Einde inhoudsopgave
E-arbitrage (BPP nr. VI) 2009/5.1
5.1 Nederland
Mr. J.P. Fokker, datum 04-05-2009
- Datum
04-05-2009
- Auteur
Mr. J.P. Fokker
- JCDI
JCDI:ADS393125:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Spaanse arbitragewet (Ley 6012003 de 23 de diciembre, de Arbitraje, in werking getreden op 26 maart 2004) maakt elektronisch ondertekende vonnisen mogelijk. Art. 37(3) luidt: 'A los efectos de lo dispuesto en el párrafo anterior, se entenderá que el laudo consta por escrito cuando de su contenido y firmas quede constancia y sean accesbiles para su ulterior consulta en soporte electrónico, óptico o de otro tipo', wat in vertaling erop neerkomt dat het vonnis wordt geacht schriftelijk te zijn wanneer de inhoud en handtekeningen elektronisch, optisch of op andere wijze zijn vastgelegd en geraadpleegd kunnen worden. Section 52(1) van de Engelse Arbitration Act luidt: (1) The parties are free to agree on the form of the award. (2)1f or to the extent that there is no such agreement, the following provisions apply. (3) The award shall be in writing signed by all the arbitrators or all those assenting to the award
Willem Elsschot. Uit zijn gedicht 'Het huwelijk' luidt het betreffende gedeelte: '... Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat ...' Bij sommigen, zoals schrijver dezes, brengt het overstappen van papieren naar elektronische vonnissen ook enige weemoedigheid teweeg.
Vgl. HR 21 januari 1966, NJ 1966, 214.
Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p.135.
Ook bij het arbitrale vonnis kan men de vraag stellen of al dat ouderwetse papier niet achterhaald is. Moeten we niet naar het on-line vonnis overstappen, een vonnis dat tot stand gekomen is nadat de arbiters on-line hebben beraadslaagd en dat is voorzien van hun elektronische handtekeningen?
Of is het ntl al mogelijk dat men het door de arbiters elektronisch ondertekende vonnis naar de rechter mailt met het verzoek het verlof tot tenuitvoerlegging elektronisch te verlenen, waarna het geheel naar de deurwaarder wordt gemaild voor tenuitvoerlegging? Spanje en Engeland maken elektronisch ondertekende arbitrale vonnissen al mogelijk.1
Bij de beantwoording zijn voor Nederland van belang Nederlands procesrecht en het Verdrag van New York 1958.
Terzijde: het is nu al wel zo dat het arbitrale vonnis spoedheidshalve on-line wordt verzonden naar partijen, gevolgd door een papieren versie. Daar is niets op tegen, mits niet verzuimd wordt die papieren versie te sturen; die is bepalend voor de datum. Vonnissen worden in voorkomende gevallen ook wel gefaxt, ook door de overheidsrechter.
Aan diegenen die dromen van een elektronische vonnis lijken op het eerste gezicht, zoals de dichter schrijft, wetten in de weg te staan en praktische bezwaren2
Art. 1057 lid 2 Rv schrijft immers voor dat het arbitrale vonnis op schrift wordt gesteld en door de arbiter of arbiters ondertekend. Weigert een minderheid van de arbiters te ondertekenen, dan wordt op grond van het derde lid door de andere arbiters onder het door hen ondertekende vonnis daarvan melding gemaakt. Deze melding wordt door hen ondertekend.3 Een overeenkomstige melding vindt plaats indien een minderheid niet in staat is te ondertekenen en niet verwacht kan worden dat het beletsel daartoe binnen korte tijd zal zijn opgeheven.
Hoe belangrijk het is dat het vonnis wordt ondertekend blijkt wel uit art. 1065 lid 1 onder d Rv. Daarin wordt bepaald dat grond voor vernietiging van het vonnis is dat het niet is ondertekend in overeenstemming met het in art. 1057 bepaalde. Het vonnis moet, naast de beslissing, in elk geval bevatten de namen en woonplaatsen van de arbiters, de namen en woonplaatsen van partijen, de dagtekening van de uitspraak, de plaats van de uitspraak en de gronden van de uitspraak.
