De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/25.1:25.1 Verjaring in het nieuwe verzekeringsrecht; algemeen
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/25.1
25.1 Verjaring in het nieuwe verzekeringsrecht; algemeen
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366542:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Krachtens art. 7:942 lid 1 BW verjaart de rechtsvordering tegen de verzekeraar door verloop van drie jaar nadat de verzekerde met de opeisbaarheid van de uitkering bekend is geworden.
Het tot 1 januari 2006 geldende recht kende geen bijzondere regeling voor de verjaring van de rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van uitkering. Het na januari geldende recht kent die bijzondere bepaling wel: krachtens art. 7:942 lid 1 BW verjaart de rechtsvordering tegen de verzekeraar door verloop van drie jaar nadat de verzekerde met de opeisbaarheid van de uitkering bekend is geworden.
Onder het oude recht werd de vordering verjaringsrechtelijk beheerst door het algemene art. 3:307 BW, dat bepaalde dat de vordering verjaarde vijf jaar na opeisbaarheid. Het nieuwe recht brengt op dit punt dus een verkorting van de termijn en een wat anders geformuleerd aanvangsmoment.
Voor integrale bespreking van art. 7:942 BW wordt verwezen naar de handboeken1 en wat betreft de aansprakelijkheidsverzekering in het bijzonder naar een publicatie van Frenk.2 Hierna gaat de aandacht uit naar de verjaring van de 'directe actie', omdat zich daar de meeste complicaties lijken voor te doen.