Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/8.4
8.4 Gebiedsontzeggingen, vergunningvoorschriften en aanverwante kwesties
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
BR 24 september 2002, NJ 2003/80.
HR 27 maart 2007, JB 2007/83.
HR 22 december 2009, JB 2010/41. Ook in civiele zaken wordt in beginsel uitgegaan van het oordeel van de hoogste bestuursrechter inzake de verbindendheid van een algemeen verbindend voorschrift. Zie bijvoorbeeld HR 27 november 2009, LJN BH2162 (World Online), par. 4.38.2.
HR 11 oktober 2005, NJ 2008/207.
EHRM 12 januari 2010, no. 4158/05 (Gillan en Quinton).
ABRvS 9 november 2005, AB 2006/90.
HR 20 februari 2007, AB 2007/259.
HR 13 juli 2010, AB 2010/286.
1112 22 februari 2011, JB 2011/94.
De overwegingen van de Economische Kamer van het gerechtshof Arnhem zijn opgenomen in 1112 1 februari 2005, NJ 2006/422 (SE Fireworks), par. 3.6.1.
Zie ook de volgende verzuchting van Damen in zijn noot bij ABRvS 28 juli 2010, AB 2010/301: `Ik kan niet nalaten de vraag op te werpen of de autoriteiten, zoals in casu het gemeentebestuur van Tilburg, dat coffeeshops gedoogt, denken dat de hennep voor hun 'eigen' burgers gekweekt wordt door Kabouters in het Donkere Bomen Bos. Natuurlijk zijn veel locaties ongeschikt, maar ergens zal het spul toch moeten worden gekweekt. Waarom dan geen `hennepkweekgedoogzones' aangewezen?'.
Zie ook de noot van Rogier bij Rb Middelburg 25 maart 2010, Gst. 2010/45 (Checkpoint) en de noot van Vermeer bij ABRvS 9 maart 2011, AB 2011/103 (Checkpoint). Uit de laatstgenoemde uitspraak volgt dat de Afdeling in deze zaak niets moet weten van het vertrouwensbeginsel en zonder omhaal handhavend optreden tegen Checkpoint accordeert.
Rb Middelburg 25 maart 2010, Gst. 2010/45 (Checkpoint).
Met enige regelmaat heeft de strafrechter te maken met de vraag naar de strafrechtelijke doorwerking van bestuursbesluiten. Te denken valt aan gebiedsontzeggingen, aan het niet naleven van vergunningvoorschriften en aan vervolging van coffeeshops die zich niet houden aan de gedoogvoorwaarden die door het lokale bestuur zijn gesteld. Hier speelt de vraag naar de taakafbakening tussen de straf- en de bestuursrechter een rol. Verder gaat deze paragraaf over de hiermee vaak, maar niet altijd, samenhangende bevelsbevoegdheid van opsporingsambtenaren en de vervolging ter zake van het niet opvolgen van een dergelijk bevel. Hierna zal blijken dat zich hierbij de nodige problemen voordoen.
In art. 184 lid 1 Sr is strafbaar gesteld het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede het opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, beletten, belemmeren of verijdelen. Voorop moeten worden gesteld dat de rechter bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van het eerste deel van art. 184 lid 1 Sr dient te onderzoeken of het in de tenlastelegging genoemde wettelijke voorschrift verbindend is en of het daarop gegronde bevel rechtmatig is gegeven. Het gaat immers om bestanddelen van het in art. 184 Sr opgenomen misdrijf.1 Een mooie zaak om mee te beginnen betrof een zogenoemd veertiendagen-bevel dat door de burgemeester van Amsterdam aan een overlastgever was afgegeven op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Een dag nadat dit verwijderingsbevel aan de overlastgever was uitgereikt werd hij aangetroffen in het als drugsoverlastgebied aangewezen gebied waarop het verwijderingsbevel zag. De overlastgever werd daarom vervolgd wegens het opzettelijk niet hebben voldaan aan krachtens de APV gegeven bevel zich uit het door de burgemeester aangewezen gebied te verwijderen (art. 184 lid 1 Sr). Ten tijde van de beoordeling door de strafrechter was er nog niet onherroepelijk beslist op het bezwaar en beroep van de overlastgever tegen het verwijderingsbevel, dat een beschikking is in de zin van art. 1:3 Awb. De Hoge Raad overwoog in het eerste cassatieberoep:
`3.5. Bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van art. 184 Sr dient de rechter te onderzoeken of het in de tenlastelegging genoemde wettelijke voorschrift verbindend is en of het bevel rechtmatig is gegeven alsmede, indien terzake verweer is gevoerd, van dat onderzoek te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Dat geldt niet alleen indien tegen het desbetreffende bevel een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat of heeft opengestaan en de verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt door een beroep op de bestuursrechter te doen (vgl. HR 24 september 2003, NJ 2003, 80). Maar dat geldt ook indien, zoals hier, wel van die bestuursrechtelijke rechtsgang gebruik is gemaakt maar nog geen sprake is van een onherroepelijke uitspraak van de (hoogste) bestuursrechter.