De wetsgeschiedenis van art. 1057 geeft geen opheldering over het waarom van de eis van de ondertekening, maar het ligt voor de hand deze te zoeken in de volgende redenen, die de Werkgroep die de Model Law on electronic commerce voorbereidde, noemt: 1. identificering van de ondertekenaar en 2. zekerheid dat de persoon die ondertekent achter de inhoud van het vonnis staat.
Overigens: het gebeurde vroeger wel dat in arbitragereglementen werd bepaald, dat bij kwaliteits- en conditiebepalingen (de 'grijp- en knijparbitrages' uit de Inleiding) volstaan kon worden met een mondelinge uitspraak van het vonnis (meestal een uitspraak met betrekkelijk weinig varianten: kwaliteit is goed, of: kwaliteit is niet goed), maar dat lijkt mij nu in strijd met de wet (zie art. 1047 Rv over kwaliteitsarbitrage, in verbinding met art. 1057 lid 2 Rv, dat bepaalt dat het vonnis op schrift wordt gesteld). De huidige praktijk, dat het scheidsgerecht op verzoek van partijen mondeling uitspraak doet ter zitting, zodat partijen nog vóór ze de deur uit zijn weten waar ze aan toe zijn, en daarna het vonnis op schrift stelt en aan hen toestuurt, is echter naar mijn mening niet in strijd met de wet.
Voor overheidsrechtspraak geldt de regeling over de dagbepaling van de uitspraak en de inhoud van het vonnis, neergelegd in art. 229 en 230 Rv. Volgens de parlementaire geschiedenis van de herziening van het procesrecht met ingang van 2002 wordt onder de uitspraak verstaan de mededeling van de beslissing aan partijen, die het moment bepaalt waarop de rechterlijke beslissing haar werking verkrijgt en waarop de termijnen voor hoger beroep en cassatie aanvangen. Het vonnis is de schriftelijke neerslag en uitwerking van de beslissing die aan de eisen van art. 230 Rv voldoet, met dien verstande dat het pas een vonnis is als het daadwerkelijk is uitgesproken. Zonder schriftelijk stuk is er alleen een uitspraak en dus geen vonnis. De ideale situatie is dat het schriftelijke stuk al vóór de uitspraak gereed is. Uitzondering vormt het geval dat de rechter meteen uitspraak doet, bijvoorbeeld in kort geding of met toepassing van art. 232 Rv.4 Vonnissen die van zijn elektronische handtekening zijn voorzien produceert de Nederlandse rechter (nog) niet.
Het verschil met arbitrage zit hem daarin, dat naar huidig recht de uitspraak van het vonnis van de overheidsrechter in het openbaar plaatsvindt (zie art. 121 van de Grondwet en art. 20 RO) en dat arbitrale vonnissen niet in het openbaar worden uitgesproken. Van een uitspraak van een overheidsrechter is achteraf altijd na te gaan of deze is gedaan, omdat deze op het audiëntieblad wordt genoteerd. Voor een arbitrale uitspraak geldt dat niet.
Ook arbitragereglementen gaan doorgaans uit van schriftelijke vonnissen. Zo gaat art. 49 van het NAI-Arbitragereglement ervan uit dat het vonnis op schrift wordt gesteld. Het artikel schept de mogelijkheid van een arbitraal schikkingsvonnis. Indien partijen gedurende het geding tot een vergelijk komen, kan op hun verzoek de inhoud daarvan in een arbitraal vonnis worden vastgelegd. Het vonnis moet door partijen mede worden ondertekend. Ook hier wordt dus uitgegaan van een op schrift gesteld vonnis.
