Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.2.2
3.2.2 De hoofdzaak
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644944:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 maart 1936, NJ 1936, 757; ECLI:NL:NR:1936:158 (Sleepboot-Egbertha). Zie ook: Gerbrandy, DNV I (1957-1958), p. 4.
Gerbrandy, DNV I (1957-1958), p. 4.
Noot J. Drion bij HR 11 december 1953, ECLI:NL:NR:1953:185 (Schaap-Stafmateriaal).
HR 11 december 1953, ECLI:NL:NR:1953:185 (Schaap-Stafmateriaal).
Zie Diephuis die op zijn beurt verwees naar Goudsmit: Diephuis I (1885), p. 443; Goudsmit I (1866), voetnoot 4, p. 92.
Art. 626 OBW: “De eigendom van den grond bevat in zich den eigendom van hetgeen op en in den grond is (…).”
Rechtbank Leeuwarden, 11 juli 1946, NJ 1947/499: ECLI:NL:RBLEE:1946:9.
Hof Amsterdam, 23 maart 1950, NJ 732.
Noot J. Drion bij HR 11 december 1953, NJ 1954, 115; Suijling (1940), p. 64.
Zoals is bepaald in HR 26 maart 1936, NJ 1936, 757; ECLI:NL:NR:1936:158 (Sleepboot-Egbertha). Zie daarover §3.4.3.1.
Voor natrekking was vereist dat sprake was van een hoofdzaak (de natrekkende zaak) en van een toegevoegde ondergeschikte zaak (de nagetrokken of accessoire zaak). Of een zaak als hoofdzaak was te kwalificeren bepaalde de verkeersopvatting.1 Omdat de verkeersopvatting een open norm is, moest de rechter de inhoud van geval tot geval bepalen.2 Vaak bestonden immers verschillende (verkeers)opvattingen over wat een hoofdzaak was. En soms ontbrak zo’n opvatting in het geheel. Dit laatste deed zich vooral voor als twijfel bestond of er sprake was van natrekking.3
Die twijfel was afwezig wanneer een roerende zaak aard- of nagelvast met een onroerende zaak werd verenigd. In dat geval was de onroerende zaak altijd de hoofdzaak. Deze regel kwam expliciet naar voren in het arrest Schaap-Stafmateriaal uit 1953. Daar stelde de Hoge Raad vast dat de onroerende zaak de “belangrijkste” en dus de “natrekkende” zaak was.4 Deze gedachte kwam overeen met wat ook in de literatuur werd betoogd: “Omdat het tijdelijke en beweeglijke niet het blijvende en onbeweeglijke overheerschen kan”.5 Daarnaast was in art. 626 OBW de aloude Romeinsrechtelijke superficies-regel opgenomen, die inhield dat de eigenaar van de grond tevens eigenaar was van al wat op de grond was gebouwd.6 De grond, de onroerende zaak bij uitstek, was de hoofdzaak. Voor zulke gevallen was het dus eenvoudig om een hoofdzaak vast te stellen.
Als de hoofdzaak echter minder gemakkelijk te identificeren was, bijvoorbeeld als twee of meer roerende zaken met elkaar waren verbonden, dan kon het spraakgebruik van invloed zijn bij het bepalen van de hoofdzaak. De Rechtbank Leeuwarden moest oordelen wie eigenaar was van een door de Duitsers in de oorlog gestolen auto, die na de oorlog bij een verkrijger te goeder trouw terecht was gekomen.7 Deze verkrijger renoveerde de auto vervolgens. In de auto was onder meer een nieuwe motor geplaatst, de bekleding was vervangen, evenals de spatborden, de velgen en de banden. Vandaar dat de verkrijger stelde dat de auto door al deze aanpassingen een nieuwe zaak was geworden en zo aan hem toekwam. De President van de Rechtbank oordeelde als volgt:
“(…) doch hij, die deze veranderingen aanbracht aan een zaak, welke volgens het gewone spraakgebruik en de opvattingen van het dagelijksch verkeer als hoofdzaak wordt beschouwd, bijzaken heeft toegevoegd, welke als bijzaken, ook al zouden zij voornamer en kostbaarder zijn dan de rest, den eigendom van de hoofdzaak volgen, zoodat het aanbrengen van deze veranderingen, — hetwelk door gedaagde niet is ontkend — noch op de identiteit van den auto, noch op den eigendom daarvan eenigen invloed heeft gehad.”
Terwijl het spraakgebruik wel van invloed was, speelde het verschil in waarde geen rol bij de kwalificatie van een zaak als hoofdzaak.
Niet alleen de Rechtbank Leeuwarden was deze mening toegedaan, ook het hof Amsterdam.8 Het karkas van een auto, bestaande uit een chassis, een incomplete motor en een gehavende carrosserie, was aangeschaft voor de prijs van ƒ2.291,41. De koper had vervolgens diverse onderdelen zoals wielen, banden, accu’s, vloerbedekking, voor- en achterlichten aan de auto laten vervangen, voor in totaal ƒ3.433,47. Inclusief montagekosten etc. was het totale bedrag ƒ7.724,88. Ondanks de vele veranderingen die aan de auto waren aangebracht, bleef de gehavende auto toch de hoofdzaak. Er was door de reparaties en toevoegingen geen nieuwe zaak ontstaan. De ”identiteit” van de zaak, waar de rechtbank Leeuwarden ook naar verwees, was dezelfde gebleven. Dat de toegevoegde zaken (tezamen) een grotere waarde vertegenwoordigden dan de gekochte auto, deed niets af aan het feit dat de gehavende auto de hoofdzaak was en bleef. Alle toegevoegde zaken waren bestanddelen van deze auto geworden en waren dus nagetrokken.
Toch was het denkbaar dat als een speciale motor in een aftandse auto werd geplaatst, de motor als hoofdzaak werd gezien, als hij vele malen kostbaarder was dan de auto. De economische waarde van het onderdeel woog dan zwaarder dan wat in het spraakgebruik als hoofdzaak werd aangeduid. De verkeersopvatting bepaalde of in een bepaald geval de motor dan wel de carrosserie van de auto als hoofdzaak werd gekwalificeerd. De rechtspraak stelde de verkeersopvatting vast. Zo bezien lijkt de verkeersopvatting een feitelijke vaststelling te zijn, die na verloop van tijd kon veranderen en afhankelijk was van het oordeel van de rechter.9 Betekende dit dat de natrekkingsvraag steeds een zuiver feitelijke vraag was? Niet altijd. In bepaalde gevallen kon de wet de verkeersopvatting aangeven.10