Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/20.1:20.1 Inleiding
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/20.1
20.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS487233:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ingevolge het bepaalde in art. 5:62 bestaat mandeligheid krachtens de wet ingeval onder een vrijstaande muur, hek of heg de grens tussen twee (land)-percelen loopt. Dit betekent dat voorafgaand aan de conclusie dat er sprake is van mandeligheid, vaststelling van de grens moet plaatsvinden. Nadat de grens is komen vast te staan hebben de naburen het recht om van elkaar te vorderen dat meegewerkt zal worden aan de plaatsing van afpalingstekens. Ten slotte kan de erfgrens dienen tot afsluiting van de aan elkaar grenzende erven.
Het huidige Burgerlijk Wetboek spreekt in art. 5:46 over het plaatsen van afpalingstekens op een erfgrens. Art. 5:47 gaat over de vordering tot grensbepaling. Art. 5:48 handelt over de bevoegdheid tot afsluiting van een erf. In art. 5:49 ten slotte, wordt de verplichting tot medewerking aan de plaatsing van een scheidsmuur (lees in dit geval: een muur dienende tot afsluiting) op de erfgrens vastgelegd. Een bijzondere regeling is in het Burgerlijk Wetboek nog opgenomen met betrekking tot de grens tussen land en water (art. 5:2935). Deze regeling wordt hier niet besproken, zulks in verband met de aard van het bepaalde in art. 5:62.
Duidelijk moge zijn dat zich de navolgende situaties laten onderscheiden:
de grens staat niet vast. Er is geen afpaling dan wel de aanwezige afpaling blijkt onjuist nadat de grens is komen vast te staan;
de grens staat niet vast. De aanwezige afpaling blijkt, nadat de grens is komen vast te staan, juist;
de grens staat vast, maar is niet of onjuist afgepaald;
de grens staat vast en is juist afgepaald.
Vervolgens – het vloeit uit het vorenstaande voort – laten zich onderscheiden:
de vordering tot grensvaststelling (in de situaties onder a en b) en
de vordering tot het toelaten, mogen aanbrengen en bekostigen van grenstekens, waaronder eveneens begrepen de vordering tot herstel, onderhoud en vernieuwing van die tekens (in de situaties onder c en d).
Ten slotte hebben de eigenaren van naburige erven het recht om hun onroerende zaak van die van de buurman af te sluiten.
Achtereenvolgens worden behandeld, in de volgorde van de wet: afpaling (par. 20.2), grensbepaling (par. 20.3) en afsluiting (par. 20.4). Vervolgens zullen de wettelijke vermoedens ten aanzien van de aanwezigheid van een grens tussen landpercelen worden besproken (par. 20.5). Ik eindig met een conclusie.