Hetzelfde geldt voor art. 1058 Rv, dat bepaalt dat het scheidsgerecht er zorg voor draagt dat elk vonnis in afschrift, getekend door een arbiter of de secretaris van het scheidsgerecht, aan partijen wordt toegezonden en voorts dat het origineel van een geheel of gedeeltelijk eindvonnis wordt gedeponeerd ('nedergelegd') ter griffie van de rechtbank binnen welker arrondissement de plaats van de arbitrage is gelegen.
Intussen zijn art. 3:15a en volgende BW in werking getreden (zie 2.8), waarin de elektronische handtekening is geregeld. Bieden deze artikelen wellicht een mogelijkheid tot erkenning van de elektronische handtekening onder het (arbitrale) vonnis? De artikelen zijn opgenomen in een afdeling met het opschrift 'elektronisch vermogensrechtelijk rechtsverkeer'. Een arbitraal vonnis kan (en zal vaak) een vermogensrechtelijk geschil betreffen, maar is zelf toch moeilijk te omschrijven als een vorm van 'vermogensrechtelijk verkeer'; daarbij denkt men toch eerder aan rechtshandelingen als het sluiten van overeenkomsten.
De artikelen vormen de uitwerking van de Richtlijn betreffende de elektronische handtekening. Ter herinnering: deze Richtlijn (die is besproken in 2.7) dient ter bevordering van de gemeenschappelijke markt. De vrees bestond dat uiteenlopende regels voor de wettelijke erkenning van elektronische handtekeningen en accreditatie van certificatiedienstverleners in de lidstaten grote belemmeringen zouden kunnen opwerpen voor het gebruik van elektronische apparatuur. Men krijgt niet de indruk dat hierbij de behoefte heeft bestaan het elektronisch ondertekenen van (arbitrale) vonnissen mogelijk te maken.
Maakt dan de schakelbepaling van art. 3:15c BW het elektronisch ondertekende (arbitrale) vonnis wellicht mogelijk? Daarin wordt bepaald dat buiten het vermogensrecht de bepalingen van de afdeling overeenkomstige toepassing vinden, 'voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet'. Toepassing van het artikel zou schakeling naar een te hoge versnelling betekenen waardoor de zaak uit de bocht zou vliegen; een vonnis is immers geen rechtshandeling of rechtsbetrekking. Bovendien blijkt uit de in 2.8 aangehaalde wetsgeschiedenis dat de wetgever heeft gedacht aan toepassing in het bestuursrecht of eventueel strafrecht, niet aan het burgerlijk procesrecht.
In dit verband valt ook te wijzen op het nieuwe art. 33 Rv, dat het elektronisch indienen van processtukken pas mogelijk maakt als de gerechten er klaar voor zijn, wat nu nog niet het geval is, het elektronische verkeer is nu beperkt tot rolberichten. Over het elektronische vonnis van de rechter wordt geheel gezwegen.
Art. 31 lid 1 van de UNCITRAL Model Law on international commercial arbitration bepaalt: 'The award shall be made in writing and shall be signed by the arbitrator or arbitrators. In arbitral proceedings with more than one arbitrator, the signaturen of the majority of all members of the arbitral tribunal shall suffice, provided that the reason for any omitted signature is stated'.
Hieraan valt toe te voegen dat in het op 7 juli 2006 gewijzigde art. 7 van de Model Law (in de eerste van de twee mogelijke teksten ter keuze) in lid 2 eveneens wordt geëist dat de arbitrale overeenkomst 'shall be in writing', maar dat daaraan in lid 4 wordt toegevoegd dat aan de eis van 'in writing' ook wordt voldaan door een 'electronic communication', door elektronische, magnetische, optische of dergelijke middelen. Die toevoeging ontbreekt aan art. 31 van de Model Law. Dit is een reden te meer om aan te nemen dat het vonnis op papier moet komen en dat niet volstaan kan worden met een elektronisch vonnis, dat elektronisch is ondertekend.
Het ligt ook voor de hand dat het arbitrale vonnis op papier wordt gesteld en met de hand wordt ondertekend.
