Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/4.1.5
4.1.5 Verdere inkadering en verval van niet-ontvankelijkverklaring als mogelijkheid
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS613038:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
In HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5361, sloeg de HR de uitnodiging van AG Vellinga af deze regels aan te passen.
Zie bijv. HR 22 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2667, NJ 2001/440 (niet-ontvankelijkheid in vervolging ter zake van bijstandsfraude waarvoor verdachte in appel was veroordeeld tot 4 weken gevangenisstraf bij ruim 5 jaren inactiviteit van het OM wat betreft betekenen verstekmededeling); HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD1831, NJ 2001/517 (niet-ontvankelijkheid in vervolging ter zake van heling en medeplegen valsheid in geschrifte waarvoor verdachte in appel tot 5 maanden gevangenisstraf was veroordeeld bij ruim 4 jaar inactiviteit na instellen appel, waardoor feiten inmiddels 10 jaren geleden waren begaan toen de HR arrest wees). Zie ook HR 19 juni 2001, ECLI:NL: HR:2001:AB2247, NJ 2001/551 en HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3134 (nietontvankelijkheid in vervolging ter zake van zware mishandeling bij ongeveer 7 en een half jaar inactiviteit wat betreft betekenen verstekmededeling, waardoor feiten inmiddels 12 jaren geleden waren begaan toen de HR arrest wees).
Zie HR 23 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2277, NJ 2009/308.
Zoals het OM ook al betoogde in zijn cassatiemiddel in HR 18 november 1980, NJ 1981/118 en waarover Van Veen in zijn noot opmerkte dat alleen ‘slijtage’ van het materiaal dat de onschuld van de verdachte aan het licht kan brengen voor hem van belang is. ‘Slijten van het bewijsmateriaal zelf zou veeleer een reden voor het OM zijn om aan te dringen op afhandeling van de zaak.’
Zie bijv. HR 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2293, NJ 2001/328 (niet-ontvankelijkheid in vervolging ter zake van drugsdelicten betreffende ongeveer 40 kg cocaïne en 11 kg hasj na overschrijding berechtingstermijn in eerste aanleg met 2 maanden en in appel met 9 1/2 maand, terwijl het een ingewikkelde zaak betrof en de wijze waarop verdachte van zijn verdedigingsrechten gebruik had gemaakt tot vertraging had geleid); HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2109, NJ 2002/537 (niet-ontvankelijkheid in vervolging ter zake van afpersing mbv vuurwapen bij 5 maanden overschrijden uitspraaktermijn in appel, mede als gevolg van defungeren raadsman in appel); HR 27 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6460 (niet-ontvankelijkheid in vervolging ter zake van zware mishandeling waarvoor in eerste aanleg 18 maanden gevangenisstraf was opgelegd waarvan 6 maanden voorwaardelijk en de tenuitvoerlegging van 4 weken gevangenisstraf was gelast, na overschrijding uitspraaktermijn in eerste aanleg met 5 maanden, mede als gevolg van nader onderzoek op verzoek van de verdediging en overschrijding van de uitspraaktermijn in appel met 1 jaar en 5 maanden); HR 21 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8921 (niet ontvankelijkheid in ontnemingszaak bij overschrijding uitspraaktermijn in appel met 1 jaar en 7 maanden); HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9179, NJ 2008/226 (niet-ontvankelijkheid in ontnemingsvordering van € 60.304,67 na overschrijding redelijke termijn in appel met 3 jaren en 10 maanden); HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7913 (niet-ontvankelijkheid in ontnemingsvordering van bijna € 200.000,- bij overschrijding uitspraaktermijn in appel met 3 jaren en 2 maanden) HR 25 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7712, NJ 2008/197 (nietontvankelijkverklaring in vervolging ter zake van medeplegen hard- en softdrugshandel/ export en deelneming als bestuurder aan criminele organisatie bij overschrijding totale berechtingstermijn voor twee instanties met nog geen 7 maanden, maar waarin de berechting in appel bijna 4 jaren nam). In al deze gevallen achtte de HR de uitgesproken niet-ontvankelijkheid ontoereikend gemotiveerd.
Zie bijv. HR 6 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD8355, NJ 2002/151 en HR 15 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8364, NJ 2004/416.
Zie conclusie AG Wortel voor HR 25 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7712, NJ 2008/197.
In het meest recente overzichtsarrest betreffende de redelijke termijn1 – HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis – is de inzendtermijn verkort in jeugdstrafzaken en in zaken waarin de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert. Daarnaast bestaat de belangrijkste aanpassing in het neerwaarts bijstellen van de rechtsgevolgen van termijnschendingen. Niet-ontvankelijkverklaring van het OM als reactie is niet meer mogelijk, de toe te passen mate van strafvermindering is verlaagd en uitdrukkelijk is onder de aandacht gebracht dat het de rechter onder omstandigheden vrij staat te volstaan met de constatering van de schending. Deze veranderingen liet de Hoge Raad per direct ingaan.