3.6. Het Hof diende daarom het verweer dat het wettelijke voorschrift niet verbindend is of het bevel anderszins onrechtmatig is, zelfstandig te onderzoeken en daarop te beslissen. Het oordeel van het Hof dat het ervoor moet worden gehouden dat het bevel rechtmatig en krachtens een verbindend wettelijk voorschrift is gegeven, zolang de (hoogste) bestuursrechter niet anderszins heeft geoordeeld, miskent evenwel die plicht.'2
De Hoge Raad wees de zaak terug naar het hof Amsterdam. Voordat het gerechtshof ten tweede male arrest wees deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak over het verwijderingsbevel. Het Hof Amsterdam refereerde zich vervolgens aan het oordeel van de Afdeling. De Hoge Raad overwoog in het tweede cassatieberoep:
`In het onderhavige geval heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het oordeel van de Rechtbank dat het verwijderingsbevel niet kan worden aangemerkt als een "criminal charge" in de zin van art. 6 EVRM, bevestigd. In een dergelijk geval, waarin de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd, geldt in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken, dat indien het desbetreffende bevel door de bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand is gelaten, zulks er in beginsel aan in de weg staat dat de strafrechter het verweer dat het wettelijk voorschrift niet verbindend is of het bevel anderszins onrechtmatig is, zelfstandig onderzoekt en daarop beslist. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken (vgl. HR 24 september 2002, LIN AE2126, NJ 2003, 80).’3
De voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem had eerder in een aantal onherroepelijke uitspraken geoordeeld dat de Nijmeegse APV-bepalingen ter zake van verblijfsontzegging onverbindend waren. Op zich zouden verdachten die niet zelf bezwaar en beroep hadden aangetekend hiervan kunnen profiteren, ware het niet dat het niet de hoogste bestuursrechter was die zich had gebogen over de verbindendheid van de betreffende APV-bepaling. Het Hof Arnhem behoefde daarom van de Hoge Raad niet van de in die uitspraken vervatte oordelen omtrent de onverbindendheid van het overtreden voorschrift uit te gaan.4
In het derde lid van de art. 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie zijn achtereenvolgens aan de aanwijzing als bedoeld in art. 151b Gemeentewet de bevoegdheden gekoppeld van de officier om binnen dat gebied gedurende maximaal twaalf uur te gelasten dat opsporingsambtenaren tegenover een ieder de bevoegdheid kunnen uitoefenen om verpakkingen van goederen, voertuigen en personen aan hun kleding te onderzoeken met het oog op het vinden van wapens. Het langdurig aanwijzen van veiligheidsrisico-gebieden waarbij politieambtenaren naar eigen inzicht passanten kunnen staandehouden en fouilleren kan afhankelijk van de toepassing in de praktijk een inbreuk op art. 8 EVRM opleveren.5 Het niet meewerken aan deze preventieve onderzoeken kan overtreding van art. 184 lid 1 Sr opleveren. Het onderliggende aanwijzingsbesluit is telkens een besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Dit betekent dat een belanghebbende dit besluit na bezwaar gemaakt te hebben bij de bestuursrechter kan aanvechten.6 De Hoge Raad diende zich te buigen over een zaak waarin de verdachte zich had geweigerd te onderwerpen aan een veiligheidsfouillering, terwijl de bestuursrechter tussentijds had overwogen dat de verdachte geen belanghebbende was bij het aanwijzingsbesluit en dat hij dit derhalve niet kon aanvechten bij de bestuursrechter. Ook in deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat de strafrechter wat betreft de beoordeling van het aanwijzingsbesluit aansluiting diende te zoeken bij de wijze waarop de bestuursrechter zich van deze taak kwijt. Hij overwoog daarom dat de strafrechter zich bij de beoordeling van een aanwijzingsbesluit terughoudend zal moeten opstellen en slechts zal kunnen toetsen of het besluit strijdig is met wettelijke voorschriften, of de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat gebiedsaanwijzing in verband met (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde noodzakelijk was, en of de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de aanwijzing heeft kunnen komen.7
De taakafbakening tussen de bestuurs- en de strafrechter speelt niet alleen bij art. 184 Sr een rol. In art. 197 Sr is bepaald dat een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. In voorkomende gevallen zal de strafrechter zich ook hier moeten buigen over de vraag of de vreemdeling op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard. De formele rechtkracht van een beschikking van de staatssecretaris van Justitie staat niet in de weg aan die toetsing. De Hoge Raad overwoog:
`Bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van art. 197 Sr dient de rechter (...) in voorkomende gevallen te onderzoeken of de ongewenstverklaring in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees gemeenschapsrecht alsmede, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek in zijn uitspraak te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Het voorgaande geldt ook indien tegen de desbetreffende beschikking een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan en de verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt. Voor een veroordeling is immers vereist dat komt vast te staan dat de ongewenstverklaring berust op enig wettelijk voorschrift. In het zich hier niet voordoende geval dat de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd, geldt in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken in een situatie als de onderhavige het volgende. Is de desbetreffende beschikking door de bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand gelaten, dan staat zulks er niet aan in de weg dat de strafrechter het verweer dat de ongewenstverklaring in strijd is met het Europees gemeenschapsrecht onderzoekt en daarop beslist indien die ongewenstverklaring evident in strijd is met dat recht.'8
In die gevallen waarin het strafbaar is om te handelen zonder vergunning, zal de strafrechter kunnen volstaan met het nagaan of de handeling is verricht zonder dat vergunning is verleend. Zo zal het verweer dat geen sprake is van overtreding van art. 2 lid 1 Leerplichtwet 1969, omdat de leerplichtambtenaar ten onrechte geen verlof heeft verleend zonder meer falen. De strafrechter zal dan niet hoeven na te gaan of de leerplichtambtenaar in redelijkheid verlof heeft kunnen weigeren.9 Dit verschil in toetsing met het niet opvolgen van een ambtelijk bevel vloeit voort uit de delictsomschrijving. In art. 184 Sr maakt de rechtmatigheid van het ambtelijk bevel dat is genegeerd onderdeel uit van de delictsomschrijving, terwijl in art. 2 lid 1 Leerplichtwet 1969 — voor zover hier van belang — slechts is bepaald dat de ouder er zorg voor dient te dragen dat de jongere geregeld de school bezoekt waar hij staat ingeschreven.