Hoe zou, om maar eens iets te noemen, een arbitraal vonnis kunnen worden voorzien van een verlof tot tenuitvoerlegging? Art. 1062 lid 2 Rv eist immers dat het verlof wordt aangetekend op het origineel van het vonnis, of indien geen nederlegging heeft plaatsgevonden, wordt opgenomen in een beschikking, En hoe zou het door een deurwaarder kunnen worden ten uitvoer gelegd, of hoe zou het ter vernietiging aan de rechter kunnen worden voorgelegd, als het niet op schrift was gesteld?
De Werkgroep Van den Berg stelt voor (in art. 1072 BB van haar voorstel) te bepalen dat de wettelijk toegestane elektronische handtekening van arbiters geldt als een ondertekening van het vonnis, zoals vereist in art. 1057 lid 2 (dat wil zeggen: de handtekening die voldoet aan het bepaalde in art. 3:15a lid 1 en 2 BW, zoals besproken in 2.7 en 2.8 hiervoor). Een kopie van een elektronisch vonnis dat is voorzien van een dergelijke elektronische handtekening zou volgens de Werkgroep gelijk moeten worden gesteld met een origineel en een gewaarmerkt afschrift van een vonnis. In de summiere toelichting op het voorstel lezen we dat met een elektronische handtekening de tekst van het vonnis en de handtekening onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, in die zin dat iedere wijziging die naderhand wordt aangebracht het vonnis onleesbaar maakt.
De voorgestelde bepaling zou de bezwaren in beginsel kunnen wegnemen, zij het dat vragen als 'wat is voldoende betrouwbaar' (zie 2.11) hiermee niet meteen worden opgelost.
Art. 1065 aanhef en onder e Rv bepaalt dat het arbitrale vonnis kan worden vernietigd als het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, strijdt met de openbare orde.
Te denken valt daarbij in de eerste plaats aan schending van fundamentele beginselen van procesrecht, zoals het beginsel van hoor en wederhoor of het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Ook schending van andere beginselen, formele en materiële voorschriften van openbare orde komt in aanmerking als grond voor vernietiging procesrecht, al gebeurt dat weinig aldus Snijders.5Zolang de wet niet is gewijzigd zal, zo moet de conclusie zijn, een niet volgens de regels met de hand ondertekend vonnis in strijd zijn met de openbare orde en dus in aanmerking voor vernietiging komen.
Art. 1075 Rv bepaalt dat een in een vreemde Staat gewezen arbitraal vonnis waarop een erkennings- en tenuitvoerleggingsverdrag van toepassing is, in Nederland kan worden erkend en ten uitvoer gelegd. Te denken valt in de eerste plaats aan het Verdrag van New York 1958. Dit is van toepassing op de erkenning van overeenkomsten tot arbitrage evenals op de erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken, gewezen op het grondgebied van een andere Staat dan die waar erkenning en tenuitvoerlegging van zodanige uitspraken wordt verzocht (zie art. I lid 1 van het Verdrag).
Ook al blijkt dit niet uit de officiële naam van het Verdrag, het heeft dus ook betrekking op de erkenning van overeenkomsten tot arbitrage.
Ook als géén erkennings- of tenuitvoerleggingsverdrag van toepassing is kan een in een vreemde Staat gewezen arbitraal vonnis toch in Nederland worden erkend en kan daarvan in Nederland tenuitvoerlegging worden verzocht, tenzij de rechter oordeelt dat de erkenning of tenuitvoerlegging strijdig is met de openbare orde, of als de partij tegen wie erkenning of tenuitvoerlegging wordt verzocht bewijst dat aan bepaalde voorwaarden niet is voldaan; zie art. 1076 lid 1 Rv. Hetzelfde geldt als een toepasselijk verdrag toelaat zich te beroepen op de wet van het land waar de erkenning of tenuitvoerlegging wordt verzocht. Dit laatste is het geval bij het Verdrag van New York 1958.