Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.3.2.3
8.3.2.3 Afwijkende splitsingsmethoden
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291111:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van art. 174 lid 2, onderdeel d Btw-richtlijn kunnen lidstaten de belastingplichtige toestaan of ertoe verplichten de aftrek toe te passen volgens de pro ratamethode voor alle goederen en diensten die zijn gebruikt voor alle daarin bedoelde handelingen. Dit betreft dus geen afwijkende splitsingsmethode, maar de mogelijkheid om belastingplichtigen toe te staan of te verplichten de pro ratamethode niet alleen toe te passen op goederen en diensten die zowel voor belaste als vrijgestelde handelingen worden gebruikt, maar ook op goederen en diensten die uitsluitend voor belaste of uitsluitend voor vrijgestelde handelingen worden gebruikt. Deze maatregel houdt dus in dat niet wordt gedifferentieerd naargelang het daadwerkelijke gebruik van de door de belastingplichtige afgenomen goederen of diensten. Op grond van art. 174 lid 2, onderdeel e Btw-richtlijn kunnen lidstaten bepalen dat als het niet-aftrekbare gedeelte van de btw onbeduidend is, hiermee geen rekening wordt gehouden. Wanneer de niet-aftrekbare btw onbeduidend is, wordt niet vermeldt. Ik laat deze vereenvoudigingsmaatregelen verder onbesproken.
K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2002, p. 273.
M.M.W.D. Merkx en J. Verbaan, ‘Het werkelijk gebruik ook werkelijk gebruiken (waarvoor het is bedoeld)’, WFR 2018/70, p. 489.
Bijlage A, punt 22 bij de Tweede Richtlijn.
R. de la Feria, ‘Partial-Exemption Policy in the United Kingdom’, International VAT Monitor March/April 2010, p. 120. De la Feria gebruikt het moeilijk te vertalen woord ‘fairness’. Ik meen dat de vertaling rechtvaardigheid in dit kader het beste weergeeft wat zij bedoelt. Zie ook: K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2002, p. 380.
Zie ook: Th. H. Nefkens, ‘Pro rata en werkelijk gebruik’, BtwBrief 2009/4 die stelt dat de pro ratamethode een ‘relatief simpele manier is om de mate van aftrek te bepalen’ en dat ‘de kracht van deze methode in de eenvoud zit’, maar dat het ‘een grove maatstaf is die in praktijk in strijd met het rechtsgevoel kan zijn’.
Lidstaten die de gebruikmethode geïmplementeerd hebben, schrijven veelal geen bepaald criterium of bepaalde criteria voor aan de hand waarvan het aftrekgerechtigde gebruik mag of moet worden bepaald, hetgeen de complexiteit van de gebruikmethode versterkt. Dat in Nederland de meeste procedures inzake de splitsingsregels betrekking hebben op de toepassing van gebruikmethode onderstreept dit (zie paragraaf 8.3.5). Zie ook: R. de la Feria, ‘Partial-Exemption Policy in the United Kingdom’, International VAT Monitor March/April 2010, p. 120 die melding maakt van een ‘flow of judidical decisions’ in de periode van 1995-2010 in het Verenigd Koninkrijk en P. Lasok, ‘European Union - The Right To Deduct for Partially Exempt Bodies’, International VAT Monitor September/October 2011, p. 338 die stelt dat het bepalen van het daadwerkelijke gebruik voor belaste en vrijgestelde handelingen ‘lastig en kostbaar kan zijn en ook kan leiden tot resultaten die niet eenduidig zijn en voor discussie vatbaar zijn’.
In soortgelijke zin: P. Lasok, ‘European Union - The Right To Deduct for Partially Exempt Bodies’, International VAT Monitor September/October 2011, p. 339.
In soortgelijke zin: P. Lasok, ‘European Union - The Right To Deduct for Partially Exempt Bodies’, International VAT Monitor September/October 2011, p. 339.
Op grond van art. 173 lid 2, onderdelen a tot en met c Btw-richtlijn en haar voorganger, art. 17 lid 5, laatste alinea Zesde Richtlijn, kunnen – het betreft dus een ‘kan-bepaling’ – de lidstaten de volgende splitsingsmethoden implementeren die afwijken van de pro ratamethode:
de belastingplichtige toestaan een aftrekbaar gedeelte te bepalen voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening, indien voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding wordt gevoerd (hierna: de facultatieve sectormethode);
de belastingplichtige verplichten voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening een aftrekbaar gedeelte te bepalen en voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding te voeren (hierna: de imperatieve sectormethode); en
de belastingplichtige toestaan of ertoe verplichten de aftrek toe te passen volgens het gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan (hierna: de facultatieve respectievelijk de imperatieve gebruikmethode).1
In de toelichting op art. 17 lid 5 Voorstel voor een zesde richtlijn is hierover het volgende opgemerkt:
“Niettemin bevat dit lid in de laatste alinea een nieuwe bepaling ten einde ongelijkheden in de toepassing van de belasting te vermijden. Deze ongelijkheden kunnen zowel ten nadele als ten voordele van de belastingplichtige werken, daar het forfaitaire karakter van de algemene pro rata tot een lagere of hogere aftrek kan leiden dan die welke uit het werkelijk gebruik zou voortvloeien. Te dieneinde hebben de Lid-Staten de bevoegdheid de belastingplichtige toe te staan of te verplichten bijzondere verhoudingsgetallen vast te stellen en de aftrek toe te passen naargelang de goederen en diensten of een gedeelte daarvan in feite vóór belaste bedrijfshandelingen worden gebezigd, voor zover de belastingplichtige dit gebruik aan de hand van een gescheiden gevoerde boekhouding kan aantonen.”
