Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/4.4.2
4.4.2 Constitutionele beperkingen van interpretaties
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS359435:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 3, par. 3.5.2.
Omdat bij corrigerende interpretatie vanwege al verdisconteerde omstandigheden de geldigheid van wetgeving ter discussie wordt gesteld, kan hier echter niet worden gesproken over een met een billijkheiduitzondering vergelijkbare interpretatie.
HR 2 februari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AD8005, NJ 1973/225, m.nt. A.R. Bloembergen.
Conclusie A-G G.E. Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2011:BQ3883.
Conclusie A-G G.E. Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2011:BQ3883, par. 2.7, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2005/06, 29942, 7, p. 61.
Conclusie A-G G.E. Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2011:BQ3883, par. 2.8.
HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112, m.nt. C.E. du Perron, AA 2004/266, m.nt. T. Hartlief (Saelman).
Kamerstukken II 1981/82, 17541, 3, p. 3 (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1408).
Kamerstukken II 1981/82, 17541, 3, p. 4 (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1409).
Kamerstukken II 1981/82, 17541, 3, p. 4 (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1409).
Vgl. annotatie T. Hartlief, AA 2004/266, p. 274: ‘bekendheid’ in de zin van art. 3:310 BW wil niet altijd zeggen dat de benadeelde ook daadwerkelijk in staat is tot het instellen van een rechtsvordering.
Een voorbeeld is een zaak waarin een vordering tot schadevergoeding was ingesteld tegen iemand met wiens auto een ongeval was veroorzaakt (HR 9 november 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB4289, NJ 1974/199, m.nt. A.R. Bloembergen). De vordering verjaarde volgens de wet een jaar nadat de identiteit van het motorrijtuig en de bestuurder waren vastgesteld. Wie de auto had bestuurd, was echter nooit bekend geworden, en dat zou mogelijk ook nooit gebeuren, waardoor de vordering volgens de wettekst nooit zou verjaren. De feitenrechter had daarom de bepaling zo uitgelegd dat de termijn begon te lopen op de dag van het ongeval. De Hoge Raad hield echter vast aan de wettekst, hoewel de termijn daardoor in gevallen als deze ‘vrijwel iedere betekenis verliest’. De wettekst was ‘op zichzelf genomen duidelijk’ en een schadelijdende partij moest erop kunnen afgaan. Hij liet het aan de wetgever ‘om in de tekst van de wet zodanige wijzigingen aan te brengen dat deze beter beantwoordt aan de strekking die er-aan ten grondslag ligt’. Het valt te betwijfelen of dit na het eerder besproken Saelman-arrest (HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112, m.nt. C.E. du Perron) nog geldend recht is.
Vergelijkbaar Stolker, in: T&C BW 2014, art. 3:310 BW (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 15 februari 2017), aant. 3b. De Hoge Raad overwoog dat de bepaling niet zo kan worden uitgelegd dat de aanvang van de twintigjarige termijn afhankelijk is van de schuldeiser persoonlijk betreffende omstandigheden (HR 25 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2934, NJ 2000/16, m.nt. A.R. Bloembergen, r.o. 5.1). Ook de term ‘gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden’ kan volgens de Hoge Raad niet in afwijking van zijn bewoordingen worden geïnterpreteerd (zie HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000/430, m.nt. A.R. Bloembergen (Van Hese/ De Schelde), r.o. 3.4 en HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5634, NJ 2000/431, m.nt. A.R. Bloembergen (Rouwhof/Eternit), r.o. 3.3).
HR 25 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2934, NJ 2000/16, m.nt. A.R. Bloembergen, r.o. 5.1.
HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000/430, m.nt. A.R. Bloembergen (Van Hese/De Schelde); HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112, m.nt. C.E. du Perron (Saelman).
HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000/430, m.nt. A.R. Bloembergen (Van Hese/De Schelde).
HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112, m.nt. C.E. du Perron (Saelman).
HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000/430, m.nt. A.R. Bloembergen (Van Hese/De Schelde). Deze zaak komt ook aan de orde in par. 4.2.1.
