Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/3.3
3.3 Europese rechtsbeginselen
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Widdershoven, Verhoeven e.a., De Europese agenda van de Awb (2007), p. 38.
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 158159.
GvEA 7 november 2007, AB 2008/133.
HvJ EG 3 juli 2003, C-457/00.
Zie ook Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 246-247.
Zie nogmaals HvJ EG 3 juli 2003, C-457/00 en GvEA 7 november 2007, AB 2008/133.
Ook buiten het mededingingsrecht wordt het verdedigingsbeginsel erkend door het Hof van Justitie. Zie bijvoorbeeld HvJ EG 15 juni 2006, C-28/05 (Dokter) en 18 december 2008, C-349/07 (Sopropé).
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 239241. In gelijke zin Widdershoven, Verhoeven e.a., De Europese agenda van de Awb (2007), p. 80-81.
HvJ EG 16 juli 1992, C-67/91 (Spaanse Banken).
HvJ EG 18 oktober 1989, 374/87 (Orkem).
GvEA 20 februari 2001, T-112/98 (Mannesmannrbluen-Werke). Uit par. 79 van die uitspraak volgt dat bij schriftelijke vragen die er feitelijk toe strekken dat de betrokken onderneming de overtreding erkent moet worden aangegeven dat niet op die vragen hoeft te worden geantwoord.
HvJ EU 14 september 2010, AB 2011/59 (Akzo).
GvEA 4 april 1990, T-30/89 (Hilti).
HvJ EG 21 september 1989, 46/87 en 227/88 (Hoechst).
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 242245.
Widdershoven, Verhoeven e.a., De Europese agenda van de Awb (2007), p. 82. Zie daarover ook Verheij, 'Europees bestuursrecht: leve de rechtseenheid of weg met de eenheidsworst?', in: In eenheid. Over rechtseenheid en uniforme rechtstoepassing in het bestuursrecht (2007), p. 115.
HvJ EG 21 september 1983, 205-215/82 (Deutsche Milchkontor).
HvJ EG 20 september 1990, C-5/89 (BUG-Alutechnik).
HvJ EG 16 juli 1998, C-298/96 (Oelmilhle).
HvJ EG 13 maart 2008, AB 2008/207 (ESF), par. 53 en 60.
Anders Ortlep, 'Drie Nederlandse rechtsbeginselen in communautair perspectief: de EG-rechtelijke plicht tot terugvordering van communautaire steun', JBplus 2009/2, in het bijzonder p. 95-96.
Zie met betrekking tot de toepasselijkheid van het communautaire rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel in de nationale procedure inzake intrekking van een met het EG-recht strijdige bouwvergunning in vergelijkbare zin HvJ EG 4 mei 2006, C-508/03. Zie voorts ABRvS 24 december 2008, LJN BG8291.
HvJ EG 15 december 1982, 5/82 (Maizena).
CBb 23 april 2008, AB 2008/233 (Socopa International).
CBb 27 juni 2008, AB 2008/282 (De Groene Vlieg).
HR 13 november 2009, BNB 2010/10.
HvJ EG 16 december 1976, 33/76 (Rewe) en 13 januari 2004, AB 2004/58 (Kühne & Heitz).
HvJ EG 12 februari 2008, AB 2008/100 (Kempter). Zie voorts Rb Rotterdam 20 juni 2008, LJN BD5312 (Collectieve Garantieregeling).
HvJ EG 21 februari 1991, C-143 en C-92/89 (Zuckerfabrik Sderdithmarschen). Het betrof hier de oplegging van een extra heffing aan suikerproducenten met terugwerkende kracht in verband met ontwikkelingen op de suikermarkt. De producenten konden weten dat dat kosten voor de afzet van overschotten volledig door de sector moesten worden gefinancierd en zij hadden ook op de hoogte kunnen zijn van ontwerpen die de Europese Commissie had gepubliceerd, aldus het Hof.
GvEA 7 november 2007, AB 2008/133, par. 111.
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 163.
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 26 oktober 2006, C-248/04 (Cosun). Het Hof overwoog dat het feit dat voor een importeur uit een niet-lidstaat wel de kwijtscheldingsmogelijkheid bestond geen strijd met het gelijkheidsbeginsel oplevert, omdat deze situaties niet vergelijkbaar zijn.
HvJ EG 4 december 1986, 71/85 (FNV). Zie verder Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 176-177.
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 178179.
