Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.4:2.4 Conclusie administratieplicht: vrijheid voor de administratieplichtige
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.4
2.4 Conclusie administratieplicht: vrijheid voor de administratieplichtige
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180031:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 17 725, Tweede Kamer, vergaderjaar 1982-1983, nr. 3 (MvT), p. 57 en paragraaf 2.3.4.2.
Kamerstukken 21 287, Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, nr. 3 (MvT), p. 11 en paragraaf 2.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het hiervoor gegeven overzicht van de parlementaire geschiedenis van de artikelen 3:15i lid 1 BW en 2:10 lid 1 BW en hun voorgangers volgt dat ten aanzien van de administratieplicht drie periodes te onderkennen zijn:
de periode tot 1 juli 1976, waarin alleen artikel 6 WvK van toepassing was;
de periode vanaf 1 juli 1976 tot en met 31 december 1993, waarin zowel artikel 6 lid 1 WvK als artikel 2:14 lid 1 BW van toepassing was; en
de periode vanaf 1 januari 1994, waarin de artikelen 3:15i lid 1 (3:15a lid 1 oud) BW en 2:10 lid 1 BW van toepassing waren.
De wetgever heeft met zowel de civielrechtelijke als de fiscaalrechtelijke administratieplicht beoogd vrijheid te laten aan de administratieplichtige voor wat betreft de inrichting van de administratie. Wettelijk uitgangspunt is dat van de vermogenstoestand en van alles betreffende beroep, bedrijf of werkzaamheid van de rechtspersoon, naar de eisen van het beroep, bedrijf of die werkzaamheden van de rechtspersoon een zodanige administratie wordt gehouden dat te allen tijde de rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.
Voor het niet verder invullen van de minimumvereisten waaraan de administratie moet voldoen werden in het kader van de wetswijzigingen van artikel 6 WvK twee redenen genoemd, namelijk dat er geen behoefte zou bestaan aan nadere regels hieromtrent en dat de voortschrijdende techniek de gestelde inhoudelijke eisen op korte termijn zou kunnen achterhalen.1 Uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen volgen nog twee redenen waarom de wetgever er niet voor heeft gekozen om de minimumvereisten die aan een administratie gesteld moeten worden wettelijk vast te leggen. Ten eerste zou hier een verstarrende werking van kunnen uitgaan en ten tweede zou dit de vrijheid beperken van de administratieplichtige om zelf te bepalen hoe de administratie wordt ingericht.2
Uit de parlementaire geschiedenis kan wel worden afgeleid dat de op grond van de civielrechtelijke administratieplicht te stellen minimumeisen afhankelijk zijn van onder andere de aard, omvang en complexiteit van een bedrijf, beroep of werkzaamheid van een rechtspersoon.