Interpretaties zijn onderworpen aan constitutionele beperkingen.1 Ten eerste gelden voor corrigerende interpretatie vergelijkbare constitutionele eisen met die van billijkheidsuitzonderingen. Corrigerende interpretatie van de formele wet is zodoende slechts toegestaan vanwege door de wetgever niet-verdisconteerde omstandigheden; bij lagere wetgeving geldt die eis niet, maar moet bij reeds verdisconteerde omstandigheden ook met corrigerende interpretatie2 terughoudendheid worden betracht. De hiervóór gegeven voorbeelden lijken deze eisen niet te veronachtzamen, hoewel de Hoge Raad ze niet expliciet stelt.
In de zaak waarin de vrouw volgens de wettekst geen recht had op schadeloosstelling door haar man na een door hem veroorzaakt ongeluk, interpreteerde de Hoge Raad de wet zodanig dat zij daarop wél recht had.3 Hij deed dat vanwege de strekking van de wet, waarmee het in strijd zou zijn dat de vrouw ‘in feite zou worden verstoken van het haar krachstens de Ongevallenwet 1921 toekomende recht op schadeloosstelling (waarvoor huwelijk noch schuld aan het ongeval een rol speelt)’. Hier werd een formele wetsbepaling corrigerend geïnterpreteerd, waardoor de constitutionele eis van de niet-verdisconteerde omstandigheden gold. Hierop ging de Hoge Raad niet in, maar de afstand tot de wetgever lijkt wel van belang te zijn geweest. Dit blijkt impliciet al uit de overweging van de Hoge Raad dat letterlijke wetstoepassing in strijd zou zijn met de strekking van de wet, en daarnaast is dit een zo bijzonder geval dat mag worden aangenomen dat de Ongevallenwet hiermee geen rekening heeft gehouden.
Ook in de zaak waarin de griffierechtbepaling corrigerend werd uitgelegd, lijkt de eis niet te zijn vergeten. De wetgever had immers alleen voorzien in een vrijstelling van griffierecht voor verzoeken in eerste aanleg tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. De Hoge Raad achtte de bedoeling van de wetgever en de ratio van de wet redengevend voor zijn interpretatie. In de conclusie voor deze zaak is nader ingegaan op de opvatting van de wetgever, en werd gesteld dat in de wetsgeschiedenis slechts het griffierecht in eerste aanleg ter sprake kwam.4 Over dat in hoger beroep en in cassatie uitte de wetgever zich niet, waardoor het kan worden beschouwd als niet-verdisconteerd. Dat wordt ondersteund door de opvattingen van een latere wetgever: jaren na de inwerkingtreding had de minister bij een voorstel tot herziening van de regeling verklaard dat ook in hoger beroep over dergelijke verzoeken geen griffierecht geheven moest worden, hoewel dat niet met zoveel woorden in de wet was bepaald. Hij beoogde de wet op dit punt te verduidelijken.5 Daaraan kwam de regering uiteindelijk niet toe;6 maar de minister kwam ook niet terug van zijn uitlatingen.
Ook voor de corrigerende interpretatie van de verjaringstermijn achtte de Hoge Raad de strekking van de bepaling redengevend.7 Hij verwees niet naar specifieke passages uit de wetsgeschiedenis, maar zijn overweging dat de termijn niet alleen in het teken staat van rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid, lijkt erop gebaseerd dat in de wetsgeschiedenis enerzijds wordt ingegaan op de rechtszekerheid die de wettelijke termijn de schuldenaar beoogt te bieden, en het belang van de termijn voor ‘een vlot verlopend rechtsverkeer’,8 terwijl de wetgever er anderzijds aan hecht dat de termijn ‘tot redelijke resultaten zou leiden’.9 De termijn beoogt niet ‘voor de praktijk al te knellend te worden’.10 Aan de eis van door de wetgever niet-verdisconteerde omstandigheden kan zijn voldaan omdat in de wetsgeschiedenis de situatie dat de schuldeiser binnen de termijn zijn vordering niet heeft kunnen instellen, niet ter sprake komt, en dit zou kunnen worden beschouwd als afwijkend van de ‘normale gevallen’ waarvoor de termijn is opgesteld.
Ten tweede moeten gekunstelde (corrigerende of andere) interpretaties worden voorkomen. In plaats van voor een gekunstelde corrigerende interpretatie kan beter worden gekozen voor een uitzondering De genoemde voorbeelden van corrigerende interpretaties beschouw ik inderdaad als gekunsteld: er wordt wel erg ver afgeweken van de betekenis die de bewoordingen van de wetsbepalingen in het normale spraakgebruik hebben.
