Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.2.2.1
7.2.2.1 Het verstrekken van juiste en volledige informatie
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS511053:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 oktober 1994, NJ 1997/174 m.nt. M. Scheltema, AB 1996/125 m.nt. B.J.P.G. Roozendaal (Staat/Van Benten).
Vgl. Kortmann 2006, p. 146.
Vgl. de conclusie van A-G Mok, onder 3.2.7, voor HR 7 oktober 1994, NJ 1997/174 m.nt. M. Scheltema, AB 1996/125 m.nt. B.J.P.G. Roozendaal (Staat/Van Benten).
Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8554, r.o. 2.19 (Appartementencomplex Rijssen-Holten) en Rb. Zwolle-Lelystad 6 juli 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:AU6983, r.o. 4 (Lunchroom Lübeck/Zwolle).
Aantekening verdient dat de kern van de overweging van de Hoge Raad – gegeven het verweer van de Staat – is dat uitgangspunt moet zijn hoe de situatie voor Van Benten zou zijn geweest in de hypothetische situatie. De overweging dat in die situatie juiste, althans volledige, informatie zou zijn verstrekt, is in dat opzicht van ondergeschikte betekenis.
Het rechtmatige alternatief voor het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie zal in de meeste gevallen zijn gelegen in het verstrekken van juiste en volledige informatie. Dit geldt temeer in gevallen van informatieverstrekking op verzoek van de burger. Waar de overheid in de feitelijke situatie is overgegaan tot beantwoording van de vragen van de burger, zal mijns inziens uitgangspunt mogen zijn dat de overheid ook in de hypothetische situatie informatie zou hebben verstrekt, maar dan juiste, en niet zou hebben afgezien van het verstrekken van informatie. Hierbij is van belang dat het wegdenken van het normschendende element van de verstrekking van onjuiste informatie (de vertrouwenwekkende onjuistheid ervan) niet het wegdenken van de informatieverstrekking zelf impliceert. Voorts is – vooral bij informatieverstrekking op verzoek – van belang dat in de meeste feitelijke constellaties niet eenvoudig voorstelbaar is dat de overheid bij een juiste voorstelling van zaken zou hebben afgezien van informatieverstrekking, dat wil zeggen, geen antwoord op de burgervraag zou hebben gegeven. Stelt de aangesproken overheid zich op dit laatste standpunt, dan ligt het mijns inziens op haar weg om aannemelijk te maken dat geen (juiste) informatie zou zijn verstrekt, in de zin dat zij feiten en omstandigheden dient aan te dragen waaruit dit kan volgen (zie over deze situatie paragraaf 7.2.2.2).
Illustratief is het arrest Staat/Van Benten, dat in paragraaf 3.4.3.2 en paragraaf 4.7.10.3 al werd besproken.1 Voordat aan Van Benten een schadeloosstelling voor de overname van haar swillkookinstallatie werd toegekend, had het Hoofd van het Bureau Algemene Zaken van het Ministerie van Landbouw en Visserij desgevraagd aan Van Benten medegedeeld dat over het bedrag van de schadeloosstelling geen btw behoefde te worden afgedragen. Nadien bleek de vergoeding wel aan btw onderworpen te zijn, en weigerde de Staat om ter zake een aanvullende schadevergoeding te verstrekken. Van Benten vorderde vervolgens vergoeding van de betaalde btw. Tegen deze vordering voerde de Staat onder meer het verweer dat Van Benten geen andere keuze had dan zich neer te leggen bij de hoogte van de vastgestelde schadevergoeding. Volgens de Staat moest Van Benten wel akkoord gaan met de aangeboden schadeloosstelling, omdat zij anders was blijven zitten met een – door het verbod op het vervoederen van swill – waardeloos geworden kookinstallatie. Het hof was niet ingegaan op dit verweer. Volgens de Hoge Raad had het hof dit essentiële verweer wel degelijk dienen te bespreken:
‘Bij de beantwoording van de vraag in hoeverre Van Benten ten gevolge van voormelde inlichtingen schade heeft geleden, moest immers uitgangspunt zijn hoe de situatie voor Van Benten zou zijn geweest, wanneer zij juist, althans volledig ware ingelicht.’
Deze overweging kan op twee manieren worden uitgelegd. Ten eerste is zij te plaatsen in het kader van het schadebegrip waarvan het hof was uitgegaan door de Staat te veroordelen tot vergoeding van de door Van Benten afgedragen btw (‘in hoeverre Van Benten ten gevolge van voormelde inlichtingen schade heeft geleden’). Van dergelijke vermogensschade is geen sprake indien de schadeloosstelling bij het uitblijven van het schadeveroorzakende feit op hetzelfde bedrag zou zijn vastgesteld – Van Benten was hoe dan ook omzetbelasting verschuldigd. De tweede uitleg is dat Van Benten weliswaar schade heeft geleden doordat zij btw heeft moeten afdragen, althans doordat de schadeloosstelling niet is vermeerderd met het bedrag aan btw, maar dat diezelfde schade was ontstaan indien het Bureauhoofd juiste informatie had verstrekt (‘in hoeverre Van Benten ten gevolge van voormelde inlichtingen schade heeft geleden’).2 Hoewel de arresten van het hof en de Hoge Raad daarover geen uitsluitsel geven, moet volgens mij mede in het licht van de vordering van Van Benten en van het partijdebat worden aangenomen dat de overwegingen van de Hoge Raad betrekking hebben op het ontbreken van schade (de eerste uitleg).3 Op deze plaats is echter belangrijker dat de Hoge Raad als vanzelfsprekend oordeelt dat uitgangspunt moet zijn hoe de situatie voor Van Benten zou zijn geweest, wanneer zij juist, althans volledig zou zijn ingelicht door het Bureauhoofd.4 Waarom ervan moet worden uitgegaan dat in de hypothetische situatie juiste informatie zou zijn verstrekt, volgt niet uit het arrest.5 Dit zou zo kunnen zijn omdat in het partijdebat geen ander alternatief aan de orde is geweest, of omdat het hof (in cassatie onbestreden) aldus had geoordeeld. Het arrest van de Hoge Raad bevat hieromtrent geen aanwijzingen. Tegen deze achtergrond mag uit het arrest Staat/Van Benten niet worden afgeleid dat ter reconstructie van de hypothetische situatie zonder normschending altijd als beginpunt moet worden genomen dat juiste informatie zou zijn verstrekt. Dit is weliswaar de hoofdregel, zeker als het gaat om informatieverstrekking op verzoek, maar ook niet meer dan dat. Uitzonderingen op die regel zijn denkbaar, voornamelijk bij ambtshalve informatieverstrekking, zoals de volgende paragraaf laat zien.