Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.3.5:3.3.5 De plaats van de klacht in het rechtsgeding
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.3.5
3.3.5 De plaats van de klacht in het rechtsgeding
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946185:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 juni 1914, NJ 1914, p. 1079.
Hierop wordt dieper ingegaan in hoofdstuk 4, waarin aandacht wordt besteed aan de vraag hoe een klacht zich verhoudt tot de wederrechtelijkheid van het handelen waarop de klacht ziet.
HR 2 december 1947, NJ 1948/65; HR 19 september 1988, DD 1989, p. 193 en HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7555.
HR 2 november 1993, NJ 1994/197, m.nt. Van Veen.
Noot Van Veen bij HR 2 november 1993, NJ 1994/197, paragraaf 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot verdient een aantal strafzaken bespreking dat licht doet schijnen op de plaats die de klacht inneemt in het rechtsgeding. In een zaak uit 1914 werd in cassatie geklaagd dat in het arrest van het gerechtshof slechts art. 266 Sr (betreffende eenvoudige belediging) was vermeld en dat bij de artikelen waarop de veroordeling is gestoeld art. 269 Sr (waarin het strafbare feit aan een klachtvereiste is gekoppeld) onvermeld bleef. De Hoge Raad bevestigt dat het bestaan van een klacht noodzakelijk is voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar zet vervolgens uiteen dat het wetsartikel waaruit de klacht volgt geenszins de onmiddellijke grondslag vormt voor de veroordeling en dat dit wetsartikel niet een geheel vormt met art. 266 Sr.1 Deze opvatting van de Hoge Raad doet afbreuk aan de gedachte dat het al dan niet bestaan van een klacht de materiële strafbaarheid van het strafbare feit raakt.2 In de rechtspraktijk is nadien niet meer afgeweken van deze opvatting. Het is tegenwoordig algemeen geaccepteerd dat de klacht niet uit het vonnis en evenmin uit de bewijsmiddelen behoeft te blijken. Er is slechts vereist dat ter terechtzitting het bestaan van een klacht wordt vastgesteld.3 Die vaststelling geschiedt in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
Tot slot wijs ik in dit verband op een bijzondere zaak uit 1993 die ziet op de belediging van twee ambtenaren in functie.4 In de betreffende zaak was uitsluitend (het in art. 266 Sr vervatte klachtdelict) eenvoudige belediging ten laste gelegd. De tenlastelegging was dus niet toegesneden op het beledigen van ambtenaren in functie als in art. 267 lid 2 Sr, ondanks dat voor de vervolging van dat feit op grond van art. 269 Sr geen klacht is vereist. De Hoge Raad stelt vast dat geen klacht is ingediend, maar wijst erop dat in de bewijsmiddelen bij het arrest van het gerechtshof de vaststelling besloten ligt dat het gaat om belediging van ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Dit brengt de Hoge Raad tot de conclusie dat het gaat om een geval als bedoeld in art. 267 lid 2 Sr, waardoor voor de vervolging van het ten laste gelegde geen klacht is vereist. Dit is mijns inziens een erg ongelukkig arrest, omdat sprake is van grondslagverlating. Van Veen wijst er in diens noot bij dit arrest op dat het oordeel systematisch niet gemakkelijk is te plaatsen nu een veroordeling voor een klachtdelict in stand wordt gelaten, terwijl is vastgesteld dat een klacht ontbreekt.5
Dit oordeel betreft gelukkig een anomalie die geen navolging heeft gekregen. Daarbij verdient opmerking dat het probleem in deze zaak niet ontstaat door het ontbreken van een klacht. Van de betreffende politieagenten behoefde geen klacht te worden verwacht. Het betrof immers een overtreding van art. 267 lid 2 Sr en dit is geen klachtdelict. Het probleem ontstaat, doordat de officier van justitie uitsluitend art. 266 Sr ten laste heeft gelegd. Het heeft er alle schijn van dat de Hoge Raad zich in juridische bochten heeft gewrongen om de veroordeling in stand te laten, zodat de beledigde politieagenten niet de dupe zouden worden van een gebrekkige tenlastelegging. Het was (vanuit formeel-juridisch oogpunt) echter beter geweest het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging en daarmee de officier van justitie af te rekenen op de gebrekkig opgestelde tenlastelegging. Het oordeel in deze zaak vertroebelt immers de – verder onbetwiste – opvatting dat een veroordeling voor een klachtdelict uitsluitend kan standhouden, indien sprake is van een klacht.