In de zaak over het recht op schadevergoeding van de vrouw is de wetsuitleg evident gekunsteld. De Hoge Raad overwoog dat ‘een redelijke uitlegging [...] medebrengt de toepassing van deze bepaling in een geval als het onderhavige achterwege te laten’.
In de zaak over het griffierecht blijkt de gekunsteldheid ook duidelijk. Er bestond geen wettelijke uitzondering op de verplichting tot het betalen van griffierecht in hoger beroep en cassatie. De Hoge Raad legde een bepaling over griffierecht in eerste aanleg echter zo uit dat ze ook gold voor latere instanties.
Ook de corrigerende interpretatie van de termijn acht ik gekunsteld, zij het minder dan de eerste twee zaken. In de wet was bepaald dat een rechtsvordering verjaart ‘door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden’. De Hoge Raad legde dit zo uit dat de termijn ‘gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen’. Als gezegd heeft de ‘bekendheid’ met de schade en de aansprakelijke persoon volgens het woordenboek niet de betekenis dat hij daadwerkelijk in staat moet zijn een rechtsvordering in te stellen.11
De gekunsteldheid is in deze zaken weliswaar ingegeven door de bedoeling van de wetgever, maar dat rechtvaardigt echter volgens mij de gekunsteldheid niet.
In de zaak over de Ongevallenwet lag de gekunstelde uitleg vanwege de bedoeling van de wetgever niet voor de hand. Voor de ‘normale gevallen’ waarvoor de wet was opgesteld, lijkt tekstuele interpretatie juist aangewezen. Dat maakt dat goede argumenten voor de gekunstelde uitleg van de Hoge Raad ontbreken; een uitzondering had de voorkeur gehad.
In de zaak over het griffierecht waren er ook geen duidelijke aanwijzingen dat de wetgever nooit een tekstuele uitleg had gewild. Volgens de wetsgeschiedenis had het voorschrift slechts betekenis voor het griffierecht in eerste aanleg, niet voor dat in hogere instanties. Ook hier is de bedoeling van de wetgever daarom geen goede reden voor de gekunstelde uitleg.
Ook de corrigerende interpretatie van de termijn wordt niet per se ondersteund door de bedoeling van de wetgever. Niet kan worden aangenomen dat hij nooit had gewild dat de termijn naar zijn bewoordingen zou worden uitgelegd; de wetgever beoogde door de termijn immers (ook) rechtszekerheid, en die is gediend bij een tekstuele uitleg.
Er zijn weinig civielrechtelijke gevallen gevonden waarin de Hoge Raad de feitenrechter corrigeert vanwege gekunsteldheid van een interpretatie.12 Het komt echter wél voor dat gekunsteldheid reden is om niet corrigerend te interpreteren. De rechter kan dan wel een uitzondering maken.
Artikel 3:310 lid 1 bepaalt (ook) dat een vordering ‘in ieder geval [verjaart] door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden’. Het beginmoment van deze termijn is strikt geformuleerd, net zoals de zinsnede uit het voorschrift dat een vordering ‘in ieder geval’ twintig jaar daarna verjaart.13 In de woorden van de Hoge Raad gaat het om ‘een naar objectieve maatstaven vaststaand aanvangstijdstip’.14 Deze termijn beoogt volgens de Hoge Raad blijkens de wetsgeschiedenis de rechtszekerheid te dienen,15 ‘en de billijkheid jegens de wederpartij – waarbij in het bijzonder valt te denken aan de moeilijkheden die bij het loslaten van deze termijn voor deze kunnen ontstaan met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten’.16 Anders dan de hierboven besproken vijfjaarstermijn uit artikel 3:310 lid 1 BW,17 wordt de twintigjarige termijn niet corrigerend geïnterpreteerd, maar worden daarop wél uitzonderingen gemaakt krachtens de redelijkheid en billijkheid.18 Corrigerende interpretatie zou dan ook gekunsteld zijn, en de wetsgeschiedenis ondersteunde de gekunstelde aanleg niet per se. Het oordeel van de Hoge Raad impliceert dat hij een tekstuele uitleg in de normale gevallen passend acht, en dat in dit bijzondere geval een uitzondering aangewezen was vanwege de noodzakelijke algemeenheid van (de bewoordingen van) de wet.