Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.4.5.3
2.4.5.3 Ruimte voor een vennotenactie
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS591604:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De maatschap is geen rechtspersoon en m.i. ook niet een andersoortig rechtssubject; wel vormt het maatschapsvermogen een afgescheiden vermogen.
Vgl. HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:721. Een individuele erfgenaam (A) kan in rechte optreden tegen de gezamenlijke erfgenamen (ABC) in hun hoedanigheid van gezamenlijke vereffenaars van de beneficiair aanvaarde nalatenschap, op basis van een dagvaarding die A aan B/C had uitgebracht (en niet mede aan zichzelf).
Art. 7A:1676 sub 1 slot BW; zie 2.3.6.2.
In deze richting ook: Maeijer 1991, p. 437; en Slagter 2004, p. 18. Vgl. voor de BV art. 2:239 lid 6 BW. Volgens wetsvoorstel 34 491 verhuist dit naar de algemene bepalingen, art. 2:9 lid 6 BW.
HR 8 juni 1990, NJ 1990/607(Gebr. Kruithof).; Ktr. Lelystad 9 juli 2008, JOR 2009/31 (Kaptein en De Visscher vof); Hof Amsterdam 7 december 2010, JOR 2011/249(LBW/ Recreatiebeheer); en Vzr. Rb. Gelderland 10 oktober 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:5851. Zie ook Asser/Maeijer 5-V 1995/55.
HR 17 december 1993, NJ 1994/301(Van den Broeke/Van der Linden). Vgl. HR 19 oktober 1990, NJ 1991/21(Akkoca) over een ontbonden VOF, kennelijk zonder onvoldane schuldeisers; vennoot in privé mocht ‘zijn’ deel in een aan de VOF toekomend vorderingsrecht opeisen.
Art. 1843-5 Code civil (action sociale ‘ut singuli’), sinds 1988. Volgens de wettekst kan deze actie (alleen) tegen een ‘gérant’ worden ingesteld. Mémento Pratique 2009, nr. 2390 e.v.
De actio pro socio (Gesellschafterklage) strekt tot nakoming door een vennoot van een vennootschappelijke verplichting; zij is niet wettelijk geregeld, wel vaste jurisprudentie. Optreden op eigen naam, maar ten behoeve van de vennootschap, tegen vennoot of derde, kan zo nodig met een beroep op Notgeschäftsführung. Stengel in Beck’sches Handbuch 2014, § 3, Rdnr. 95 e.v. en 100 e.v.
Blackett-Ord & Haren 2015, nr. 14.49 e.v., 15.7 e.v. en 24.15 (action for an account; derivative suit in representative form).
Blanco Fernández 2003a, voetnoot 24.
Ontwerp-Maeijer, art. 805 lid 3.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 12 lid 3 (regelend recht, zie art. 2).
Assink 2016, p. 68.
Art. 3:189 BW. De werkgroep-Van Olffen sluit toepassing van art. 3:171 BW op de door haar voorgestelde maatschap met rechtspersoonlijkheid uit (zie art. 7 lid 7, art. 8 en art. 30 van haar voorstel).
HR 27 oktober 1995, NJ 1998/191(Dorrepaal q.q./Corsmit); HR 8 september 2000, NJ 2000/604(Cento).
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1283; noot H.J. Snijders onder HR 17 juni 1994, NJ 1995/367(Rabo/Sporting Connection); conclusie sub 2.4 van A-G Bakels voor HR 5 maart 1999, NJ 1999/383(Erven T/Belastingadviseur); HR 21 november 2003, NJ 2004/130 (ILBF). Art. 236 Rv.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 59; HR 5 maart 1999, NJ 1999/383(Erven T/Belastingadviseur); Asser/Perrick 3-V 2015/29.
HR 8 september 2000, NJ 2000/604(Cento).
Slagter 2004, p. 18 e.v.
Ik denk aan gevallen als aan de orde in Hof Amsterdam 7 december 2010, JOR 2011/249 (LBW/Recreatiebeheer).
Asser/Perrick 3-V 2015/29, met verwijzing naar Schoordijk.
Vgl. Maeijer 1991, p. 437, met pleidooi om dergelijke procedures juist mogelijk te maken.
Kroeze 2004, p. 341 e.v.
