedrag dat het gemiddelde vormt van de gekozen inkomensklasse (dus respectievelijk 15 euro, 30 euro, 50 euro etc.). De antwoorden die een benadering vormen, tellen slechts voor de helft mee. Ook bij deze vraag bestond het voornemen om een onderscheid te maken tussen de voor-, her- en narecherche. Echter, om softwaretechnische redenen bleek het voor respondenten niet mogelijk bij de verschillende recherches twee of drie maal dezelfde inkomensklasse als antwoord te geven. Veel respondenten hebben daarom slechts één antwoord gegeven en bij hun antwoord aangegeven dat dit ook voor de andere recherchemomenten geldt. Indien wél twee of meer antwoorden zijn gegeven, is het gemiddelde van deze antwoorden genomen.
Het gemiddelde brutoloon van de persoon die de recherches verricht (van veertig respondenten), bedraagt (afgerond op hele euro’s) 55,32 euro. Uit de antwoorden van de respondenten die wél een onderscheid hebben gemaakt tussen de recherchemomenten blijkt bovendien dat, over het algemeen, het brutoloon bij de herrecherche hoger is dan bij de eerste inzage en dat het brutoloon bij de narecherche weer hoger is dan bij de herrecherche. Vanwege het reeds beschreven softwaretechnische probleem echter, heb ik ervoor gekozen om dit verschil niet getalsmatig tot uitdrukking te brengen; dit zou een mate van nauwkeurigheid impliceren die ik niet kan garanderen.
Het bedrag aan overheadkosten (per uur) bedraagt gemiddeld 30,27 euro (veertien respondenten). Dit brengt met zich dat de voorrecherche gemiddeld 15,59 euro kost voor notariskantoren in Nederland. De her- en narecherche kosten beide 11,41 euro. In totaal kosten de recherches bij de in paragraaf 2.1 geïntroduceerde casus gemiddeld 38,41 euro voor het kantoor dat de transactie begeleidt. Dit bedrag is, nogmaals, exclusief de vaste inzagekosten die het kadaster doorrekent aan notariskantoren (en die notariskantoren zullen doorrekenen aan partijen) voor het ter beschikking stellen van inzagen in het kader van de recherches (zie voetnoot 418)).