Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.2.1.3
5.2.1.3 Wijzen van verduidelijking
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715430:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat lijkt ook de insteek van de Hoge Raad te zijn (vgl. Kristen 2011, p. 325; Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 342).
Dat verklaart waarom het vanuit liberaal oogpunt ook problematisch is als de democratische wetgever er vrijwillig voor kiest de invulling van vage begrippen aan de rechter over te laten.
Pelser 1995, p. 258-259; Balkema 1991, par. 1. Het standpunt van het EHRM dat de rechter onduidelijke wetgeving mag verduidelijken zolang hij maar binnen de essentie van het strafbare feit blijft, is vanuit dit oogpunt tamelijk absurd, nu de noodzaak tot verduidelijking juist ontstond door de onduidelijkheid van dat strafbare feit, zodat het veelal ook onduidelijk zal zijn of een verduidelijking nog binnen de essentie van dat strafbare feit valt. Zie bijvoorbeeld: EHRM 22 november 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:1122JUD002019092 (C.R. v. Verenigd Koninkrijk), par. 34 en 41. Dat het lex certa-beginsel op Europees niveau ook jurisprudentie moet omvatten, is wel begrijpelijk, omdat anders de gehele common law in strijd met het EHRM zou zijn (De Jong & Knigge 2003, p. 37). Dat probleem speelt voor Nederland echter niet. Sterker nog, op grond van artikel 1 Sr zou goed kunnen worden volgehouden dat in Nederland de wet in formele zin zelf voldoende duidelijk moet zijn, los van eventuele verduidelijkende jurisprudentie (vgl. Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 345).
Glazebrook 1969, p. 36.
Zie ook: Westen 2007, p. 249-250.
Schünemann 1978, p. 33.
Nan 2011, p. 253; Borgers 2008, p. 195; Brouwer 1999, p. 206; Loth 1999, p. 220; Schünemann 1978, p. 34. Vgl. ook: Bakker 2021, p. 5; Ashworth & Zedner 2014, p. 106. Segers merkt over het oplossen van overinclusiviteit door middel van het vervolgingsbeleid van het OM terecht op dat met die logica ook alle strafuitsluitingsgronden kunnen worden geschrapt (Segers 1916, p. 420). Prospective overruling houdt in dat de rechter bij wijze van precedent een extensieve interpretatie geeft, maar die nog niet toepast op het voorliggende geval, vanwege de onvoorzienbaarheid van die interpretatie. Zie ook: Groenhuijsen 2003, p. 195-197.
Borgers 2008, p. 195; Schünemann 1978, p. 34. De wetgever kan het lex certa-beginsel dan bovendien naar believen schenden, zolang de rechterlijke macht zich maar volgzaam opstelt (Schünemann 1978, p. 33).
Nan 2011, p. 253.
Bix 3003, p. 290-291. Zie artikel 88 van de Grondwet.
Bix 2003, p. 290 en 292.
Binnen de liberale benadering van het lex certa-beginsel moet, zoals gezegd, de tekst van de wet duidelijk zijn en is verduidelijking door middel van bijvoorbeeld jurisprudentie problematisch.1 Verduidelijking door de rechter staat immers op gespannen voet met de idee dat de wet de macht van de rechter juist aan banden moet leggen.2 Bovendien moet met het oog op de voorzienbaarheid voorafgaand aan de gedraging voldoende duidelijk zijn wat wel en niet was toegestaan; verduidelijking achteraf maakt het voor de verdachte niet mogelijk om zijn gedrag op de wet af te stemmen.3 De bredere idee van het legaliteitsbeginsel, in het bijzonder het vereiste van voorafgaande wettelijke codificatie van strafwetgeving, komt met verduidelijking door middel van jurisprudentie bovendien op losse schroeven te staan.4 Het door de rechter achteraf verduidelijken van een wetsbepaling die in strijd is met het lex certa-beginsel komt in veel gevallen immers in wezen op hetzelfde neer als de invoering van wetgeving met terugwerkende kracht.5 Het legaliteitsbeginsel wordt ondermijnd als een schending van het lex certa-beginsel in die gevallen door rechterlijke interpretatie zou mogen worden verholpen.6
Een schending van het lex certa-beginsel kan in vergelijkbare zin ook niet worden verholpen door een terughoudend vervolgingsbeleid (of soepel sepotbeleid), door sneller een beroep op rechtsdwaling te accepteren, door een mogelijkheid van prospective overruling te introduceren, door strafvermindering te geven, artikel 9a toe te passen of de vage term restrictief te interpreteren.7 Op die manier gaat de vaagheid weliswaar niet ten koste van de vrijheid van de burger, maar dergelijke ‘oplossingen’ zijn in wezen slechts symptoombestrijding en pakken niet de kern van het probleem aan, doordat de burger voor de bescherming van zijn vrijheden afhankelijk blijft van de welwillendheid van staatsmachten.8 Vrijheid is in de liberale benadering echter geen gunst, maar een recht. Bovendien gaat het doorgaans slechts om compensatie achteraf, terwijl de burger juist vooraf moet weten waar hij aan toe is.9
Door de nadruk te leggen op de mogelijkheden die de burger moet hebben om de wet te leren kennen, wordt ook duidelijk waarom verduidelijking in parlementaire stukken, zoals de memorie van toelichting, minder goed in de liberale gedachtegang past. Parlementaire stukken zijn niet alleen minder eenvoudig vindbaar, maar bovenal geldt voor dergelijke stukken geen grondwettelijk bekendmakingsvereiste.10 Bovendien is het uiteindelijk de wettekst die door de wetgever wordt aangenomen en niet de memorie van toelichting.11