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 186. Zie voorts Gerards, 'Rechterlijke belangenafweging in het publiekrecht', RM Themis 2006/4, p. 148.
Gerards, 'Rechterlijke belangenafweging in het publiekrecht', RM Themis 2006/4, p. 151.
HvJ EG 11 juli 1989, 265/87 (Schdder). In gelijke zin HvJ EG 13 november 1990, C-331/88 (Fedesa).
HvJ EG 13 november 1990, C-331/88 (Fedesa).
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 204.
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 201202. Het betreft de volgende uitspraken: CBb 31 januari 1996, Rawb 1996/63 en 24 juli 1996, AB 1996/396.
CBb 27 juni 2008, AB 2008/282 (De Groene Vlieg).
Onder meer HvJ EG 21 september 1989, 68/88 (Griekse Maïs); 9 december 1997, C-265/95 (Spaanse Aardbeien) en 8 september 2005, C-40/04 (Yonemoto).
Zie over de implementatie van die richtlijn Stijnen, `Compliance en de poortwachterfunctie van trustkantoren' in: Compliance in het financieel toezichtrecht (Deventer, 2008).
Zie HvJ EG 29 juni 2006, C-289/04 P (Showa Denko) en CBb 7 juli 2010, AB 2010/235.
Op het Handvest kan uitsluitend een rechtstreeks beroep worden gedaan indien het bestreden besluit op of na 1 december 2009 is genomen, aldus ABRvS 1 december 2010, AB 2011/64.
HvJ EG 29 juni 2006, C-289/04 P (Showa Denko). Zie voorts HvJ EG 13 februari 1969, 14-68 (Walt Wilhelm); GvEA 9 juli 2003, T-224/00 (Archer) en 27 september 2006, T-322/01 (Roquette).
Lauwaars en Timmermans, Europees recht in kort bestek (2003), p. 40-43.
In communautaire context behelst het beginsel van Gemeenschaps- of Unietrouw niets anders dan het waarborgen dat het geldende Unierecht wordt toegepast. Het gaat dus om de gelding van het Unierecht en dus de rechtszekerheid.
Widdershoven c.s. merken in hun studie in het kader van de derde evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht op dat een bijzondere categorie van algemene rechtsbeginselen bestaat uit de grondrechten. Bij gebrek aan een bindende Europese grondrechten-catalogus worden in de EU de grondrechten namelijk beschermd onder de noemer van 'algemene rechtsbeginselen'. Zo noemen zij de volgende in de rechtspraak van het Hof van Justitie terugkerende grondrechten: de vrijheid van meningsuiting, de bescherming van het eigendom, het recht op toegang tot de rechter en een eerlijk proces en het recht op onschendbaarheid van de woning casu quo gezinsleven.1 Over die beginselen gaat deze paragraaf niet. Evenmin gaat deze paragraaf over de door het Hof van Justitie geformuleerde eisen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming opdat aan het Unierecht ontleende aanspraken kunnen worden verzilverd in de nationale procedure. Die laatste drie beginselen komen in de volgende paragraaf aan bod. Deze paragraaf gaat over de Europese pendant van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur alsmede het verdedigingsbeginsel. Met het oog op de beoordeling van het materiële straf- en bestuursrecht en de daarmee samenhangende procedurele waarborgen zal ik in vogelvlucht stil staan bij deze beginselen. Het gaat om de volgende beginselen: het motiveringsbeginsel, het verdedigingbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Deze beginselen zijn zowel van belang voor de toetsing door het Hof van Justitie in het kader van art. 263 VWEU als voor de beoordeling van het optreden van de lidstaten.2 Deze beginselen komen ook voor in het nationale recht, de zogenoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarop ik in het volgende hoofdstuk inga.
