Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.3.4
6.3.4 Certificaten en het kapitaalvereiste
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS599991:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hijmans van den Bergh (2006), p. 225; Kuijpers (2009), p. 420; Kuijpers (2011), p. 89.
OK 7 december 2010 (ro. 3.7-3.10), JOR 2011/45 (Corporate Express). De certificaathouder, en niet het administratiekantoor, is de verschaffer van het risicodragend kapitaal in de doelvennootschap. Om deze reden hebben certificaathouders ook het recht van enquête, zie Kamerstukken II 1967-1968, 9596, nr. 3, p. 5. Zie ook HR 6 juni 2003, NJ 2003/486 (Scheipar); HR 10 september 2010, NJ 2010/665; JOR 2010/337 (Butôt). Evenzo Van den Ingh (1991), p. 247 e.v.; Geerts (2004), p. 56.
Dit volgt ook uit OK 7 december 2010 (ro. 3.10), JOR 2011/45 (Corporate Express) waarin de OK concludeert dat de uitkoper ‘voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal in Certificaten verschafte’.
Een houder van bewilligde certificaten kan, zoals gezegd, gelet op de gelijkstelling in art. 2:359a lid 2 BW een procedure op grond van de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW starten. Het kapitaal- en stemrechtvereiste gelden vanzelfsprekend ook voor hem (zie voor het stemrechtvereiste § 6.4.4).
In de literatuur rees de vraag of een certificaathouder wel voor eigen rekening kapitaal in een vennootschap kan verschaffen.1 De OK beantwoordt deze vraag in de procedure inzake Corporate Express terecht bevestigend.2
Bij de berekening van het kapitaalvereiste voor een certificaathouder moet de OK mijns inziens uitgaan van het geplaatste kapitaal en niet van het aantal uitgegeven certificaten.3 Het is niet voldoende indien de uitkoper enkel ten minste 95% van het aantal certificaten verschaft. De door hem gehouden certificaten (en eventueel aandelen) moeten ook minimaal 95% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen.
Dit is met name relevant als er geen sprake is van volledige certificering. Bij volledige certificering speelt het probleem niet, omdat het percentage certificaten dan per definitie gelijk is aan het percentage van het totaal geplaatste kapitaal. Bij deelcertificering ligt dit anders. Ik geef een voorbeeld. Het geplaatste kapitaal van een vennootschap bestaat uit 100 aandelen. Voor elk aandeel is één certificaat uitgegeven. De houder van drie certificaten ruilt deze in voor aandelen. Een houder van 94 certificaten kan geen uitkoopprocedure beginnen. Hij verschaft dan wel bijna 97% van de uitstaande certificaten (94 van de totaal 97), maar dit belang vertegenwoordigt slechts 94% van het geplaatste kapitaal in de vennootschap (94 van de 100 (certificaten van) aandelen).
Het door mij gekozen uitgangspunt vloeit voort uit het feit dat een certificaat voor toepassing van de uitkoopregeling tot dezelfde soort behoort als het onderliggende aandeel (§ 6.5.3). Bovendien sluit het aan bij de wettekst en voorkomt het dat de OK de uitkoper niet-ontvankelijk moet verklaren, indien een gedaagde gedurende de procedure overgaat tot decertificering (§ 7.3.3 sub c). De uitkoper blijft in dat geval ten minste 95% van het geplaatste kapitaal verschaffen.