Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/15.4
15.4 Uitoefenen kwalitatieve rechten door derden
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS305259:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering vormt Beversluis 2009, p. 97–104, die door elkaar het geval bespreekt dat een beperkt gerechtigde een kwalitatief recht bedingt en het geval dat de rechthebbende van een goed een kwalitatief recht bedingt en vervolgens een beperkt recht op het goed vestigt. Hij houdt daarbij vast aan het vereiste van overdracht voor het kunnen verkrijgen van kwalitatieve rechten (zie bijv. p. 102), waardoor het moeilijker wordt om tot een werkbaar systeem te komen.
Anders: Stein, Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:228 BW, aant. 11.5 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018), die (zonder verdere motivatie of uitwerking) stelt dat fabrieksgaranties “voor de pandhouder van belang zijn ingeval hij tijdens de garantieperiode genoodzaakt is tot verkoop over te gaan”.
Cahen 2004, p. 31.
704. Over het uitoefenen van kwalitatieve rechten door derden is nog niet veel geschreven.1 De vraag of het mogelijk is dat een derde, die uit hoofde van een beperkt recht, beslag of overeenkomst een aanspraak op een goed kan doen gelden waar een kwalitatief recht mee samenhangt dit kwalitatieve recht ook zou kunnen uitoefenen, lijkt op de vraag die ik paragraaf 14.4 ten aanzien van de afhankelijke rechten behandelde. Toch is de vraag niet hetzelfde. De uit het beperkte recht, beslag of overeenkomst voortvloeiende aanspraak op het goed strekt zich namelijk niet uit over het kwalitatieve recht. Een kwalitatief recht is immers niet verbonden aan het goed, maar aan de hoedanigheid van rechthebbende van het goed. Toch denk ik dat het in sommige gevallen mogelijk is dat een ander dan de rechthebbende van het goed waarmee het kwalitatieve recht samenhangt, het kwalitatieve recht uitoefent. De reden daarvoor is dat het uitoefenen van kwalitatieve rechten enkel kan gebeuren door degene die daar belang bij heeft (art. 6:251 lid 1 BW). Ontstaat er een situatie waarin de rechtheb bende van een goed geen belang (meer) heeft bij een kwalitatief recht, maar een derde met een aanspraak op dat goed wél, dan zou het logisch zijn om deze derde het kwalitatieve recht uit te laten oefenen. Om te bepalen wie belang heeft bij het kwalitatieve recht, dient te worden gekeken naar het gebruik dat de derde en de rechthebbende van het goed kunnen maken.
705. Concreet betekent dit dat gevallen waarin derden gebruik kunnen maken van kwalitatieve rechten zich vooral zullen voordoen bij genotsrechten op goederen van anderen. De reden daarvoor is dat genotsrechten aanspraak kunnen geven op een zeer gevarieerd palet aan gebruik, waarbij het vaak mogelijk is dat hetzelfde gebruik niet meer toekomt aan de rechthebbende van het goed zolang het genotsrecht voortduurt (zie randnummer 635). Zo zal een kwalitatief recht dat inhoudt dat de eigenaar van een perceel grond het recht heeft om door de achtertuin van de buren te lopen, kunnen worden uitgeoefend door de erfpachter die het volledige gebruik van het perceel van de eigenaar heeft overgenomen. Hetzelfde geldt in het geval het gebruik van de derde niet gebaseerd is op een beperkt recht, maar op een overeenkomst (zoals een huurovereenkomst). Ook hier geldt de dubbele begrenzing die ik in randnummer 628 besprak. De uitoefening van kwalitatieve rechten wordt enerzijds begrensd door het gebruik dat de derde van het goed kan maken en anderzijds door het kwalitatieve recht (en het belang dat daarmee gediend wordt) zelf.
706. Bij zekerheidsrechten die gevestigd worden op een goed, is het moei lijk voor te stellen dat de rechthebbende van het goed geen belang meer zou hebben bij de uitoefening van kwalitatieve rechten die met het goed samen hangen. Omdat kwalitatieve rechten doorgaans nut aan een goed toevoe gen (bijvoorbeeld door de rechthebbende van het goed een garantie te geven dat het goed wordt gerepareerd), heeft de rechthebbende er in zijn verhouding tot de zekerheidsgerechtigde bijna altijd belang bij deze kwalitatieve rechten uit te oefenen.2 Door dit te doen verhoogt hij namelijk het nut van zijn zekerheidsobject, waardoor bij eventueel verhaal meer overwaarde of een kleinere restschuld overblijft. Hetzelfde geldt in het geval dat het goed waar kwalitatieve rechten mee samenhangen, wordt beslagen. Er staat de rechthebbende van het goed mijns inziens echter niets in de weg om de zekerheidsgerechtigde of beslaglegger te machtigen om dergelijke kwalitatieve rechten uit te oefenen indien zij daar behoefte aan hebben. Zo kan bijvoorbeeld de afspraak worden gemaakt dat de zekerheidsrechtigde alle kwalitatieve rechten uit kan oefenen alvorens over te gaan tot executie, indien partijen voorzien dat dat de executieopbrengst ten goede komt. Wordt het goed in het kader van een executietraject verkocht, dan verkrijgt de executiekoper tevens van rechtswege de kwalitatieve rechten; de voorgaande rechthebbende heeft daar immers geen belang meer bij. Dat is echter geen uitoefening door een derde, maar het eenvoudige gevolg van art. 6:251 BW. De executieverkoper heeft bij de executieverkoop niet de mogelijkheid om de verkrijging door de executiekoper van de kwalita tieve rechten uit te sluiten; dat zou de waarde van het verkochte goed zon der reden drukken.3