Hoewel het motiveringsbeginsel in Europese context niet als zodanig lijkt te worden benoemd, wordt groot belang gehecht aan de motivering van besluiten. Zo vereist art. 296 VWEU dat rechtshandelingen van de onderscheiden instellingen met redenen worden omkleed en naar de adviezen verwijzen die krachtens het verdrag worden gevraagd. De motiveringsplicht die op de Europese Commissie rust speelt temeer een grote rol in een geval waarin de Commissie een ruime beoordelingsruimte heeft en de toetsing door de Unierechter beperkt is.3 Indien de Commissie meent dat sprake is van een inbreuk op het Unierecht, zal zij dat moeten motiveren.4 Dit motiveringsbeginsel is van belang, omdat het ten eerste de wederpartij de mogelijkheid biedt zich te verweren (het verdedigingsbeginsel), het ten tweede de Unierechter in staat stelt de rechtmatigheid van regelgeving en besluiten te toetsen, hetgeen te meer speelt waar de Commissie beoordelingsruimte heeft, en het ten derde de lidstaten en andere derdebelanghebbenden in staat stelt na te gaan op welke wijze de instelling het Unierecht toepast.5 Wellicht wordt om die redenen ambtshalve getoetst of voldaan is aan het motiveringsvereiste.6
Jans c.s. betogen dat het verdedigingsbeginsel vooral is uitgewerkt in rechtspraak van Hof inzake het mededingingsrecht.7 Zij leiden uit de jurisprudentie de volgende deelaspecten van het verdedigingsbeginsel af:8
het recht om het eigen standpunt kenbaar te maken (dit recht geld ook voor derde-belanghebbende en dit recht geldt temeer indien discretionaire bevoegdheden in geding zijn);
het recht om inlichtingen te ontvangen en inzage in de stukken (zo zal de Commissie de betrokken onderneming moeten informeren dat zij een onderzoek naar een overtreding heeft ingesteld: de zogenoemde punten bezwaar, waarop de onderneming moet kunnen reageren);
het recht om geheimhouding van concurrentiegevoelige en bedrijfsvertrouwelijke informatie (dit leidt vaak tot het weglakken van bepaalde gegevens uit het dossier voordat het ter inzage wordt gelegd);
het recht op geheimhouding van verschafte informatie buiten of na de procedure (de Commissie mag de verkregen inlichtingen niet doorspelen aan de nationale autoriteiten9);
het verbod van zelfincriminatie (een onderneming mag niet worden verplicht om antwoord te geven waardoor deze het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht moet erkennen, terwijl de Commissie dit juist moet bewijzen alvorens het een sanctie kan opleggen.10 Dit laat onverlet dat de Commissie documenten mag opvragen en inlichtingen over feitelijke gegevens mag vragen11);
het recht op vertrouwelijkheid tussen de cliënt en zijn advocaat (dit zogenoemde legal privilege is niet onbeperkt. Het moet gaan om een onafhankelijke advocaat, dus geen eigen bedrijfsjurist of een interne advocaat,12 en het moet gaan om briefwisseling die heeft plaatsgevonden in het kader van de verdediging van de cliënt. Ook vallen bedrijfsdocumenten die een verslaglegging of samenvatting van het advies van de advocaat bevatten onder dit legal privilege13);
het recht op rechtsbijstand (bij sanctieoplegging bestaat reeds in de voorprocedure het recht op juridische bijstand14);
voldoende tijd om de verdediging voor te bereiden.
In het Nederlandse bestuursrecht is, buiten de bestuurlijke boete, minder aandacht voor het verdedigingsbeginsel zo betogen Jans c.s. Zo vreemd is dit niet; ook in Europese context gaat het vooral om boetes in het kader van het mededingingsrecht.
Buiten het Nederlandse mededingingsrecht wordt de verankering van het verdedigingsbeginsel volgens hen vooral gerelateerd aan art. 6 EVRM en niet aan het communautaire recht.15 Verder kan worden betoogd dat het verdedigingsbeginsel in het Nederlandse bestuursrecht vooral via het in art. 3:2 Awb gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel en in de bepalingen omtrent de hoorplicht voorafgaande aan de besluitvorming vorm krijgt.16
Het Hof van Justitie erkent dat het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel deel uitmaken van de communautaire rechtsorde. Zo overwoog het in de zaak Deutsche Milchkontor:
`30 (...) moet vooreerst erop worden gewezen dat de beginselen van de bescherming van het gewettigd vertrouwen en van de rechtszekerheid deel uitmaken van de communautaire rechtsorde. Derhalve kan geen strijdigheid met deze rechtsorde worden aangenomen indien een nationale regeling het gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid beschermt op een gebied als de terugvordering van onverschuldigd betaalde communautaire steun. Uit een onderzoek van de nationale regelingen van de lid-staten betreffende de intrekking van bestuurshandelingen en de terugvordering van door de overheid ten onrechte toegekende financiele prestaties, blijkt overigens dat het streven om het beginsel van de rechtmatigheid van bestuur in enigerlei vorm in evenwicht te brengen met de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen, gemeen is aan de rechtsstelsels van alle lid-staten.'17
