Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/3.3.3.1
3.3.3.1 De VOF als overeenkomst
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS585720:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 juni 1990, NJ 1990/607(Gebr. Kruithof).
Art. 7A:1676 sub 1 slot BW. Zie 2.3.6.2.
Asser/Maeijer 5-V 1995/92 en 132. Voor mijn bezwaren tegen de door Maeijer in dit verband gehanteerde term ‘bestuursbevoegdheid’, zie 2.3.6.2.
Aldus bijvoorbeeld: Mathey-Bal 2016, p. 43.
Zie 2.2.5.2.
Zie 3.2.2.2 en 3.2.4.2.
In deze zin ook met betrekking tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid bij de openbare maatschap: Tervoort 2015d, nr. 6.2.2.1.
Art. 16 jo. art. 1 en 15 WvK jo. art. 7A:1683 BW.
Zie 2.3.7.1.
Ontwerp-Maeijer, art. 818 lid 1. Zie ook Mathey-Bal 2016, p. 209, 238 en 239, alsmede Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 24. Anders dan ik, geven het Ontwerp-Maeijer en de werkgroep-Van Olffen een wettelijk voortzettingsbeding voor stille én openbare vennootschappen.
Een belangrijk gevolg van de kwalificatie van een samenwerkingsverband als VOF betreft de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Iedere vennoot is bevoegd om in naam van de VOF te handelen, voor zover niet anders is overeengekomen (art. 17 WvK). Dit betreft de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid: het extern kunnen binden, ook voor zover dat intern niet steunt op een mogen binden. Een vennoot kan de VOF in beginsel binden, als de handeling dienstig kan zijn tot verwezenlijking van het doel van de VOF.1
Bij de maatschap kwam aan de orde dat, tenzij anders overeengekomen, de vennoten ieder voor zich bevoegd zijn om ‘de een voor den anderen, te beheren’, terwijl de overige vennoten een preventief vetorecht hebben.2 In het Wetboek van Koophandel staat geen afwijking van dit preventief vetorecht te lezen. Toch meent Maeijer dat het bij de VOF niet geldt. Hij leidt dit impliciet uit artikel 17 WvK af. Externe vertegenwoordigingsbevoegdheid brengt volgens Maeijer tevens interne beheersbevoegdheid mee.3 Hierover kan anders wordengedacht.4 De interne beheersbevoegdheid (het ‘mogen’) kan best beperkt zijn, zonder dat die beperking tevens geldt voor de toegekende macht tot externe vertegenwoordiging (het ‘kunnen’). Het argument van Maeijer is m.i. onvoldoende sterk om op dit punt af te wijken van de regel dat maatschapsbepalingen in beginsel ook voor de VOF gelden (art. 15 WvK). Het uitgangspunt van de ruime externe vertegenwoordigingingsbevoegdheid bij de VOF kan m.i. het beste worden begrepen vanuit de observatie, dat vennoten in een handelsvennootschap in het algemeen een ruimere implied en apparent authority hebben dan vennoten in een ander type vennootschap.5 Een grondslag voor het terzijde schuiven van de bepaling over het preventief vetorecht ligt daar niet in besloten. Bij de Franse SNC en de Duitse OHG geldt het preventief vetorecht bij wijze van regelend recht eveneens.6
Ook als de regel van artikel 17 WvK beperkt is tot het extern kunnen binden, zoals ik hier verdedig, houdt zij een afwijking in van de maatschapsregel. Bij de maatschap geldt immers het uitgangspunt dat een vennoot zijn medevennoten slechts kan vertegenwoordigen, indien hij daartoe volmacht heeft. De vraag of dit onderscheid gerechtvaardigd is, kan onbeantwoord blijven, want voor de praktijk maakt het niet veel uit. Wat de wettelijke hoofdregel ook is, de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennoten van een VOF zal blijken uit de inschrijving in het handelsregister.7 Zijn de vennoten beperkingen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid overeengekomen, dan is het wel van belang dat deze ook daadwerkelijk bij het handelsregister worden opgegeven.8
Ten aanzien van de onderlinge verhouding tussen vennoten zijn er verder geen wezenlijke verschillen tussen maatschap en VOF. Zo is bij de VOF net als bij de maatschap geen sprake van een wettelijk voortzettingsbeding, maar van de omgekeerde regel: het uittreden van een vennoot leidt tot algehele ontbinding van de vennootschap, tenzij anders overeengekomen.9 Voor de maatschap heb ik bepleit dat aan een wettelijk voortzettingsbeding geen behoefte bestaat.10 Voor de VOF denk ik daar anders over en volg ik het Ontwerp-Maeijer.11 Uit de wil van vennoten om lid te worden van een rechtssubject, i.c. de VOF, zou ik (impliciet) willen afleiden dat de vennoten het voortbestaan van dat rechtssubject los zien van het al dan niet voortbestaan van het lidmaatschap, tenzij anders overeen gekomen. Dit verdraagt zich niet goed met de bestaande wettelijke regel. In nieuwe wetgeving dient die daarom te vervallen en kan een wettelijk voortzettingsbeding daarvoor in de plaats worden gesteld. Ik zoek de grondslag voor een wettelijk voortzettingsbeding niet in wat de meeste vennoten doorgaans willen, maar in hetgeen volgens mij impliciet wordt overeengekomen, als niet anders wordt bedongen.