Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.4.6
6.4.6 Zelfstandig verpanden van de vorderingen op de moeder- en de 403-maatschappij
E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250445:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3:246 BW. De pandhouder kan alleen nakoming vordering als de verpanding van de vordering is meegedeeld aan de debiteur.
Dat de houder van een pandrecht op de vordering op de 403-maatschappij de 403-vordering kan innen, kan op twee manieren worden bewerkstelligd. Ten eerste is het mogelijk dat de pandhouder tevens een pandrecht krijgt op de 403-vordering (zoals bij de analoge toepassing van art. 6:142 BW ten aanzien van de 403-vordering, zie § 6.3.7.c). Daarnaast kan de inningsbevoegdheid voortvloeien uit de nauwe samenhang tussen de bevoegdheid om de vordering op de 403-maatschappij te innen en de bevoegdheid om de 403-vordering te innen (zoals bij de analoge toepassing van de bepalingen inzake borgtocht op de 403-aansprakelijkheid, zie § 6.3.7.d). Ik laat dit onderscheid hier verder rusten.
De houder van een pandrecht op de vordering van een crediteur op de 403-maatschappij heeft een direct belang om de jaarrekening van de 403-maatschappij te kunnen inzien. Hij kan (mede) aan de hand van deze jaarrekening schatten hoe groot het risico is dat de 403-maatschappij de vordering niet (volledig) zal voldoen als de pandhouder nakoming daarvan vordert.1 De pandhouder kan (mede) op basis van deze jaarrekening een beeld vormen van de zekerheid die zijn pandrecht biedt.
De crediteur wordt gecompenseerd voor het feit dat hij de jaarrekening van de 403-maatschappij niet kan inzien, doordat hij op grond van de 403-verklaring een aanvullende vordering heeft op de moedermaatschappij van wie hij de geconsolideerde jaarrekening wel kan inzien. Om ook de pandhouder te compenseren moet deze zich niet alleen kunnen verhalen op de vordering van de crediteur op de 403-maatschappij, maar ook op de 403-vordering op de moedermaatschappij. Volgens het door mij bepleite uitgangspunt voor compensatie moet een (inningsbevoegde) houder van een pandrecht op een vordering op een 403-maatschappij (ook) de 403-vordering te gelde kunnen maken.2
Dat de houder van een pandrecht op een vordering op de 403-maatschappij zich moet kunnen verhalen op de 403-vordering, brengt ook met zich dat laatstgenoemde vordering niet (zelfstandig) mag worden verpand. Indien de 403-vordering eerder aan een derde is verpand, kan de houder van het pandrecht op de vordering op de 403-maatschappij zich niet als eerste op de 403-vordering verhalen. Dit zou afdoen aan de compensatie voor deze pandhouder.