Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.1
5.1 Inleidende opmerkingen: plan van behandeling
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS401861:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de bevoegdheden van de EU (met name de uitgangspunten van attributie, subsidiariteit en proportionaliteit) par. 333.
Vergelijk Amtenbrink & Vedder, nr. XII - 40: 'In het verdrag zal men tevergeefs zoeken naar een uitdrukkelijke rechtsgrondslag voor de harmonisatie van het privaatrecht van de lidstaten.' En voorts: 'Tegelijkertijd blijft Europese regelgeving tegen de achtergrond van de beperkte bevoegdheden van de Gemeenschap vaak slechts puntsgewijs en behelst zij niet een volledige en coherente regulering van een bepaald onderwerp.'
Zie par. 4.43.
De eerste vraag waarvoor de benadeelde bij een verkeersongeval met internationale component zich gesteld ziet (wie hij voor zijn schade kan aanspreken) is nu besproken. Nu is de tweede centrale vraag in dit onderzoek aan de orde: waarop kan hij in de verschillende ongevalssituaties aanspraak maken?
Daarbij beperk ik mij tot de verzekeringsrechtelijke aspecten van een internationaal verkeersongeval, waarbij het uitgangspunt wordt gevormd door de Europese regels betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen. Bovendien wordt aandacht besteed aan de Nederlandse wetgeving die daarop is gebaseerd. Rechtsvergelijkend zal het accent vooral liggen op de wetgeving van België, Duitsland en Frankrijk. Zoals ook reeds in paragraaf 1.1 is opgemerkt zijn dit de landen waarmee de Nederlandse schaderegelingspraktijk het meest frequent te maken heeft. De wetgeving in andere landen zal niet dan bij uitzondering ter sprake komen en dan vooral als deze wetgeving een bijzonderheid laat zien die problematisch is, dan wel juist als inspiratiebron voor verbeteringen in onze wetgeving kan dienen.
Vragen van aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht blijven (grotendeels) buiten beschouwing.
Het antwoord op deze vragen kan alleen in het nationale toepasselijke recht worden gevonden. Anders dan op het terrein van de verplichte aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen bestaat er geen communautair regime op het terrein van het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Het EU-Verdrag biedt daarvoor, naar algemeen wordt aangenomen, geen juridische grondslag.1 Het belangrijkste artikel dat de Gemeenschap tot optreden bevoegd maakt, art. 352 EU-Verdrag, ziet op de bevoegdheid tot het vaststellen van coördinatie-richtlijnen, maar de voorwaarde daarvoor is dat het moet gaan om regelgeving die rechtstreeks van invloed is op de instelling of de werking van de interne markt. De heersende opvatting is dat daarvan op het terrein van het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht in het algemeen onvoldoende sprake is.2
Centraal staat dus de dekking - of liever: de bescherming - waarop de benadeelde bij een ongeval met een internationaal aspect op grond van het communautaire recht minimaal aanspraak kan maken.
Het woord 'bescherming' is beter op haar plaats dan het woord 'dekking' omdat deze laatste term vooral duidt op de inhoudelijke kant van de verzekeringsovereenkomst (eventueel ook op de inhoudelijke aanspraken die bijvoorbeeld tegen een waarborgfonds geldend kunnen worden gemaakt). De Richtlijn biedt echter meer bescherming dan alleen een stelsel van minimum-regels waaraan de polis qua hoogte van verzekerde bedragen, gedekte schade(componenten), al dan niet toegelaten uitsluitingen, kring van gedekte personen en van beschermde benadeelden moet voldoen. De Richtlijn schrijft ook procedures voor die de verzekeraar, het Bureau, de schaderegelaar, het schadevergoedingsorgaan en het waarborgfonds moeten naleven. Daarom is het beter van 'bescherming' te spreken.
Deze bescherming verschilt op onderdelen al naar gelang van de aan te spreken partij. Bij de bespreking van de Richtlijn wordt als uitgangspunt genomen de dekking die de verzekeraar onder de polis moet verlenen. Daaraan is paragraaf 5.2 gewijd. Het gaat hierbij primair om de aanspraken van de benadeelde. Deze kan onder omstandigheden aanspraak maken op een ruimere dekking dan voortvloeit uit de verhouding tussen verzekeraar en verzekeringnemer en verzekerde: het eigen recht van de benadeelde brengt immers mee dat de verzekeraar (een aantal) weren in zijn relatie met de verzekerde niet aan de benadeelde derde kan tegenwerpen.3 De Richtlijn beschermt echter ook de verzekeringnemer en de verzekerde in de zin dat ook dezen op een minimum aan bescherming aanspraak kunnen maken en ook aan deze aspecten zal aandacht worden besteed.
Afgeleid van de dekking onder de polis wordt onderzocht of en zo ja in hoeverre de bescherming die wordt geboden door het Bureau (par. 53), de schaderegelaar (par. 5.4), het schadevergoedingsorgaan (par. 5.5) en het waarborgfonds (par. 5.6) daarvan afwijken. Bovendien worden - voor elk van deze partijen - de procedurele regels besproken die tot doel hebben de positie van de benadeelde te versterken.