In de zaak BUG-Alutechnik overwoog het Hof echter dat een lidstaat wiens instanties een steun in strijd met art. 93 EG (oud) hebben toegekend, zich niet op het gewettigd vertrouwen van de ontvangers van de steun kan beroepen om zich te onttrekken aan zijn verplichting, de nodige maatregelen te treffen voor de uitvoering van een beschikking waarbij de commissie hem gelast de steun terug te vorderen.18 Wat is nu het verschil? In Deutsche Milchkontor zag de terugvordering op communautaire steun, terwijl het in de zaak BUG-Alutechnik terugvordering van staatsteun betrof. Daar bij communautaire steun concurrentievoordeel ontbreekt zal in die zaken een beroep op de rechtszekerheid en op opgewekt vertrouwen meer slaagkans hebben. Zo overwoog het Hof in de zaak Oelmilhle dat de in het kader van art. 93 EG (oud) gegeven beoordeling niet kan worden getransponeerd naar de terugvordering van onverschuldigd betaalde communautaire steun. Beide situaties kunnen immers niet met elkaar worden vergeleken, zo vervolgt het Hof, want bij de communautaire steun op het gebied van het gemeenschappelijke landbouwbeleid ontbreekt het aan de nationale ondernemingen verschafte concurrentievoordeel, dat kenmerkend is voor staatssteun.19 In de ESFzaken die zagen op communautaire steun oordeelde het Hof echter meer recent:
`Zoals echter in punt 40 van het onderhavige arrest is uiteengezet, schept artikel 23, lid 1, van verordening nr. 4253/88 een verplichting voor de lidstaten om, zonder dat een bevoegdheidsattributie naar nationaal recht noodzakelijk is, als gevolg van misbruik of nalatigheid verloren middelen te recupereren. Hieruit volgt dat aan het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel toepassing moet worden gegeven overeenkomstig de regels van het gemeenschapsrecht. (...). De terugvordering van als gevolg van misbruik of nalatigheid verloren middelen moet geschieden op de voet van artikel 23, lid 1, van verordening nr. 4253/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2082/93, en volgens de modaliteiten van het nationale recht, vooropgesteld dat de toepassing van dit recht geen afbreuk doet aan de toepassing en de werkzaamheid van het gemeenschapsrecht en niet tot gevolg heeft dat de terugvordering van de op onregelmatige wijze toegekende gelden nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt. Het staat aan de nationale rechter om de toepassing van het gemeenschapsrecht ten volle te verzekeren door indien nodig nationale bepalingen zoals de Algemene wet bestuursrecht die hieraan in de weg staan, buiten toepassing te laten of uit te leggen. De nationale rechter kan de gemeenschapsrechtelijke beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen toepassen bij de beoordeling van het gedrag van zowel de begunstigde van de verloren middelen als de betrokken bestuursorganen, vooropgesteld dat met het belang van de Gemeenschap ten volle rekening wordt gehouden. Het feit dat de begunstigde van de gelden een publiekrechtelijke rechtspersoon is, is daarbij irrelevant.'20
Volgens annotator Den Ouden moet uit dit ESF-arrest worden afgeleid dat het Hof bij de terugvordering van structuurfondssubsidies niet langer uitgaat van wat wij in Nederland de indirecte toepassing van Gemeenschapsrecht noemen. De Europese terugvorderingsverplichting van art. 23 van verordening 4253/88 moet aldus direct worden toegepast.21 Het is Europees recht dat de nationale terugvorderingsprocedure dwingend regelt en dat slechts opzij kan worden gezet met een beroep op het Europese vertrouwensbeginsel.22
In een zaak die de terugvordering van landbouwsubsidie betrof verwierp het College van Beroep voor het bedrijfsleven het beroep op het vertrouwensbeginsel dat was gestoeld op de stelling dat mocht worden vertrouwd op afgegeven certificaten die waren afgegeven door de Belgische veterinaire autoriteiten op de grond dat een contra legem-toepassing van rechtsbeginselen door het Hof — gelet op de Maizena-uitspraak23 — niet toelaatbaar wordt geacht, ook niet wanneer de Europese Commissie heeft nagelaten de noodzakelijk stappen te nemen om die lidstaat tot een correcte toepassing van de Gemeenschapsregeling te bewegen. Het College zag evenmin aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen omdat naar zijn oordeel betrokkene zelf tekort was geschoten door niet zelf te controleren of de runderen niet uit Engeland afkomstig waren.24 Voorts kan worden gewezen op een uitspraak van het College waarin het oordeelde dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit weliswaar terecht heeft geconcludeerd dat de overdracht in Nederland van officiële fytosanitaire taken, zoals het uitvoeren van fytosanitaire controles op de plaats van productie, aan commercieel opererende laboratoria strijdig is met het communautaire recht en om die reden ongedaan dient te worden gemaakt, maar dat bij het treffen van compensatie onder meer rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat appellante weliswaar van de door de minister gemaakte fout voordeel heeft genoten nu zij gedurende jaren in strijd met het in richtlijn 2000/29/EG bepaalde werkzaamheden heeft kunnen verrichten, doch dat zij te goeder trouw is geweest en dat zij bovendien op grond van diezelfde fout van de minister tevens investeringen in bijvoorbeeld personeel en apparatuur heeft gedaan en langlopende verplichtingen is aangegaan, waartoe zij zonder die (gecontinueerde) fout niet zou zijn overgegaan.25 Ten slotte kan worden gewezen op de overweging van de Hoge Raad dat de vraag of, en zo ja in welke mate een belastingplichtige in verband met het eerder gewekte vertrouwen een overgangstermijn moet worden gegund, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval en dat daarbij met betrekking tot een nationale belasting als de accijns aan communautaire bepalingen op het gebied van de tariefindeling van goederen geen betekenis toekomt. In deze zaken is dus wel ruimte voor toepassing van nationale rechtsbeginselen.26
In de zojuist besproken jurisprudentie, waarin het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel in één adem werden genoemd, ging het toch vooral om het vertrouwensbeginsel. De rechtszekerheid komt vooral om de hoek kijken bij de aanvraag-en beroepstermijnen, de wijze van bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften en de vraag of een regeling met terugwerkende kracht kan worden ingevoerd. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie draagt het feit dat een besluit van een bestuursorgaan definitief wordt na het verstrijken van redelijke beroepstermijnen of na uitputting van alle rechtsmiddelen, bij tot de rechtszekerheid.27 Voor aan-vraagtermijnen geldt hetzelfde.28 Ten aanzien van de bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten hanteert het Hof de hoofdregel dat een regel niet in werking mag treden voordat die bekend is gemaakt. Uitzonderingen zijn echter mogelijk, mits het te bereiken doel dit vereist en het vertrouwen van de burger er niet door wordt beschaamd. In dat verband worden overigens wel hoge eisen gesteld aan de marktdeelnemers, niet alleen wat de kennis van het relevante recht betreft, maar ook wat betreft de marktontwikkelingen.29 Een dergelijke terugwerkende kracht is niet mogelijk ter zake van strafbepalingen, zo bleek hiervoor. In dit verband wijs ik nog op een uitspraak van het Gerecht waarin onder meer het volgende wordt overwogen ter zake van door de Europese Commissie vastgestelde richtsnoeren uit hoofde van art. 9 lid 1 van richtlijn 2003/87/EG (richtlijn broeikasgasemissiehandel):
`In dit verband dient te worden herinnerd aan de rechtspraak dat de betrokken instelling, door dergelijke regels voor bestuurlijk gedrag die externe gevolgen beogen, vast te stellen en via de publicatie ervan te doen weten dat zij die voortaan zal toepassen op de desbetreffende gevallen, de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid beperkt. Zij kan van die regels niet afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen als het beginsel van gelijke behandeling, het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Het is dus niet uitgesloten dat dergelijke gedragsregels met een algemene strekking onder bepaalde voorwaarden en naargelang van hun inhoud rechtsgevolgen kunnen sorteren, en dat met name de administratie in een concreet geval daarvan niet mag afwijken zonder opgaaf van redenen die verenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling (...), mits een dergelijke benadering niet in strijd is met andere, hogere regels van gemeenschapsrecht. Meer in het bijzonder op de gebieden van de landbouw, de volksgezondheid en het milieu, heeft het Gerecht erkend dat de gemeenschapsinstellingen zichzelf voor de uitoefening van hun beoordelingsbevoegdheden gedragsregels kunnen stellen door middel van niet in artikel 249 EG voorziene handelingen, met name mededelingen, voor zover deze handelingen gedragsregels bevatten inzake de door hen te volgen praktijk en niet derogeren aan de normen van het Verdrag (…).’30
Het gelijkheidsbeginsel is in algemene zin gecodificeerd in art. 18 VWEU:
`Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, regelingen treffen met het oog op het verbod van bedoelde discriminaties.'