Indien iemand jegens de maatschap wanprestatie of een onrechtmatige daad heeft gepleegd, kan de schuldige door de maatschap (lees: de gezamenlijke vennoten) worden aangesproken. Maar soms is sprake van een deadlock- situatie. Is de schuldige een zittende vennoot, dan zou de gedaagde tevens één van de eisers zijn.1 Mogelijk verzet een beginsel van procesrecht zich daartegen,2 al vermoed ik dat dit niet het geval is. Verder kan gebeuren dat een vennoot niet aan een juridische actie wil meewerken. Denk aan het geval waarin de schuldige gelieerd is aan een vennoot. Afhankelijk van de bevoegdheidsverdeling binnen de maatschap kan die vennoot een rechtszaak van de maatschap tegen de schuldige blokkeren. Het preventieve vetorecht3 komt m.i. niet toe aan een vennoot met een tegenstrijdig belang.4 Dit maakt echter nog niet in alle gevallen de weg vrij voor procederen in naam van de maatschap, omdat daarvoor ook vertegenwoordigingsbevoegdheid nodig is.5 In deadlock-situaties is voorts van belang dat een medevennoot niet gerechtigd is het aan de maatschap toekomende vorderingsrecht geheel of voor ‘zijn’ deel voor zich in privé op te eisen.6
Stel, zo’n deadlock doet zich voor en een vennoot wil het er niet bij laten zitten. Kan hij dan op eigen naam, maar ten behoeve van de maatschap tegen de schuldige optreden? In Frankrijk,7 Duitsland8 en Engeland9 kan dat. Of het ook in Nederland tot de mogelijkheden behoort, is geen uitgemaakte zaak.10 Volgens Blanco Fernández komt aan elke vennoot de actio pro socio toe, die hem in staat stelt in eigen naam ten behoeve van de vennootschap te ageren.11 Het Ontwerp-Maeijer maakte een dergelijke vennotenactie mogelijk, maar alleen voor het afdwingen van inbrengverplichtingen.12 De werkgroep- Van Olffen doet hetzelfde.13 Deze beperking tot inbrengverplichtingen dekt niet alle gevallen af, waarin men aan een vennotenactie kan denken. De oproep van Assink om dit onderwerp in het kader van de modernisering van het personenvennootschapsrecht verder te doordenken,14 spreekt mij aan.
Voor een ruimhartiger invulling van de vennotenactie biedt het algemene gemeenschapsrecht een mooi uitgangspunt.
In artikel 3:171 BW staat:
“Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter ver krijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Een regeling die het beheer toekent aan een of meer der deelgenoten, sluit, tenzij zij anders bepaalt, deze bevoegdheid voor de anderen uit.”
Deze deelgenotenactie is rechtstreeks van toepassing op de gemeenschap van een ontbonden personenvennootschap.15 De deelgenoot die zo’n vordering instelt, moet in de dagvaarding duidelijk aangeven dat hij dit ten behoeve van de gemeenschap doet.16 De agerende deelgenoot is formeel procespartij; de gezamenlijke deelgenoten gelden als materiële procespartij. De rechterlijke uitspraak bindt daardoor mede de overige deelgenoten.17 De rechter kan slechts veroordelen tot betaling aan de gezamenlijke deelgenoten.18
Artikel 3:171 BW leent zich voor analogische toepassing op de niet-ontbonden maatschap, maar lijkt voor mijn doel toch weinig soelaas te bieden. De Hoge Raad heeft namelijk uitgemaakt dat de vordering van artikel 3:171 BW alleen tegen derden, niet tegen andere deelgenoten kan worden ingesteld. Vorderingen op deelgenoten moeten volgens het Cento-arrest via de artikelen 3:184 en 3:185 BW (toerekening bij verdeling; verdeling door rechter) worden afgewikkeld.19 Met Slagter vind ik deze beperking ongelukkig.20 Soms willen deelgenoten een gezamenlijke vordering op een van de deelgenoten innen zonder direct ook de gemeenschap te moeten verdelen. Dit kan zich voordoen als men met het geïnde gemeenschapsschuldeisers wil voldoen. De wens om tegen een individuele deelgenoot te ageren kan ook spelen bij de niet-ontbonden maatschap.
Ik zou genoemde beperking uit het Cento-arrest daarom willen loslaten en vennoten van een niet-ontbonden maatschap willen toestaan artikel 3:171 BW analogisch toe te passen. Deze vennotenactie kan zodanig worden beperkt dat personen die de maatschap mogen vertegenwoordigen niet onnodig voor de voeten worden gelopen. De vennotenactie kan van regelend recht zijn, behalve in het geval de maatschap niet kan optreden of tegenstrijdige belangen aan adequaat optreden door de maatschap in de weg staan. Dit schept m.i. een goede balans tussen de individuele en collectieve belangen van de vennoten. De vennotenactie kan toepassing vinden bij kwesties van bestuurdersaansprakelijkheid en andere interne aangelegenheden (zoals de inbrengverplichting), maar bijvoorbeeld ook bij onenigheid over een transactie tussen de vennootschap en een partij die aan een vennoot gelieerd is.21
Perrick wil de deelgenotenactie (art. 3:171 BW) juist verder indammen, ten faveure van procederen in naam van de gezamenlijke deelgenoten. De medewerking van een onwillige deelgenoot kan volgens Perrick zo nodig worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter.22 Dit biedt geen oplossing voor procederen tegen een vennoot, als men aanneemt dat een maatschap dat niet kan.23 In de oplossing van Perrick moet de rechter voorts al in de machtigingsfase tot een (voorlopige) inhoudelijke beoordeling van het conflict komen. Hij heeft voor de gevraagde machtiging immers goede redenen nodig. De procedure bij de voorzieningenrechter leent zich daar niet voor. De deelgenoten- of vennotenactie, waarbij de eiser op eigen naam en op eigen kosten kan procederen, lijkt mij hanteerbaarder.
De vennotenactie die ik voorstel, lijkt sterk op de afgeleide actie die Kroeze in zijn proefschrift voor de NV en BV heeft bepleit.24 Wordt mijn suggestie voor het personenvennootschapsrecht gevolgd, dan kan dit wellicht een nieuwe impuls geven aan het idee voor een afgeleide actie bij de kapitaalvennootschappen.