NJB 2024/2155:Mishandeling ‘levensgezel’, art. 300 jo 304 Sr: toepassing HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:224. Bij de beoordeling of sprake is van een ‘levensgezel’ is van belang: of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, de duur van de gemeenschappelijke huishouding, of er een relatie van affectieve aard is, en met name of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid. Doorslaggevend is evenwel de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen. Verwijzing HR naar conclusie A-G: in casu houden de bewijsmiddelen helemaal niets in over het bewezenverklaarde onderdeel ‘levensgezel’, met name niet over de aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster. Dit behoeft volgens de Hoge Raad echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden, nu uit de strafmotivering van het hof niet blijkt dat het zijn van ‘levensgezel’ in strafverzwarende zin is betrokken bij de strafoplegging, terwijl de aard en de ernst van wat verder is bewezenverklaard door het wegvallen van deze omstandigheid uit de bewezenverklaring ook niet worden aangetast.