De voorloper hiervan (art. 12 EG) was destijds opgenomen als één van de hoekstenen van de economische integratie. Art. 18 VWEU vormt derhalve niet alleen een algemeen rechtsbeginsel, maar is ook een fundament van de gemeenschappelijke markt. Deze bepaling geldt alleen voor zover geen bijzondere bepalingen met vergelijkbaar effect van toepassing zijn, waarvan er vele zijn, zodat het een vangnetfunctie vervult. Het algemene gelijkheidsbeginsel vervult op zijn beurt weer een vangnetfunctie als er geen geschreven bepaling voorhanden is, terwijl het beginsel ook als maatstaf dient bij de interpretatie van de geschreven discriminatieverboden.31 In geval van beroep op het gelijkheidsbeginsel zal eerst beoordeeld moeten worden of sprake is van gelijke gevallen. Indien dat het geval is komt men toe aan de toets of de ongelijke behandeling al dan niet gerechtvaardigd is. Dit onderscheid is niet altijd scherp; de vergelijkbaarheidstoets en de rechtvaardigingstoets kunnen door elkaar lopen. Te denken valt aan het oordeel dat sprake is van ongelijke behandeling van ongelijke gevallen.32 Met betrekking tot de discriminatieverboden moet onderscheid worden gemaakt tussen direct en indirecte discriminatie. Bij directe discriminatie is het verschil in behandeling direct terug te voeren op het gebruik van een verboden criterium. Bij indirecte discriminatie wordt niet een verboden criterium gehanteerd, maar heeft de gekozen maatstaf wel hetzelfde effect. Bij directe discriminatie worden er hogere eisen gesteld aan rechtvaardigingsgronden. Een rechtvaardigingsgrond zal dan in beginsel moeten worden gevonden in het geschreven recht. Als voorbeeld kan worden gewezen op art. 45 lid 4 VWEU waaruit volgt dat het discriminatieverbod op grond van nationaliteit niet van toepassing is op betrekkingen in overheidsdienst. Voorts kan worden gewezen op het derde lid van dat artikel dat gerechtvaardigde beperkingen ter zake van het recht van vrije vestiging mogelijk acht uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid. Telkens zal in geval van discriminatie degene die zich beroept op een uitzonderingsgrond de bewijslast dragen. Indien een schending van het gelijkheidsbeginsel wordt geconstateerd zal de achtergestelde groep aanspraak hebben op toepassing van dezelfde regel als de bevoordeelde groep.33 Jans c.s. stellen dat de Nederlandse rechter eerder rechtvaardigingsgronden lijkt te accepteren dan het Hof.34
Het evenredigheidsbeginsel kent twee verschillende verschijningvormen in Europese context. Enerzijds is er het in art. 5 VEU en het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid — neergelegde subsidiariteitsbeginsel.35Dit beginsel houdt in dat de Unie buiten die gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen slechts optreedt indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt. Het gaat bij het subsidiariteitsbeginsel aldus om de mate waarin de Europese Unie de nationale rechtsorde dient te respecteren. Anderzijds wordt in Europese wetgeving en jurisprudentie ook het evenredigheidsbeginsel erkent als algemeen rechtsbeginsel, vergelijkbaar met het nationale evenredigheidsbeginsel als neergelegd in art. 3:4 lid 2 Awb. Zo bevat art. 52 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een meer op de individuele vrijheden toegespitste evenredigheidsnorm, terwijl art. 49 lid 3 van het Handvest bepaalt dat de zwaarte van de straf niet onevenredig mag zijn aan het strafbare feit. Het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel lijkt in Europese context inhoudelijk zelfs meer handen en voeten te hebben dan in de Nederlandse context, omdat door het Hof voller naar de effectiviteit van het middel wordt gekeken en ook eventuele alternatieven worden afgewogen.36 Zo overwoog het Hof in de zaak Schrder dat maatregelen waarbij deelnemers aan het economisch verkeer financiële lasten worden opgelegd volgens het evenredigheidsbeginsel slechts rechtmatig zijn wanneer zij geschikt en noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd en dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, terwijl de op te leggen lasten voorts niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel.37 Het lijkt er op dat hier de terughoudende Nederlandse evenredigheidstoets als sluitpost fungeert na een wat vollere proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. Hierbij