Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/4.2.1.1.2
4.2.1.1.2 De opvatting van Bergervoet & Mansur
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717302:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
M. Bergervoet & D.S. Mansur, ‘De Curaçaose Trust in de praktijk’, WPNR 2012/6926, p. 292.
M. Bergervoet & D.S. Mansur, ‘De Curaçaose Trust in de praktijk’, WPNR 2012/6926, p. 292. Bergervoet en Frielink noemen tevens dit argument in hun artikel in het CJB. Zie hiervoor: M. Bergervoet & K. Frielink, ‘Reactie op het artikel van notaris Burgers’, CJB 2012/2, p. 107-108.
M. Bergervoet & D.S. Mansur, ‘De Curaçaose Trust in de praktijk’, WPNR 2012/6926, p. 292-293.
Zie paragraaf 3.3.3.1.
Zie paragraaf 3.3.4.
M.W. Lau, The Economic Structure of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2011, p. 21-35; P.S. Davies & G. Virgo, Equity & Trusts. Text, Cases and Materials, Oxford: Oxford University Press 2019, p. 38; P. Matthews e.a., Underhill & Hayton. The Law of Trusts and Trustees, London: Butterworths/LexisNexis 2022, p. 18-23. Zie ook: C.Æ. Uniken Venema, Law en equity in het Anglo-Amerikaanse privaatrecht: rechtsvergelijkende beschouwingen betreffende de belangrijkste structuren en begrippen in het Anglo-Amerikaanse privaatrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1990, p. 143-145.
Zie voor de behandeling van de goederenrechtelijke overeenkomst: S.E. Bartels & A.I.M. van Mierlo (m.m.v. H.D. Ploeger), Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 3. Vermogensrecht algemeen. Deel IV. Algemeen goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 223-224; W.H.M. Reehuis e.a., Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Kluwer 2019, p. 126-133; Jac. Hijma & M.M. Olthof, Compendium van het Nederlands vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. 115; H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties, Bju 2019, p. 130-135.
Zie ook paragraaf 3.3.3.4.
M. Bergervoet & D.S. Mansur, ‘De Curaçaose Trust in de praktijk’, WPNR 2012/6926, p. 293.
M. Bergervoet & D.S. Mansur, ‘De Curaçaose Trust in de praktijk’, WPNR 2012/6926, p. 293.
Bergervoet en Frielink redeneren eveneens op deze wijze in hun CJB artikel. Zie hiervoor: M. Bergervoet & K. Frielink, ‘Reactie op het artikel van notaris Burgers’, CJB 2012/2, p. 108-109.
M. Bergervoet & D.S. Mansur, ‘De Curaçaose Trust in de praktijk’, WPNR 2012/6926, p. 293.
M. Bergervoet & D.S. Mansur, ‘De Curaçaose Trust in de praktijk’, WPNR 2012/6926, p. 293.
M. Bergervoet & D.S. Mansur, ‘De Curaçaose Trust in de praktijk’, WPNR 2012/6926, p. 293.
Zie paragrafen 2.4.4.2 en 3.3.3.3.
M.J.A. van Mourik, ‘Inbreng’, in: G. van Solinge e.a., Personenvennootschappen (Preadvies Vereeniging Handelsrecht 2003), Deventer: Kluwer 2003, p. 140. Vgl. ook: M. van Olffen, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel VII. Maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Kluwer 2022, nrs. 36, 149-197.
M.J.A. van Mourik, ‘Inbreng’, in: G. van Solinge e.a., Personenvennootschappen (Preadvies Vereeniging Handelsrecht 2003), Deventer: Kluwer 2003, p. 140; N.E.D. Faber, ‘Eigendom ten titel van beheer, kwaliteitsrekening en afgescheiden vermogen’, in: D.J. Hayton e.a. (red.), Vertrouwd met de trust. Trust and trust-like arrangements (serie ondernemingen en recht), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 198. Zie ook commentaar van Burgers onder c.
Vgl. P.P.D. Mathey-Bal, De positie van de vennootschap onder firma. In civielrechtelijk, vennootschapsrechtelijk, publiekrechtelijk en Europeesrechtelijk perspectief (Instituut voor Ondernemingsrecht, nr. 97)(diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2016, par. 3.3.4.1.
