Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.2.1
3.2.1 Aanleiding voor de uiteindelijk gekozen aanpak
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS443539:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Adriani & Van Hoorn, 1954, deel II, p. 277.
De in 1934 in Nederland ingevoerde omzetbelasting werd bijvoorbeeld geheven bij de fabrikant door middel van het plakken van zegels op facturen. Zie: Essers, 2012, p. 37. Ook de in 1934 in Nederlands-Indië ingevoerde loonbelasting kon door werkgevers onder andere worden betaald via het plakken van loonzegels op door het gouvernement verstrekte loonlijsten. Zie: Manse, Arendsen, & Klever, 2018, paragraaf 4.2.
Tegen de vaststelling staan overigens ook voor de belastingplichtigen in de eerste groep rechtsmiddelen open in de vorm van bezwaar tegen de eigen aangifte.
Scheltens, 1967, p. 5 en 6.
Hofstra, 1974, p. 200 en 201.
Reuvers, 1988, p. 24.
Van Amersfoort & De Blieck, 2005, p. 6.
Dit wetsvoorstel is voorafgegaan door een notitie met de titel ‘Modernisering AWR’. Deze in het najaar van 2009 verschenen notitie is als bijlage bij de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 gevoegd en uiteindelijk via de Fiscale agenda – dat de beleidsvisie bevatte van het Kabinet Rutte I (Kamerstukken II 2010/11, 32 740, nr. 1.) – terechtgekomen in de Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst (Kamerstukken II 2012/13, 33 714, nr. 3).
Douma e.a., 2017, p. 206.
Om antwoord te kunnen geven op de vraag of de Nederlandse heffingsmethoden elkaars tegenpolen zijn, is het eerst van belang vast te stellen wat de heffingsmethoden karakteriseert alvorens ze met elkaar kunnen worden vergeleken. Over heffingsmethoden wordt namelijk vaak in algemene termen gesproken. Eenduidige definities zijn er namelijk niet. Vaak is er slechts aandacht voor enkele onderdelen of worden ze vanuit een bepaald perspectief bekeken. Hieronder zal ik laten zien dat het gekozen perspectief echter veel invloed heeft op welke verschillen wel en niet worden gezien. Adriani en Van Hoorn kiezen bijvoorbeeld voor het perspectief dat zich richt op de verdeling van taken en verantwoordelijkheid tussen Belastingdienst en belastingplichtigen.1 Zij maken onderscheid tussen de vorm (1) waarbij de belastingschuld door de belastingplichtige zelf wordt geformaliseerd en de vorm (3) waarbij die schuld door de belastingdienst wordt geformaliseerd. Daartussen bevindt zich de vorm (2) die kenmerken heeft van beide uitersten (een soort mengvorm). Hierbij doet de belastingplichtige aangifte van het door hem verschuldigde bedrag, maar het eindoordeel daarover wordt uiteindelijk door de Belastingdienst geveld:
“(…)
Een belastingplichtige stelt zelf het verschuldigde bedrag vast (zogenoemde eigen aangifte) en voldoet dit op de door de wet vastgestelde wijze (bijvoorbeeld zegelbelasting2 of heffing aan de bron zoals loon-, dividend- en commissarissenbelasting);
Tussen burger of bedrijf en de fiscus is een zekere mate van samenwerking, waarbij het laatste woord aan de fiscus is (bijvoorbeeld accijnzen als suikeraccijns en bieraccijns, inkomstenbelasting of het registratierecht);
De fiscus stelt zelfstandig, derhalve buiten burger of bedrijf om, het verschuldigde belastingbedrag vast (bijvoorbeeld de grondbelasting).”
Adriani en Van Hoorn stellen dat er bij deze vormen zowel voor de fiscus als de belastingplichtigen mogelijkheden (rechtsmiddelen) zijn om te interveniëren als ze het niet eens zijn met de (eerdere) formalisering van de belastingschuld. Voor wat betreft de Belastingdienst doelen ze hiermee op wat thans bekend staat als de mogelijkheid om af te wijken van de aangifte en de mogelijkheid van navordering dan wel naheffing. Voor wat betreft de belastingplichtigen gaat het om de mogelijkheid van bezwaar en beroep als ze het niet eens zijn met de beslissingen van de Belastingdienst.3 Dit perspectief verschaft echter geen inzicht in relevante termijnen voor het doen van aangifte en betalingen en over het bestaan (en de hoogte) van eventuele boeten.