moet wel worden bedacht dat het Hof bij de beoordeling of het middel geschikt is soms zwaar steunt op het oordeel van de communautaire instellingen.38 Betoogd zou kunnen worden dat de evenredigheidstoetsing in de Nederlandse context slechts de vollere communautaire benadering evenaart waar het gaat om bestraffende sancties. De vollere evenredigheidstoets is in die gevallen echter niet terug te voeren op het communautaire recht, maar op art. 6 EVRM.39 Wel noemen Jans c.s. instemmend enkele uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin het volledig ontzeggen van een aanspraak op Europese subsidie enkel vanwege het door de burger niet in acht nemen van enkele administratieve formaliteiten, zonder dat een herstelmogelijkheid was geboden, in strijd kwam met art. 3:4 lid 2 Awb 'en het daarmee corresponderende communautaire evenredigheidsbeginsel' 40 Ook kon de intrekking van een met het communautaire recht strijdige aanwijzing (die vergelijkbaar is met een vergunning) volgens het College onder omstandigheden niet in redelijkheid plaatshebben zonder een ruime overgangstermijn en nadeelcompensatie. In een voorkomend geval werd geen melding gemaakt van een wettelijke grondslag van deze evenredigheidstoets.41
Waar het gaat om handhaving van het Unierecht wordt door het Hof van Justitie de eis gesteld dat sancties in dit verband (of die nu wel of niet strafrechtelijk van aard zijn) even zwaar zijn als die welke gelden voor vergelijkbare, even ernstige overtredingen van het nationale recht, en in ieder geval doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.42 Deze laatste drie eisen volgen ook uit de richtlijnen zelf. Zo volgt bijvoorbeeld uit art. 39 lid 2 van de derde witwasrichtlijn 2005/60/EG dat de lidstaten — onverlet de mogelijkheid strafrechtelijk op te treden — erop toezien dat overeenkomstig hun nationale wetgeving passende administratieve maatregelen of administratieve sancties kunnen worden opgelegd aan kredietinstellingen en financiële instellingen voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen en dat de lidstaten erop toezien dat deze maatregelen of sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.43 Met deze eisen wordt vooral gedoeld op de ondergrens van sancties en niet de bovengrens. Zo spelen in mededingingszaken vooral afschrikking en voordeelontneming een rol. De Commissie en de NMa wordt dan ook veel ruimte gelaten binnen het wettelijk maximum boeterichtsnoeren vast te stellen en toe te passen.44Het is dan ook niet verbazingwekkend dat in de Nederlandse context buiten het mededingingsrecht de vollere evenredigheidstoets bij bestraffende sancties niet is terug te voeren op het Unierecht, maar op art. 6 EVRM. Niettemin kan het evenredigheidsbeginsel zoals vastgelegd in art. 49 lid 3 van het Handvest nopen tot strafmatiging.45 Er zijn echter, naast art. 49 lid 3 van het Handvest, ook andere verschijningsvormen van het evenredigheidsbeginsel die kunnen nopen tot een strafmatiging. Waar het Uniestrafrecht wel voorziet in een codificatie van het ne bis in idem-beginsel, namelijk in art. 54 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst, is daar in de toepasselijke richtlijnen niet in voorzien voor bestuurlijke sancties. In mededingingszaken kwam de vraag naar de toelaatbaarheid van dubbele bestraffing aan bod, omdat het kartel reeds door de Amerikaanse autoriteiten was bestraft. Het Hof zag hierin geen beletsel voor het treffen van sancties door de Europese Commissie.46 Wel oordeelde het Hof dat uit een oogpunt van evenredigheid bij de hoogte van de boete rekening door de Commissie kan worden gehouden met de eerdere sancties, maar dat dit niet noodzakelijk is.
Wat zijn ten slotte de belangrijkste beginselen? Volgens Lauwaars en Timmermans47 zijn de drie voor de communautaire rechtsorde fundamentele rechtsbeginselen het subsidiariteitsbeginsel (art. 5 VEU), het beginsel van Gemeenschaps- of Unietrouw (art. 4 lid 3 VEU) en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit (art. 18 VWEU) zijn. Het gaat hier dus om specifieke verschijningsvormen van het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid48 en het gelijkheidsbeginsel. Met het oog op bestraffende sancties lijken in Europese context echter vooral het verdedigingsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel van groot belang.