Het betreft de volgende twee beschikkingshandelingen: (1) De rechtshandeling strekkende tot de instelling van de trust; en (2) De rechtshandeling strekkende tot de overdracht van de aangewezen goederen aan de (beoogde) trustee.
Naast de uiteenzetting van De Boer over de Curaçaose trust hebben Bergervoet en Mansur in hetzelfde nummer van het WPNR de werking van de Curaçaose trust in de praktijk besproken. In hun bijdrage stellen ze zich op het standpunt dat – ingeval een ‘inter vivos’ trust wordt ingesteld – het toevertrouwen van de trustgoederen aan de trustee dient te geschieden door middel van een overdracht en dat de trustee derhalve de trustgoederen verkrijgt onder bijzondere titel. Zij verwoorden hun standpunt als volgt:
“De MvT stelt dat de overdracht van het trustvermogen niet bij de trustakte hoeft te geschieden. Het trustvermogen kan, vooruitlopend op de trustakte, reeds aan de toekomstige trustee in trust zijn geleverd, zowel door een derde als door hemzelf. De MvT gaat er derhalve vanuit dat voor de inbreng van de goederen in het trustvermogen (sic) een overdracht vereist is.”1
Ten eerste betogen Bergervoet en Mansur ter staving van hun standpunt dat een overdracht van hetgeen onder trustverband wordt geplaatst, binnen het (gesloten) goederenrechtelijke systeem van het Curaçaose goederenrecht past.2
Met het standpunt en het bovengenoemde argument van Bergervoet en Mansur ben ik het volledig eens, zolang een derde trustee wordt. Indien het Curaçaose recht in overeenstemming met het Anglo-Amerikaanse recht wordt geïnterpreteerd, kan het toevertrouwen van de trustgoederen aan de derde die trustee wordt – zoals in het bovenstaande reeds is aangekaart – enkel geschieden door een overdracht. Deze wijze van toevertrouwen is derhalve niet strijdig met het gesloten systeem van het Curaçaose goederenrecht.
Over de titel waarop de overdracht dient te berusten zeggen zij het volgende:
“De titel voor de overdracht zal meestal schenking zijn, maar zal in principe afhangen van de reden van het instellen van een trust.”3
Deze uitspraak geeft naar mijn mening blijk van onvoldoende kennis over de totstandkoming van de Curaçaose trust en de kwalificatie van de rechtshandeling strekkende tot de instelling hiervan. Zoals in paragrafen 3.3.3.4 en 3.3.3.5 is aangestipt, ligt de rechtshandeling strekkende tot de instelling van de trust ten grondslag aan de overdracht en dient zij als een op zichzelf staande titel te worden beschouwd. De titel van overdracht bij de instelling van de trust naar Curaçaos recht kan derhalve nimmer ‘schenking’ zijn. De titel van overdracht is evenmin afhankelijk van de reden van het instellen van een trust. Indien de insteller een ‘inter vivos’ trust tot stand wil brengen, dient hij aan een aantal materiële vereisten voor de totstandkoming te voldoen wil er sprake zijn van een rechtsgeldige trust naar Curaçaos recht.4 Daarnaast moet er aan het formele vereiste worden voldaan, welke inhoudt dat de rechtshandeling strekkende tot de instelling van de trust – waaronder de intentie van de insteller om een trust in het leven te roepen – gegoten moet worden in de vorm van een notariële akte.5 Gelet op het feit dat de materiële en formele vereisten in één notariële trustakte zijn vervat en de voornoemde intentie – die bepalend is voor de totstandkoming van de Curaçaose trust – een eenzijdige rechtshandeling behelst, impliceert dit dat uitsluitend de notariële trustakte als titel van overdracht fungeert en dat de instelling van de trust naar Curaçaos recht derhalve – anders dan de schenking – niet als een overeenkomst kan worden beschouwd. Dat de insteller en de trustee onderling afspraken maken om een ‘inter vivos’ trust tot stand te brengen of dat de verwerving van de bundel van rechten, bevoegdheden en remedies door de begunstigde in bepaalde gevallen kan worden aangemerkt als een gift ex art. 7:186 lid 2 BWC, doet hier in casu niets aan af. Indien de rechtshandeling strekkende tot de instelling van de trust naar Curaçaos recht als een overeenkomst tussen de insteller en de trustee zou worden geclassificeerd, zou de trustee bij een schending van zijn trustrechtelijke verplichtingen wanprestatie plegen jegens de insteller. Dientengevolge zou de insteller als zodanig een aantal rechten die de (potentiële) begunstigde heeft krachtens het trustrecht, kunnen uitoefenen op grond van een contractuele schending door de trustee, terwijl na de totstandkoming van de trust deze rechten uitsluitend door de (potentiële) begunstigde kunnen worden uitgeoefend. Bij de instelling van de trust door middel van een eenzijdige verklaring van trust, oftewel een ‘declaration of trust’ zou dit betekenen dat de insteller de rechten die aan de (potentiële) begunstigden toekomen, jegens zichzelf zou moeten uitoefenen, hetgeen de facto ongewenst en praktisch onmogelijk is. Dit alles is in strijd met het wezen en de werking van de trust.6