Waar sprake is van een vergunning van een bestuursorgaan vormt het handelen in strijd met de vergunningvoorwaarden veelal een economisch delict. Zo werd de directeur van SE Fireworks na de vuurwerkramp in Enschede vervolgd omdat was gehandeld in strijd met de vergunningvoorwaarden. Dat de overheid tekort was geschoten bij het houden van toezicht stond niet in de weg aan vervolging, maar speelde wel een rol bij de straftoemeting.10 Indien sprake is van een gedoogverklaring van een bestuursorgaan kan een eventuele vervolging bij het niet naleven van de gedoogvoorwaarden niet zien op overtreding van de voorwaarden, maar slechts op overtreding van de wettelijke voorschriften zelf. Het overtreden van de gedoogvoorschriften fungeert bij die vervolging dan niet als de overtreding, maar als omstandigheid die maakt dat het openbaar ministerie over kan gaan tot vervolging zonder in strijd te handelen met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank Middelburg boog zich op 25 maart 2010 over de vraag of het openbaar ministerie of de bedrijfsleider van de coffeeshop Checkpoint, die 90 medewerkers telde, kon worden vervolgd voor onder meer opiumwetdelicten en deelneming aan een criminele organisatie. Het probleem daarbij was dat de coffeeshop beschikte over een gedoogverklaring van de burgemeester van Terneuzen. Omdat structureel werd gehandeld in strijd met de gedoogvoorwaarden was het OM ontvankelijk in de vervolging. Ernstige vraagtekens kunnen hierbij worden gezet. Indien het zo volstrekt duidelijk is dat het bestuurlijke gedogen van een dergelijke softdrugssupermarkt' als Checkpoint (er waren vijf kassa's voor de duizenden drugstoeristen die dagelijks een bezoek brachten) met zich bracht dat per definitie werd gehandeld in strijd met de gedoogvoorwaarden (er moest niet alleen worden zorggedragen voor de toevoer van cannabis,11 maar tevens volstond een handelsvoorraad van de maximaal toegestane 500 gram duidelijk niet), terwijl alle autoriteiten (via het driehoeksoverleg) op de hoogte waren van de gang van zaken, lijkt een plotsklapse vervolging mij op gespannen voet staan met het vertrouwensbeginsel en met het beginsel van fair play.12Dat het gemeentebestuur steeds zeer welwillend was geweest speelde wel een rol bij de strafmaat:
`Verdachten mochten er (...) niet op vertrouwen dat de officier van justitie nimmer zou optreden tegen strafbare feiten verbonden met de exploitatie van zo'n grote coffeeshop. Dat verdachten van mening waren dat ze de coffeeshop niet konden exploiteren zonder het plegen van strafbare feiten buiten de gedoogsfeer doet daaraan niet af. Zij mogen het overheidsbeleid inzake de gedoogde coffeeshops dan onduidelijk vinden omdat aan de voordeur mag worden verkocht, maar aan de achterdeur niet mocht worden vervoerd, bewerkt, gestasht enz. Maar het was altijd volstrekt duidelijk dat er sprake is van strafbare feiten bij niet-gedoogde handelingen met softdrugs en bij alles dat zich bij de achterdeur afspeelt. (...) De omstandigheden die de verdediging in verband met het vertrouwensbeginsel heeft aangedragen, kunnen dan wel niet leiden tot een niet-ontvankelijkheid, het zijn wel omstandigheden die de rechtbank zéér relevant acht voor de beoordeling van deze zaak. De rechtbank zal deze omstandigheden betrekken bij het bepalen van de strafmaat'13