De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.2:26.2 liet aanvangsmoment van de verjaringstermijn
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.2
26.2 liet aanvangsmoment van de verjaringstermijn
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367799:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens art. 10 lid 1 van de WAM verjaart de vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar door verloop van drie jaar te rekenen van het feit waaruit de schade is ontstaan.
Art. 10 lid 1 WAM bepaalt: "Een uit deze wet voortvloeiende rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar verjaart door verloop van drie jaar te rekenen van het feit waaruit de schade is ontstaan."
Daar de WAM ziet op "de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven", zal dat feit over het algemeen het verkeersongeval zijn.
Het aanvangsmoment van deze verjaringstermijn is dus niet kennisafhankelijk, zoals de relatieve termijn van art. 3:310 lid 1 BW, maar doet veeleer denken aan het objectief bepaalde aanvangsmoment van de absolute termijn uit art. 3:310 lid 1 BW. Het voordeel van een objectief bepaald aanvangsmoment is dat het zich eenvoudig laat vaststellen. Er is nauwelijks of geen rechtspraak over de vraag welk moment heeft te gelden als "het feit waaruit de schade is ontstaan".
Een nadeel van een objectief bepaald aanvangsmoment is, zoals de ervaring met de objectieve termijn van art. 3:310 BW leert, dat het zich kan voordoen dat de vordering verjaart, nog voordat de benadeelde in staat was zijn vordering in te stellen. Dat onvermogen kan voortvloeien, bijvoorbeeld, uit het feit dat de benadeelde pas vier jaar na het ongeval met zijn schade bekend raakt (denk aan sluipende gezondheidsschade). Die consequentie is reeds wat betreft de absolute termijn van twintig jaar moeilijk te aanvaarden, dus al helemaal als de termijn slechts drie jaar heeft bedragen.
Lastig voorspelbaar is hoe de rechter zal oordelen in een casus waarin deze problematiek zich in alle scherpte voordoet. Stel dat een benadeelde inderdaad binnen de termijn van drie jaar niet in staat is zijn vordering in te stellen doordat de door het ongeval veroorzaakte gezondheidsschade zich pas manifesteert vier jaar na het feit waaruit de schade is ontstaan, en het bovendien zo is dat de WAM-vordering de enige vordering is die hem praktisch gesproken ter beschikking staat.
De Bosch Kemper en Gruben schrijven: "De regel dat de verjaringstermijn begint te lopen op het moment van het feit waaruit de schade is ontstaan, kan soms hard uitpakken, maar de wet heeft nu eenmaal niet meer te bieden"1
Inderdaad is blijkens de toelichting op de Benelux-overeenkomst die aan de WAM ten grondslag ligt 2 beoogd dat de verzekeraar niet nog lang na het voorval blootgesteld zou moeten zijn aan rechtsvorderingen van de benadeelde. "Daarom bepaalt artikel 10, dat de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar verjaart door verloop van drie jaar te rekenen van de dag van het ongeval. Dit zal ook het geval zijn wanneer de benadeelde het recht behoudt tegen de verzekerde een vordering in te stellen na verloop van die termijn, bijv. gedurende dertig jaar."
De tekst van en de toelichting op art. 10 lid 1 WAM nodigen dus niet uit tot grote souplesse bij toepassing van de verjaringstermijn. Als tegenargument kan men aanvoeren dat de Hoge Raad in Van Hese/De Schelde3 heeft laten zien dat de verjaringsdiscussie met de enkele verwijzing naar de tekst van de wet en de bedoeling van de wetgever nog niet beslecht is: daar bepaalde hij immers dat een beroep op de absolute verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW in strijd kan zijn met de redelijkheid en billijkheid. In dat kader bedenke men nog dat art. 3:310 lid 1 BW de zinsnede "in ieder geval" na twintig jaar bevat; een zo dwingende frase is in art. 10 lid 1 van de WAM niet aan te wijzen.
Daar valt tegenin te brengen dat die asbestzaken met een WAM-vordering onvergelijkbaar zijn, omdat het in de asbestzaken gaat om de enige vordering die de benadeelde heeft, namelijk die tegen de laedens, terwijl de WAM-vordering een extra voorziening is die de benadeelde naast zijn vordering tegen de rechtstreeks aansprakelijke partij toekomt. Dat subsidiaire karakter zou de geringere geldingsduur van dat recht kunnen billijken. Bovendien is uiteindelijk de uitleg van de WAM voorbehouden aan het Benelux-Gerechtshof; of dat, om te komen tot een slachtoffervriendelijke uitleg van de WAM, zou voelen voor een tournure, vergelijkbaar met het aanwenden van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid door de Hoge Raad in Van Hese/De Schelde, valt te bezien.
Wel valt er ter verdediging van een slachtoffervriendelijke uitleg van art. 10 nog op te wijzen dat de WAM ten doel heeft te bevorderen dat de geldelijke schade die verkeersslachtoffers lijden, zoveel mogelijk wordt vergoed.
Al met al kan men er dus over twijfelen of in ons voorbeeld tot de honorering of de verwerping van het verjaringsberoep zou worden beslist.
Ter voorkoming van misverstanden ten slotte: de directe actie van het nieuwe verzekeringsrecht, neergelegd in art. 7:954 BW, is voor het voorgaande niet van belang, doordat dat artikel ingevolge zijn zevende lid niet van toepassing is voor zover de benadeelde "door de wet jegens de verzekeraar een eigen recht op schadevergoeding is toegekend"; de directe actie uit de WAM is het voorbeeld bij uitstek waarin door de wet jegens de verzekeraar een eigen recht op schadevergoeding is toegekend.