Zoals Braun naar mijn mening terecht heeft opgemerkt, is uit deze toelichting (en overigens ook uit de bewoordingen van art. 173 lid 2 Btw-richtlijn) af te leiden dat het bij de afwijkende splitsingsmethoden gaat om aanvullingen en niet om alternatieven van de pro ratamethode.2 De lidstaten kunnen dus naast de pro ratamethode de sectormethode of de gebruikmethode toestaan of verplichten teneinde de btw-aftrek nauwkeuriger te berekenen. Vanuit het oogpunt van de interneutraliteit is het onwenselijk dat art. 173 lid 2, onderdelen a tot en met c Btw-richtlijn een kan-bepaling is, aangezien de splitsingsregels hierdoor van lidstaat tot lidstaat kunnen verschillen. Op grond van de Nederlandse taalversie van art. 174 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn houdt de gebruikmethode in dat de aftrek mag of moet worden toegepast volgens ‘het gebruik van goederen of een deel daarvan’. De toelichting van de Europese Commissie laat zien dat hiermee bedoeld is dat de aftrek mag of moet worden toegepast volgens het gebruik van alle goederen of diensten of een gedeelte van de goederen of diensten en niet dat de aftrek (ook) mag of moet worden toegepast op een deel van een bepaald (onroerend) goed of een bepaalde dienst. Die uitleg is ook in overeenstemming met de Duitse, Franse, Engelse en Italiaanse taalversie van art. 174 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn.3
Onder vigeur van de Tweede Richtlijn kon de belastingdienst de belastingplichtige toestaan om de btw te splitsen op basis van de sectormethode.4 Uit art. 174, aanhef en onderdeel a Btw-richtlijn en haar voorganger, art. 17 lid 5, laatste alinea Zesde Richtlijn, volgt dat de toepassing van de facultatieve sectormethode sinds de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn niet langer is gekoppeld aan de toestemming van de belastingdienst. Het is de lidstaat die een maatregel kan treffen op grond waarvan het de belastingplichtige is toestaan de sectormethode toe te passen. Dit betekent dat de toepassing van de facultatieve sectormethode sinds de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn geen zaak meer is van de uitvoerende macht, de belastingdienst, maar van de wetgevende macht. Dat geldt blijkens de aanhef van art. 174 lid 2 Btw-richtlijn eveneens voor de imperatieve sectormethode en de gebruikmethode. Een splitsing op grond van een andere methode dan de pro ratamethode is op grond van art. 174 lid 2 Btw-richtlijn derhalve slechts toegestaan indien een lidstaat die afwijkende splitsingsmethode heeft geïmplementeerd in nationale wetgeving.
Zoals De la Feria terecht heeft opgemerkt, gaat het bij de verschillende splitsingsmethoden in feite om een compromis tussen eenvoud en rechtvaardigheid.5 Bij de pro ratamethode ligt de nadruk naar mijn mening meer op de eenvoud6, terwijl bij de afwijkende splitsingsmethoden de nadruk meer ligt op de rechtvaardigheid. Worden de verschillende splitsingsmethoden ingeschaald op hun eenvoud en rechtvaardigheid, dan zou naar mijn mening gezegd kunnen worden dat de pro ratamethode het meest eenvoudig is en het minst rechtvaardig en de gebruikmethode het meest rechtvaardig en het minst eenvoudig.7 De sectormethode houdt naar mijn mening het midden tussen deze splitsingsmethoden: zij is minder eenvoudig, maar rechtvaardiger dan de pro ratamethode en eenvoudiger, maar minder rechtvaardig dan de gebruikmethode. Zo beschouwd gaat het bij verschillende de splitsingsmethoden in feite om een compromis tussen het beginsel van rechtszekerheid enerzijds en het beginsel van fiscale neutraliteit en, zij het in mindere mate, het rechtskarakter van de btw anderzijds.8 De pro ratamethode is immers een eenvoudige methode, maar vanwege het forfaitaire karakter van deze splitsingsmethode kan het pro rata het daadwerkelijke gebruik voor belaste en vrijgestelde handelingen niet goed weerspiegelen. Dit kan resulteren in een lagere btw-aftrek (en dus een hogere btw-druk op de belastingplichtige) dan voortvloeit uit het daadwerkelijke gebruik voor belaste handelingen, hetgeen in strijd is met de inwendige neutraliteit. Die hogere btw-druk levert ook strijd op met de concurrentieneutraliteit indien de concurrent die uitsluitend belaste handelingen wel volledig ‘bevrijd’ wordt van de btw-druk op de goederen en diensten die hij gebruikt voor zijn belaste handelingen. De pro ratamethode kan ook resulteren in een hogere btw-aftrek (en dus een lagere btw-druk op de belastingplichtige) dan voortvloeit uit het daadwerkelijke gebruik, hetgeen strijd oplevert met het rechtskarakter van de btw indien daardoor vrijgestelde handelingen aan een eindverbruiker deels btw-vrij geconsumeerd worden. De sectormethode zit qua eenvoud en nauwkeurigheid tussen de pro ratamethode en de gebruikmethode. Deze splitsingsmethode zal vanwege haar minder ruwe forfaitaire berekening minder snel strijd opleveren met de fiscale neutraliteit en het rechtskarakter van de btw dan de pro ratamethode, maar vanwege haar forfaitaire karakter sneller strijd opleveren met het beginsel van de fiscale neutraliteit en het rechtskarakter van de btw dan de gebruikmethode. Dit betekent dat het vanuit het oogpunt van de fiscale neutraliteit en het rechtskarakter van de btw de gebruikmethode naar mijn mening de meest wenselijke splitsingsmethode is9, de sectormethode de second best splitsingsmethode en de pro ratamethode de minst wenselijke splitsingsmethode.