Wordt een derde trustee, dan is er enkel in de overdrachtsfase sprake van een goederenrechtelijke overeenkomst van overdracht als onderdeel van de levering, gezien het feit dat de medewerking van de beoogde trustee als verkrijger in deze fase noodzakelijk is.7 De overdracht ten titel van trust naar Curaçaos recht behelst aldus – in tegenstelling tot het Anglo-Amerikaanse recht – een meerzijdige rechtshandeling.8
Ten tweede bekritiseren Bergervoet en Mansur de redenering van De Boer dat naar een plausibele systematische uitleg de in de notariële trustakte vermelde trustee in plaats van een overdracht “het in de trustakte omschreven trustvermogen” van rechtswege en onder algemene titel kan verkrijgen.9 Zij beargumenteren dat de opsomming in artikel 3:80 lid 2 BWC, die bepaalt in welke gevallen men goederen onder algemene titel kan verkrijgen, limitatief is bedoeld.10
Voor wat betreft de opvolging en de toetreding van de trustee die ingevolge artikel 3:80 BWC onder algemene titel plaatsvindt, merken zij het volgende op:11
“Met de invoering van de Landsverordening Trust is [artikel 3:80 BWC] alleen zodanig gewijzigd dat enkel is toegevoegd: “alsmede door opvolging of toetreding als trustee”.
Toetreding wijst er naar onze mening op dat er al een andere trustee in functie is. De wet heeft het bij de eerste keer in functietreden van de trustee namelijk over benoemen. Bij een opvolging of toetreding als trustee lijkt het ook logisch dat de wetgever er voor heeft gekozen om dit onder algemene titel te laten geschieden. Er is dan immers sprake van een rechtsopvolging in het afgescheiden trustvermogen. Dit in tegenstelling tot inbreng van goederen onder trustverband.”12
Vervolgens betogen zij dat:
“De insteller kan er voor kiezen om een bepaald goed onder trustverband te brengen en van een rechtsopvolging in een geheel of een gedeelte van het vermogen van de insteller is derhalve geen sprake.
Bovendien wordt een overgang onder algemene titel gekenmerkt door één moment van overgang. De overdracht van het trustvermogen kan op verschillende momenten plaatsvinden en zal niet noodzakelijkerwijs bij het instellen van de trust behoeven te geschieden.”13
Over de inkleding van de eenzijdige verklaring van trust naar Curaçaos recht argumenteren Bergervoet en Mansur het volgende:
“De insteller verklaart zichzelf trustee ten behoeve van bepaalde begunstigden zonder dat er sprake is van overdracht van de trustgoederen. Het is echter de vraag of dit ook opgaat onder het recht van Curaçao. De juridische eigendom gaat immers over naar een ander vermogen, namelijk van het privévermogen van de trustee naar het vermogen van de trustee in die hoedanigheid. In dit verband zou aansluiting gezocht kunnen worden bij de inbreng van goederen in het vermogen van een personenvennootschap (in Curaçao) of vennootschap onder firma (in Nederland). Wil een goed in goederenrechtelijke zin tot dat vermogen gaan behoren dan moet er aan de leveringsvereisten voldaan zijn.”14
De voornoemde opvatting van de auteurs over de inkleding van de eenzijdige verklaring van trust deel ik niet. Zoals ik eerder reeds heb aangegeven, is het voor de insteller noch naar Anglo-Amerikaans recht noch naar Curaçaos recht mogelijk om de onder trustverband geplaatste goederen aan zichzelf over te dragen.15 Dit betekent dat de voor de overdracht vereiste levering – die een verschuiving van de goederen van de insteller naar de trustee bewerkstelligt – evenmin kan geschieden. Door het plaatsen van de goederen onder trustverband door middel van een eenzijdige verklaring van trust behoudt de insteller zowel zijn eigendomspositie als de formele beschikkingsmacht over de goederen die hij reeds vóór de totstandkoming van de trust had. Derhalve is er géén sprake van een ‘verhuizing van de juridische eigendom van het privévermogen van de trustee naar het vermogen van de trustee in die hoedanigheid’.
