In het cassatiemiddel wordt aan de klacht nog wel toegevoegd dat “Zulks (…) te meer [klemt] nu uit de motivering van de strafoplegging volgt dat aangeefster een half jaar voor het feit kennelijk is aangemerkt als zijn 'toenmalige vriendin'.” Ik zie niet in waarom het feit dat het hof in juli 2022 heeft vastgesteld dat het slachtoffer in juli 2019 “de vriendin” was van de verdachte, zou bijdragen aan het vermoeden dat zij op 11 december 2019 niet meer zijn ‘levensgezel’ was. Dat de verdachte en het slachtoffer inmiddels uit elkaar zijn - waarover overigens ook ter zitting in hoger beroep nog twijfels zijn uitgesproken, maar dat laat ik hier rusten - maakt een en ander niet anders. Daarom laat ik dit onderdeel van de klacht hierna buiten beschouwing.
HR, 15-10-2024, nr. 22/02803
ECLI:NL:HR:2024:1432
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-10-2024
- Zaaknummer
22/02803
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1432, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:716
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:3011
ECLI:NL:PHR:2024:716, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1432
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0239
Uitspraak 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Mishandeling van zijn levensgezel door zijn toenmalige vriendin met zijn vuisten tegen haar hoofd te slaan, art. 304.1 jo. 300.1 Sr. Bewijsklacht. Kan toenmalige vriendin van verdachte worden aangemerkt als ‘zijn levensgezel’ a.b.i. art. 304.1 Sr? HR: Om redenen vermeld in CAG is klacht gegrond. Dit behoeft echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Uit ’s hofs strafmotivering hof blijkt immers niet dat het zijn van ‘levensgezel’ in strafverzwarende zin is betrokken bij strafoplegging, terwijl aard en ernst van wat verder is bewezenverklaard (verdachte is ook veroordeeld voor handelen in strijd met huisverbod en mishandeling) door het wegvallen van deze omstandigheid uit bewezenverklaring ook niet worden aangetast. CAG: Doorslaggevend in begrip ‘levensgezel’ is nauwe persoonlijke betrekking van zekere hechtheid. Het moet gaan om relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Bewijsmiddelen houden helemaal niets in over bewezenverklaard onderdeel ‘levensgezel’, met name niet over aard en hechtheid van betrekking tussen verdachte en zijn toenmalige vriendin. Volgt verwerping. CAG (anders t.a.v. strekking): vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02803
Datum 15 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 juli 2022, nummer 22-000224-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 10-306296-19 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte de mishandeling heeft begaan tegen ‘zijn levensgezel’ als bedoeld in artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 10-306296-19 bewezenverklaard dat:
“hij op of omstreeks 11 december 2019 te [plaats] zijn levensgezel, [slachtoffer], heeft mishandeld door meermalen tegen het gezicht en het hoofd van die [slachtoffer] te stompen”.
2.2.2
Verder is ten laste van de verdachte bewezenverklaard, kort gezegd, handelen in strijd met een huisverbod (gepleegd op 23 juli 2019) en mishandeling van [slachtoffer] (gepleegd op 19 juli 2019).
2.2.3
Het hof heeft de verdachte voor de drie bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 46 dagen. Het hof heeft deze strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“De verdachte heeft zich in juli 2019 schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin, door met zijn vuisten tegen haar hoofd te slaan. Naar aanleiding van dit incident heeft de verdachte een huisverbod opgelegd gekregen, dat hij enkele dagen daarna heeft overtreden door de woning te betreden. Een halfjaar later heeft de verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan mishandeling van hetzelfde slachtoffer. De verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar pijn en letsel bezorgd.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 juni 2022 waaruit blijkt dat de verdachte eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
(...)
Het hof is ‑ alles afwegende ‑ van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt op hetgeen bewezen is verklaard. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte stelt het hof de duur van de gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest.”
2.3
De klacht is gegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 tot en met 2.10.
2.4
Dit behoeft echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Uit de strafmotivering van het hof blijkt immers niet dat het zijn van ‘levensgezel’ in strafverzwarende zin is betrokken bij de strafoplegging, terwijl de aard en de ernst van wat verder is bewezenverklaard door het wegvallen van deze omstandigheid uit de bewezenverklaring ook niet worden aangetast.
2.5
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 46 dagen, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2024.
Conclusie 02‑07‑2024
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02803
Zitting 2 juli 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 13 juli 2022 door het gerechtshof Den Haag in de zaak met parketnummer 10-178506-19 onder 1. wegens " als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod, gegeven huisverbod", in de zaak met parketnummer 10-306296-19 wegens “mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel” en in de zaak met parketnummer 10-173934-19 wegens “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 dagen, met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.1
Het middel heeft betrekking op het hierboven als tweede genoemde feit, de mishandeling begaan tegen zijn levensgezel (de zaak met parketnummer 10-306296-19). De klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het slachtoffer de ‘levensgezel’ was van de verdachte. Dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld wordt in cassatie niet bestreden.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op of omstreeks 11 december 2019 te [plaats] zijn levensgezel, [aangeefster] , heeft mishandeld door meermalen tegen het gezicht en het hoofd van die [aangeefster] te stompen.”
2.3
Voor een goed begrip van de zaak merk ik op dat het hierboven als derde genoemde feit (met parketnummer 10-173934-19) een mishandeling betrof van hetzelfde slachtoffer, begaan op 19 juli 2019. Het eerstgenoemde feit (met parketnummer 10-178506-19) betreft de overtreding van het huisverbod dat aan de verdachte was opgelegd naar aanleiding van de mishandeling op 19 juli 2019. Deze twee feiten zijn in cassatie niet meer aan de orde.1.
