Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/64.5
64.5 Codificatie van rechtspraak?
mr. dr. C.N.J. Kortmann, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. C.N.J. Kortmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
L.J.A. Damen, ‘Is de burger triple A: alert, argwanend, assertief, of raakt hij lost in translation’, in: L.J.A. Damen, C.N.J. Kortmann & R.F.B. van Zutphen, Vertrouwen in de overheid (VAR-reeks 160), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2018, gehele preadvies, i.h.b. par. 7, en C.N.J. Kortmann, ‘Het vertrouwensdilemma’, in: L.J.A. Damen, C.N.J. Kortmann & R.F.B. van Zutphen, Vertrouwen in de overheid (VAR-reeks 160), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2018, par. 4.5 en 5.1.
Damen 2018, par. 8.
Hoewel zij zijn geschreven voor de niet-ideale burger, ambtenaar en rechter, berusten de vuistregels zelf ook weer op een ideaalbeeld, namelijk dat zij consequent worden toegepast. Damen onderkent dat natuurlijk (ibidem, par. 7, slot).
Toelichting op de Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 21 januari 2003, nr. 03M448108 tot (hernieuwde, CK) vaststelling van de Aanwijzingen voor convenanten, Stcrt. 2003, nr. 18.
Vgl. Damen 2018, par. 4.3 en Kortmann 2018, par. 3.5.
In de rechtspraak wordt de concrete, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke uiting over een specifiek feitencomplex van een individueel geval die een bepaalde handelwijze van het bestuursorgaan in het vooruitzicht stelt, vaak afgekort tot toezegging.
De discussie over de vraag of dispositie een voorwaarde is voor binding, laat ik hier even voor wat zij is. Zie bevestigend T.A. Cramwinckel & N. van Triet, ‘Het dispositievereiste en het vertrouwensbeginsel bij toezeggingen en inlichtingen’, NTB 2016/16, p. 130-142.
Vgl. N. de Vos, Europeanisering van het vertrouwensbeginsel, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 246, die meent dat het risico van ongewenste verstarring van het leerstuk kan worden vermeden door te aanvaarden dat een bepaling van de Awb voor interpretatie vatbaar is.
Het adagium dat de burger wordt geacht de wet te kennen is al weinig realistisch. Dat geldt a fortiori voor kennis van (de hoofdlijnen van) de rechtspraak.
Ik verwijs graag naar het treffende en hilarische voorbeeld van N. Verheij in zijn ‘Vertrouwen op de overheid’, in: J.B.M. Vranken, N. Verheij & J. de Hullu, Vertrouwensbeginsel en rechtszekerheid in Nederland (Preadviezen voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, par. 5.4. De kern ervan is geciteerd op p. 125 van Kortmann 2018.
Bovendien verschilt dit per rechtsgebied. Gerechtvaardigd vertrouwen bindt relatief sterk in het civiele en het fiscale recht, relatief zwak in het omgevingsrecht. Zie Kortmann 2018, par. 3.7.
Een goede uitzondering vormen de uitspraken inzake Cleaning Service Veghel, ABRvS 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3683, AB 2016/415 m.nt. M.K.G. Tjepkema en ABRvS 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1753, maar deze maken nog geen jurisprudentiële lijn.
I.e. codificatie zonder modificatie en/of transformatie.
De preadviezen voor de VAR van het afgelopen jaar schetsen een somber beeld van de staat van het vertrouwensbeginsel in ons recht. Burgers vertrouwen al te gemakkelijk op verklaringen van overheidswege, bestuursorganen beroepen zich op de wet, het algemeen belang en belangen van derden om schending van opgewekt vertrouwen te rechtvaardigen en rechters hebben zichtbaar moeite om over de gehele breedte van het bestuursrecht een consistente en aansprekende toepassing van het vertrouwensbeginsel te realiseren.1 Om ongelukken te voorkomen heeft Damen vuistregels voor burgers, bestuursorganen en rechters ontwikkeld,2 maar gelet op zijn annotaties moet worden gevreesd dat de bekendheid van die vuistregels nog beperkt is.3 Voor een andere set vuistregels, de aanwijzingen voor convenanten, geldt hetzelfde, zo blijkt uit evaluatieonderzoek.4 Op het gezichtspunt ontoegankelijkheid scoort het vertrouwensbeginsel consequent hoog.
De bestuursrechtspraak over het vertrouwensbeginsel gaat in twee stappen.5 De eerste stap is of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen. Dat is slechts zo als sprake is van een concrete, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke uiting over een specifiek feitencomplex van een individueel geval, gedaan door het bevoegde bestuursorgaan of aan dat bestuursorgaan toe te rekenen, die een bepaalde handelwijze van het bestuursorgaan in het vooruitzicht stelt, tenzij de burger begreep of had moeten begrijpen dat deze toezegging6 niet nagekomen zou, kon of behoefde te worden. De tweede stap is of dit gerechtvaardigde vertrouwen gehonoreerd moet worden. Dat is in beginsel het geval. Het kan echter zijn dat een zwaarder wegend belang (de wet, beleid of een ander individueel of algemeen belang) zich tegen honorering van het vertrouwen verzet.7
Het lijkt een kleine stap om deze rechtspraak te codificeren,8 maar helpt het? Ik vrees van niet. Het probleem met het vertrouwensbeginsel is niet dat het tweestappenschema onvoldoende bekendheid geniet bij bestuursrechtjuristen, maar dat de praktijk, de niet-bestuursrechtelijk geschoolde ambtenaar en burger, er niet mee uit de voeten kan.9 De belangrijkste problemen zijn bekend. (i) Wordt vertrouwen opgewekt in de mondelinge sfeer dan ontstaan bij geschillen doorgaans onoplosbare bewijsproblemen. (ii) Vertrouwen wordt vaak opgewekt door onbevoegden, althans door ambtenaren of bestuurders van wie de bevoegdheid onduidelijk is.10 De bescherming van onbevoegd opgewekt vertrouwen is laag. (iii) Het is moeilijk te voorspellen of het vertrouwensbeginsel in de belangenafweging het onderspit delft.11 (iv) Er is geen lijn te ontdekken in de rechtspraak over compensatie na schending van gerechtvaardigd vertrouwen.12
Een zuivere codificatie13 van de rechtspraak biedt voor deze problemen geen oplossing. De eerste drie problemen vloeien voort uit de toepassing van rechtspraak en niet uit de toegankelijkheid ervan. Het vierde probleem is het ontbreken van coherente rechtspraak zelf. Codificatie zal dus gepaard moeten gaan met specificatie en modificatie, om in Gerards’ termen te blijven. Verrassend vond ik, dat de in paragraaf 4 beschreven geschiedenis van non-codificatie interessante aanknopingspunten voor codificatie biedt.