Voorts is de zienswijze van beide auteurs omtrent de mogelijkheid om trustgoederen op verschillende momenten toe te vertrouwen aan de (beoogde) trustee voorafgaand aan de instelling van de trust, naar mijn mening onjuist. Reeds in paragraaf 3.3.3.3 is betoogd dat de rechtsgevolgen die aan de instelling van de Curaçaose trust zijn verbonden, pas intreden op het moment dat de rechtshandelingen tot de instelling van de trust en strekkende tot de overdracht van de beoogde trustgoederen op hetzelfde tijdstip worden verricht en het trustverband ten gevolge hiervan op de aangewezen goederen komt te rusten. Dientengevolge kan de overdracht tussen de persoon die voornemens is een Curaçaose trust in te stellen en de beoogde trustee vóór de instelling van de trust niet aangemerkt worden als een overdracht ten titel van trust en kan nimmer gesproken worden van ‘trustgoederen’.
Ten derde vergelijken Bergervoet en Mansur de wijze van toevertrouwen in het Curaçaose trustrecht met de inbreng van goederen in een personenvennootschap. Deze vergelijking is mijns inziens geheel misplaatst. Bij een personenvennootschap wordt het afgescheiden vermogen van de personenvennootschap gevormd door middel van “levering van het betrokken goed aan de vennoten die gerechtigd zijn of zullen zijn tot de vennootschappelijke gemeenschap”.16 Als gevolg hiervan vindt er tussen de vennoten op grond van een daartoe strekkende overeenkomst – in tegenstelling tot het toevertrouwen krachtens een eenzijdige verklaring van trust – wel een wijziging plaats van de onderlinge gerechtigdheid tot de ingebrachte goederen.17 De vennoot die de juridische eigendom van een goed inbrengt hoeft hierbij – anders dan Bergervoet en Mansur doen geloven – niet opnieuw aan zichzelf te leveren.18 Daarnaast lijken zij – evenals De Boer – voorbij te zijn gegaan aan het gegeven dat het afgescheiden geheel van trustgoederen en de trustrechtelijke rechtsverhouding tussen de trustee en de (potentiële) begunstigde ontstaat als gevolg van het feit dat het trustverband dat op de aangewezen goederen is komen te rusten, goederenrechtelijke werking heeft. De levering van de aangewezen goederen aan de trustee als uitvoeringshandeling is slechts onderdeel van één van de twee beschikkingshandelingen19 die moeten worden verricht – de overdracht ten titel van trust – teneinde de totstandkoming van de trust en daarmee de creatie van het trustverband te realiseren. Dit impliceert echter niet dat de levering an sich de oorzaak is van de goederenrechtelijke werking van het trustverband en daarmee de oplegging van beheersverplichtingen, de toekenning van beheersbevoegdheden en het ontstaan van de trustrechtelijke rechtsbetrekking tussen de trustee en de begunstigde. Ten slotte bestaat het afgescheiden vermogen van een personenvennootschap uit goederen en de daaraan verbonden schulden die voorafgaand aan de inbreng reeds bestonden. Dit is niet het geval voor de goederen die onder trustverband worden geplaatst, gelet op het feit dat de daaraan verbonden schulden die voorafgaand aan de instelling van de trust bestaan, niet onder trustverband kunnen worden geplaatst.