2.4
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:’
“3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 12 december 2019 van de politie eenheid Noord-Holland met nr. PL1100—2019238990-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 3- 4) :
als verklaring van aangeefster [aangeefster] :
Op 11 december 2019, omstreeks 22.15 kwam ik met [verdachte] aan bij het hotel [A] in [plaats] , binnen de gemeente [plaats] . Omstreeks 23.45 was ik samen met [verdachte] in de hotelkamer. Hij heeft mij vijf vuistslagen in mijn gezicht gegeven. Alle klappen die ik heb gehad deden pijn. Ik ben op een gegeven moment de gang op gerend van het hotel. Hij is achter mij aan gerend en heeft mij van achter nog een vuistklap op mijn achterhoofd gegeven.
4. Een proces-verbaal van bevindingen van hoofdagent [verbalisant 1] en hoofdagent [verbalisant 2] d.d. 12 december 2019 van politie Eenheid Noord-Holland met nr. PL1100-2019238990-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 7-8, inclusief bijlage p. 10-11):
als relaas van de desbetreffende verbalisanten:
Op 12 december 2019 kwamen wij om 00.14 uur aan bij het [A] hotel te [plaats] . Aangeefster legitimeerde zich zijnde: [aangeefster] . Wij zagen dat zij een icepack tegen haar rechterwang hield. Wij hoorden haar zeggen dat zij zojuist is geslagen door [verdachte] .
Wij hoorden [aangeefster] zeggen dat zij op de hotelkamer een discussie kreeg met [verdachte] en dat zij daarna meermaals in haar gezicht is geslagen door [verdachte] . Dit zou hij hebben gedaan met zijn vuisten.
Wij zagen dat [aangeefster] zichtbaar letsel had in haar gezicht. Wij zagen dat de gehele rechter helft van haard hoofd opgezwollen was. De zwelling was voornamelijk zichtbaar op haar rechterwang. Deze wang werd ook al zichtbaar blauw.
Wij hebben foto's gemaakt van het letsel van [aangeefster] en zijn bijgevoegd binnen dit dossier.”
2.5
Het arrest bevat geen inhoudelijke nadere bewijsoverweging.
Juridisch kader
2.6
Het begrip ‘levensgezel’ is in de jurisprudentie van de Hoge Raad een aantal keer aan de orde geweest. In een arrest gewezen op - het zal toeval zijn - 14 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:224, rov. 2.3.2) citeerde de Hoge Raad, net als in eerdere arresten over dit bestanddeel, eerst uit de nota van wijziging bij het relevante wetsvoorstel. Voor de helderheid citeer ik dat gedeelte hier op mijn beurt opnieuw:
“Met het begrip «levensgezel» wordt aangesloten bij de algemene aanwijzingen voor de regelgeving (AR 72a), waarin dit begrip is aangewezen voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, «met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden». Het begrip komt momenteel in ongeveer tien andere wetten voor - o.a. het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Faillissementswet en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens -, vaak naast de begrippen echtgenoot en geregistreerde partner.
Bij de beoordeling of sprake is van een «levensgezel» zijn de volgende aspecten van belang:
- of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding
- de duur van de gemeenschappelijke huishouding
- of er een relatie van affectieve aard is, en met name
- of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.
Doorslaggevend is in het begrip «levensgezel» evenwel, als gezegd, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen.”2.
2.7
In het genoemde arrest casseerde de Hoge Raad het arrest van het hof, omdat het hof onvoldoende had vastgesteld over “de aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster”. Het bewijs hield niet meer in dan dat de aangeefster had verklaard te zijn mishandeld door haar “partner”. In eerdere rechtspraak heeft de Hoge Raad het meermaals onvoldoende gevonden als het bewijs slechts inhield dat sprake was van een “relatie” of dat de verdachte en slachtoffer in een relatie tot elkaar stonden als “vriend” en “vriendin”.3.
2.8
Wel voldoende gemotiveerd was de bewijsvoering voor het onderdeel ‘levensgezel’ in een zaak waarin het hof over de verdachte en het slachtoffer - die beiden dakloos waren - had vastgesteld dat zij gedurende een periode van zes maanden dag en nacht samen hadden opgetrokken, dat de verdachte de zorg voor het slachtoffer - die gebruik maakte van een rolstoel - op zich had genomen, dat het slachtoffer zich tegenover de verdachte moest verantwoorden over haar doen en laten en dat er sprake was van een seksuele omgang tussen het slachtoffer en de verdachte (HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:113).
2.9
Voldoende was het ook in een zaak waarin de aangeefster de verdachte aanduidde als “vriend/verloofde”, verklaarde “ongeveer 4 jaar” met hem samen te zijn en sprak van “onze woning” (HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:238 (art. 81 lid 1 RO)).
De beoordeling van het middel
2.10
De steller van het middel wijst er terecht op dat de bewijsmiddelen helemaal niets inhouden over het bewezenverklaarde onderdeel ‘levensgezel’, met name niet over de aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster. Het middel slaagt dan ook.4.
Afronding
3.1
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad naar verwachting uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.
3.2
Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 10-306296-19 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑07‑2024
Ik verwijs hier naar het overzicht gegeven in de CAG van AG Paridaens van 20 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1152, onder 9.
Ik heb enige twijfel over het belang van de verdachte bij vernietiging en terugwijzing van de zaak. Dit belang is niet nader toegelicht. Voor zover dit belang is gelegen in de hoogte van de straf, dan geldt dat in cassatie niet is opgekomen tegen de bewezenverklaring van de mishandeling zelf en deze mishandeling slechts één van drie bewezen feiten is. In de strafmotivering vind ik echter uiteindelijk onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen stellen dat de strafverzwarende omstandigheid niet van betekenis is geweest voor de strafoplegging.