Scheltens kiest het perspectief van het moment waarop het toezicht wordt uitgeoefend. Daarbij focust hij vooral op het moment waarop de inspecteur de door de belastingplichtige verschafte (aangifte)gegevens kan beoordelen en eventueel corrigeren. Voor dit perspectief geldt overigens dat het geen informatie geeft over de termijnen voor het doen van aangifte en betalingen en over (de hoogte van) boeten.
de administratie onderzoekt de verschafte gegevens op hun juistheid en doet vervolgens aan de belastingplichtige mededeling van haar conclusie, waarna – behoudens mogelijkheid van beroep op een administratieve of rechterlijke instantie- overeenkomstig deze conclusie moet worden betaald.
de juistheid van de verschafte gegevens wordt voorshands in het midden gelaten en het op die grondslag berekende belastingbedrag moet worden betaald; ná een vervolgens in te stellen onderzoek naar de juistheid overeenkomstig a kan de belastingplichtige tot bijbetaling worden verplicht.
Kort samengevat: wij kennen aangiften met voorafgaande controle en aangiften met na-controle.”4
Hofstra kiest min of meer dezelfde invalshoek (verdeling van taken en verantwoordelijkheden) als Adriani en Van Hoorn. Op het continuüm plaatst Hofstra aan het ene uiterste (1) het formaliseren en de betaling van het verschuldigde bedrag door de belastingschuldige zelf respectievelijk door bepaalde in de wet aangewezen derden, en aan het andere uiterste (2) het formaliseren door middel van een ambtelijke vaststelling. Bij de eerste heffingsmethode beperkt de taak van de belastingadministratie zich volgens Hofstra tot toezicht achteraf.5 Zie in vergelijkbare zin Reuvers6 en Van Amersfoort & De Blieck7 die de taak- en verantwoordelijkheidsverdeling als uitgangspunt nemen om het onderscheid tussen de heffingsmethoden te kunnen duiden. Datzelfde doet de staatssecretaris van Financiën in 2013. In de memorie van toelichting van de Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst focust hij daarbij op de handelingen bij aangiftebelastingen op het vlak van het indienen van een aangifte en suppleties en het opleggen van naheffingsaanslagen.8 Aan de handelingen die horen bij aanslagbelastingen besteedt de staatssecretaris in dit kader echter in het geheel geen aandacht. Eveneens voor dit perspectief geldt dat het voorbij gaat aan termijnen voor het doen van aangifte en betalingen en aan het bestaan (en de hoogte) van boeten.
“Bij een aangiftebelasting rusten de taken in het kader van en de verantwoordelijkheid voor een juiste belastingheffing geheel bij de belastingplichtige. De belastingplichtige ontvangt geen aanslag maar dient de belasting eigener beweging overeenkomstig zijn aangifte aan de Belastingdienst te betalen. Zonder nadere regelgeving als bijvoorbeeld bestaat voor suppleties in de omzetbelasting kan de belastingplichtige wijzigingen alleen doorgeven door binnen 6 weken bezwaar te maken tegen de eigen aangifte of daarna een verzoek om ambtshalve vermindering te doen. De Belastingdienst heeft gedurende 5 jaar de bevoegdheid tot naheffen, welke bevoegdheid niet aan voorwaarden verbonden is.”9
Volgens Douma e.a. is de mate waarin een belastingplichtige in staat is om de bepalingen in de materiële heffingswet te begrijpen, bepalend voor vraag of de verantwoordelijkheid voor een juiste aangifte en betaling bij een belastingplichtige kan worden neergelegd.10 Daarbij wordt verondersteld dat die verantwoordelijkheid bij een aangiftebelasting wel op een belastingplichtige rust en bij een aanslagbelasting niet; een duidelijke tegenstelling derhalve. De vraag is of die tegenstelling er daadwerkelijk is. In het resterende deel van dit onderzoek zal ik die vraag beantwoorden.
Dat het gekozen perspectief uiteindelijk bepaalt welke verschillen tussen de heffingsmethoden uiteindelijk wel en niet worden gezien, zie ik ook terug in de antwoorden die de vier door mij geïnterviewde experts hebben gegeven op de vraag wat in hun ogen de meest kenmerkende verschillen zijn tussen de twee heffingsmethoden (zie bijlage 1). Visser, Zuidgeest en Goossens benadrukken vooral de verschillen in rechtszekerheid en de mate waarin rechtsbescherming wordt geboden aan belastingplichtigen. Het verschil in verdeling van verantwoordelijkheden tussen belastingplichtigen en Belastingdienst, is een aspect dat Lammers voor het voetlicht brengt. Ten slotte wijzen Poolen en Lammers op de extra uitvoeringshandelingen (behalve het indienen van een aangifte, tevens het opleggen van een aanslag) die zijn verbonden aan aanslagbelastingen.