Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.2.1
IV.2.1 Inleiding
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS374906:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Cie Vennootschaprechts (1975), p. 15 (art. 1) en p. 19 (toelichting).
Zie Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 16-17. Volgens het voorstel van de Commissie Vennootschapsrecht mocht de uittredingsvordering ook tegen de vennootschap ingesteld worden. Ik verwijs voor de positie van de vennootschap naar § IV.4.
De RMK verwees in zijn advies naar een eerder (mede) door hem uitgebracht advies uit 1970. Hierin was een Proeve van wetsartikelen opgenomen, waarin ook de uitstoting en uittreding stonden. Zie Advies RMK (1976), p. 12-13.
Toelichting bij het voorontwerp (1981), p. 11 en p. 17. Dit argument werd herhaald in de toelichting bij het wetsvoorstel, zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 15.
Toelichting bij het voorontwerp (1981), p. 17. Vanzelfsprekend moest aan de verlening wel een meerderheidsbesluit ten grondslag liggen.
Dit motief snijdt volgens mij geen hout, met name voor zover het gaat om onvindbare aandeelhouders. De aandelen voor de vennootschappen waarvoor de geschillenregeling geldt luiden immers allen op naam (art. 2:335 BW). De vennootschap is dan verplicht een aandeelhoudersregister bij te houden met onder meer naam én adres van de aandeelhouder. Zie art. 2:85/194 BW.
Zie bijv. Slagter (1984), p. 24; Westbroek (1985/1), p. 713; en Emmerig (1988), p. 320. Slagter vond het wel curieus dat de eenderde-aandeelhouder de tweederde-aandeelhouder zo kon trachten te dwingen zijn aandelen over te dragen, 'een machtsstrijd via een rechtsstrijd met bedenkelijke kanten', schreef hij.
Kamerstukken 18 905, nr. 5 (VV), p. 2 en nr. 6 (MvA), p. 3. De minister verwees in zijn antwoord naar Westbroek (zie vorige noot). Laatstgenoemde vond een derde een beter vereiste dan de helft waar de Commissie Vennootschapsrecht in 1975 voor koos. Hij wees op familievennootschappen, waarin diverse groepen aandeelhouders verschillende wensen en opvattingen konden hebben. Voor dit soort vennootschappen in het bijzonder was het van belang de drempel niet te hoog te stellen.
Brood-Grapperhaus (1994), p. 41, schreef dat het enige dat een houder van een minderheidspakket soms nog rest is de uittreding. Zij dacht dat om deze reden geen minimumeis aan het aandelenpakket was gesteld.
De drempel die in art. 2:336 lid 1 BW is opgenomen, stond niet in de eerste schets van de uitstoting. In de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling is hier discussie over gevoerd. Het is interessant na te gaan waarom uiteindelijk is gekozen voor de drempel van het verschaffen van een derde van het geplaatste kapitaal.
De Commissie Vennootschapsrecht vond in 1975 dat een lage drempel voor uitstoting te ver zou gaan, omdat de minderheid de meerderheid dan kon dwingen de vennootschap te verlaten. Zij stelde voor dat een aandeelhouder die — al dan niet samen met een andere aandeelhouder — de helft van het geplaatste kapitaal hield, een medeaandeelhouder kon dwingen zijn aandelen over te dragen.1 Volgens de Commissie Vennootschapsrecht moest daarentegen iedere aandeelhouder kunnen uittreden. Het aandelenbezit deed niet ter zake.2
In reactie op het rapport van de Commissie Vennootschapsrecht achtte de RMK de eis van het bezit van de helft van de aandelen bij de uitstoting 'onaanvaardbaar'.
De minderheid moest een `stok achter de deur' hebben om tegen een zich misdragende meerderheid passende maatregelen te nemen. De RMK bleef bij zijn eerder geopperde grens: een tiende van de aandelen of een nominaal bedrag van fl. 250.000 was voldoende voor de uitstoting. De statuten konden deze grenzen lager stellen.3
Het aandelenbezit — door de Commissie Vennootschapsrecht gesteld op de helft werd in het Voorontwerp 1981 verlaagd. Een houder van een derde van het kapitaal mocht de uitstotingsvordering instellen. In de toelichting gaf de minister toe dat met deze ruime minderheid gekozen werd voor een 'tussenweg'. Een kleine minderheid, zoals de een tiende die de RMK voorstond, zou anders beschermd worden tegen onwelgevallige besluiten.4 Daarnaast kon de algemene aandeelhoudersvergadering een machtiging aan de vennootschap verlenen teneinde de vordering in te stellen. De vennootschap mocht zo als eiser optreden. Dit was uit systematisch en praktisch oogpunt wenselijk, dacht de minister.5
In 1985 gaf de minister in de toelichting bij het wetsvoorstel nog een ander motief voor de verlaging van het criterium tot een derde. De uitstoting moest door een minderheid van deze omvang kunnen worden uitgelokt, omdat er situaties denkbaar waren waarin de aandeelhouders zich wegens persoonlijke redenen afzijdig zouden willen houden of onvindbaar waren.6 De literatuur reageerde positief op de verlaging van de helft naar een derde.7 Het criterium van een derde bleef echter voor verwarring zorgen. De vaste commissie van Justitie vroeg zich af of dit betekende dat een minderheid de meerderheid zou kunnen uitstoten, waarop de minister bevestigend antwoordde.8 Overigens waren de meningen niet verdeeld over het voorstel dat iedere aandeelhouder moet kunnen uittreden. In geen enkel commentaar noch in de parlementaire stukken werd hierover een opmerking gemaakt.9