Aan bijvoorbeeld de keuze van de Hoge Raad om niet-ontvankelijkverklaring uit te sluiten als mogelijke reactie op overschrijding van de redelijke termijn moet een afweging van de voor- en nadelen daarvan ten grondslag liggen. Die afweging is in het arrest, anders dan door te wijzen op de gewijzigde verjaringsregels die kennelijk als toereikende waarborg werden beschouwd voor het met niet-ontvankelijkverklaring te dienen belang, niet zichtbaar gemaakt. Kennelijk vond de Hoge Raad, hoewel hij de toepassing van dit rechtsgevolg na het overzichtsarrest van 2000 in enkele gevallen toereikend gemotiveerd vond,2 de voordelen van het voortbestaan van de mogelijkheid van deze reactie niet opwegen tegen de nadelen.
Als voordelen kunnen worden genoemd dat in extreme gevallen van termijnoverschrijding, vooral met het oog op de langdurige onzekerheid voor de verdachte of bijvoorbeeld in verband met de doeleinden van het jeugdstrafrecht, niet-ontvankelijkverklaring een passende reactie kan vormen. Niet-ontvankelijkheid is geen passende reactie in verband met het verbleken van de herinnering van de verdachte en getuigen.3 Indien de rechter het bewijsmateriaal kwalitatief tekort vindt schieten, behoort hij vrij te spreken.4 In zijn noot onder het meest recente overzichtsarrest betoogt Mevis dat de rechter zijn irritatie over een lakse gang van zaken aan de zijde van het OM tot uitdrukking zou moeten kunnen brengen in niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Het voordeel dat de dreiging van niet-ontvankelijkverklaring een stimulans oplevert voor het OM om laksheid te vermijden, achtte de Hoge Raad kennelijk niet opwegen tegen de nadelen van een te ruimhartig gebruik van deze ultieme reactie. Overigens vind ik de irritatie van de rechter geen goede maatstaf en ook geen basis om de toepassing van reacties op vormfouten op te gronden. Waarschijnlijk bedoelt de annotator dat ook niet werkelijk te bepleiten, maar ik sla op zijn woorden aan, omdat men in de rechtspraak van rechtbanken en hoven inderdaad wel beslissingen tegen komt waarin irritatie (mede) aan de basis lijkt te liggen van de toepassing van ingrijpende reacties. Het afkappen van waarheidsvinding en inhoudelijke berechting, de kerndoelen van het strafproces, moet geen wisselgeld zijn voor optreden van politie of OM dat de rechter irriteert. Dat is al snel te zeer verbonden met persoon van de geïrriteerde rechter en leidt dus tot rechtsongelijkheid. Ook staat het op gespannen voet met de terughoudendheid die de rechter in mijn ogen ook uit hoofde van de scheiding der machten aan de dag dient te leggen bij het verhinderen van een door de uitvoerende macht gewenste berechting.
Interessant is dat de Hoge Raad wees op de aangepaste wettelijke verjaringsregeling. Hier is zichtbaar hoe wetswijziging van invloed kan zijn op het reageren op vormverzuimen. Worden de belangen die worden gediend met het controleren en reageren op bepaalde vormfouten toereikend op andere wijzen gediend, dan kan de zittingsrechter zich in dat opzicht terugtrekken. Die situatie deed zich hier naar de opvatting van de Hoge Raad voor, althans wat betreft de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding van de redelijke termijn. De nadelen van het laten bestaan van de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding van de redelijke termijn hebben hierbij vermoedelijk ook een rol gespeeld. Het belangrijkste nadeel lijkt te zijn dat door de feitenrechter te gemakkelijk werd aangenomen dat sprake was van een uitzonderlijk geval waarin niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking kwam.5 Daarnaast werd door advocaten zowel in feitelijke aanleg als in cassatie veelvuldig betoogd dat deze reactie zou moeten volgen in gevallen die daarvoor niet in aanmerking kwamen. Dit leidde volgens AG Wortel, tot een ‘stroom van cassatieberoepen van verdachten waarbij het omslagpunt van strafvermindering naar niet-ontvankelijkverklaring schromelijk wordt onderschat’,6 die volgens hem mede werd veroorzaakt door onduidelijkheid in de rechtspraak van de Hoge Raad over de voor dit omslagpunt bepalende factoren.7 Dit onderstreept dat ook uit een oogpunt van efficiënte rechtspleging duidelijkheid belangrijk is.