Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/3.5:3.5 Conclusie
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/3.5
3.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met dit hoofdstuk is inzicht gegeven in het budgetrecht, het karakter, de omvang en de betekenis ervan in het huidige parlementaire stelsel. Het budgetrecht is grondwettelijk verankerd in artikel 105 Grondwet en waarborgt democratische betrokkenheid bij de besluitvorming over de begroting. Artikel 105 Grondwet stelt formele eisen aan de vaststelling, indiening en controle van en verantwoording over de begroting. Volgens artikel 105 Grondwet dient de begroting jaarlijks bij wet te worden vastgesteld, door de regering en het parlement gezamenlijk, dient de begroting te worden ingediend op een vast tijdstip, leggen de ministers verantwoording af aan het parlement voor het gevoerde financieel beheer en bestuur (comptabele ministeriële verantwoordelijkheid) en wordt de begroting gecontroleerd door het parlement aan de hand van de door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening.
Aan de grondwettelijke verankering van het formele budgetrecht is een lange machtsstrijd tussen de regering en het parlement vooraf gegaan waarin het parlement het budgetrecht in fases heeft veroverd (hoofdstuk 2). Deze machtsstrijd heeft geresulteerd in de totstandkoming van een aantal begrotingsbeginselen die eisen stellen aan de begroting. Deze beginselen vullen artikel 105 Grondwet verder in en zijn deels gecodificeerd in de Comptabiliteitswet. Door tegemoet te komen aan deze formele begrotingsbeginselen wordt het parlement in staat gesteld de uitgaven van te voren te autoriseren, een afweging te maken tussen en binnen de begrotingsposten en de uitgaven te controleren in het kader van de comptabele ministeriële verantwoordelijkheid. Het budgetrecht weerspiegelt dan ook de drie kernfuncties van de begroting: de autorisatie-, allocatie- en controle en verantwoordingsfunctie. Om deze functies te kunnen vervullen en om wezenlijke invloed uit te kunnen oefenen op de besluitvorming over de begroting dient het parlement betekenisvol betrokken te zijn bij deze besluitvorming, zowel via het formele budgetrecht, op vaste tijdstippen, als via het materiële budgetrecht, doorlopend en gedurende de begrotingscyclus. Materiële betrokkenheid is van belang om te voorkomen dat het parlement bij de vaststelling van de begrotingswetten voor voldongen feiten komt te staan.
In het volgende hoofdstuk zal uitgebreid worden stilgestaan bij het Europees economisch bestuur. In de hoofdstukken 5 en 6 wordt vervolgens ingegaan op de gevolgen hiervan voor de besluitvorming over de begroting en de betekenisvolle betrokkenheid van het parlement daarbij.