Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/6.3.4
6.3.4 Gelijkstellingen
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS496417:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting / Fiscale eenheid
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
G. van Dijk, Leven uit de ‘dode hand’, Deventer: Kluwer 1993, p. 3, omschrijft het begrip vermogen in de dode hand als volgt: ‘Met vermogen in de dode hand wordt in het algemeen bedoeld vermogen dat als het ware niemands specifieke eigendom is, maar dat onder collectieve zeggenschap valt. Dikwijls vloeit die zeggenschap voort uit een stilzwijgende overeenkomst en maakt deel uit van de samenstelling en overlevering van rechten en plichten.’
Er bestaat in de literatuur geen overeenstemming of dit onderscheid ten principale overeenkomt met een coöperatie met een in aandelen verdeeld kapitaal en een coöperatie zonder een in aandelen verdeeld kapitaal. A. Buls, ‘Financiering en omzetting van coöperaties, enige fiscale aspecten’, WFR 1995, 53, merkt over de vraag of het vermogen van de coöperatie zich in de dode hand bevindt een onderscheid moet worden gemaakt tussen coöperaties met een in aandelen verdeeld kapitaal en ‘gewone coöperaties.’ Zie voor een literatuuroverzicht J.J.M. Jansen, Belastingheffing van coöperaties en haar leden (FM nr. 80), Deventer: Kluwer 1996, p. 205.
De Staatssecretaris van Financiën heeft in het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/ 2571M, BNB 2006/146, onderdeel 4 goedgekeurd dat een tweetal omzettingen wordt beschouwd als de omzetting van een vereniging in een stichting, te weten:
de omzetting van een coöperatie zonder in een aandelen verdeeld kapitaal in een stichting; en
de omzetting van een onderlinge waarborgmaatschappij zonder een aandelen verdeeld kapitaal in een stichting.
Het gevolg van de goedkeuring is, kort gezegd, dat de liquidatieficties van art. 28a Wet VPB 1969 buiten toepassing blijven. De omzetting van een coöperatie zonder een in aandelen verdeeld kapitaal in een stichting wordt daarmee dus in feite een fiscaal niet-geregelde omzettingsvorm. Hetzelfde geldt voor de omzetting van een onderlinge waarborgmaatschappij zonder een in aandelen verdeeld kapitaal in een stichting. Deze omzettingen komen – anders dan de andere fiscaal niet-geregelde omzettingen – slechts sporadisch voor. In de periode 2002 tot en met 2006 is de omzetting van een coöperatie dan wel een onderlinge waarborgmaatschappij in een stichting tien respectievelijk één keer in het handelsregister ingeschreven (zie par. 1.4 hiervóór).
De goedkeuring houdt wat betreft de heffing van vennootschapsbelasting van de omzettende rechtspersoon in dat de liquidatiefictie van art. 28a lid 1 onderdeel a Wet VPB 1969 achterwege blijft. Evenals bij de omzetting van een vereniging in een stichting loopt dan voor de heffing van vennootschapsbelasting de subjectieve belasting gewoon door. Daarbij springt echter meteen het verschil in het oog tussen de subjectieve belastingplicht van een coöperatie en die van een stichting. Een coöperatie is namelijk op grond van art. 2 lid 1 onderdeel a juncto lid 5 Wet VPB 1969 onbeperkt belastingplichtig, waarbij het niet uitmaakt of de coöperatie al dan niet een in aandelen verdeeld kapitaal heeft. Een stichting is daarentegen ingevolge art. 2 lid 1 onderdeel e juncto art. 4 onderdeel a Wet VPB 1969 slechts beperkt aan de heffing van vennootschapsbelasting onderworpen en wel voor zover een onderneming drijft dan wel in concurrentie treedt. De redactie van Vakstudie Nieuws vreesde in een aantekening bij de voorloper van de in het Besluit Staatssecretaris van Financiën van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 onderdeel 4 opgenomen goedkeuring dat met de goedkeuring een potentieel heffingslek was ontstaan. De redactie van Vakstudie Nieuws merkte op:
‘Vanwege dit verschil in fiscale regimes was het naar onze mening dus niet zo logisch om voor de toepassing van de omzettingsregeling van art. 28a Wet VPB 1969 het vermogen van de coöperatie als het ware fiscaal geruisloos over te laten gaan naar de stichting alsof dit een omzetting is van een vereniging in een stichting. Het kan immers zijn dat door de omzetting van de coöperatie in de stichting de subjectieve belastingplicht geheel of gedeeltelijk eindigt. Dit zal namelijk het geval zijn als de coöperatie en na de omzetting de stichting in materiële zin geen onderneming drijft dan wel er in de coöperatie een (omvangrijk) beleggingsvermogen aanwezig is welk vermogen na de omzetting bij de stichting tot diens onbelaste sfeer gaat behoren. Gaat de omzetting dan niet gepaard met een (eventueel gedeeltelijke) fiscale (eind)afrekening, dan ontstaat een heffingslek.’
Omdat de redactie van Vakstudie Nieuws zich niet kon voorstellen dat de staatssecretaris zomaar de fiscale claim op stille reserves had prijsgegeven, ging zij ervan uit dat in het concrete geval waarop de desbetreffende goedkeuring betrekking had, zich geen sfeerovergang voordeed.
Volgens de staatssecretaris dreigt echter geen heffingslek. In het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 onderdeel 4 merkt hij voor de volledigheid het volgende op over de gevolgen van deze goedkeuring:
‘Ook zonder de werking van artikel 28a van de Wet VPB 1969 is onder omstandigheden afrekening verplicht (geheel of gedeeltelijk). Bij de omzetting van een coöperatie in een stichting kan zich namelijk een daling van het ondernemingsvermogen voordoen die niet wordt veroorzaakt door de bedrijfsuitoefening van de belastingplichtige. Een dergelijke vermogensdaling moet bij de bepaling van de winst – als het bedrag van de gezamenlijke voordelen verkregen uit onderneming – worden gecorrigeerd (tegen de waarde in het economische verkeer).
Een dergelijke bedrijfsvreemde vermogensdaling doet zich voor bij de omzetting van een coöperatie in een stichting indien en voorzover het vermogen niet volledig bestaat uit materieel ondernemingsvermogen. Voor dit niet tot een materiële onderneming behorende vermogen is de stichting immers niet belastingplichtig en een coöperatie wel.’
Ik onderschrijf de opvatting van de staatssecretaris. Indien een vermogensbestanddeel als gevolg van een sfeerovergang van onbeperkte naar beperkte belastingplicht niet langer tot het ondernemingsvermogen behoort, wordt dat vermogensbestanddeel immers onttrokken, hetgeen gepaard gaat met de realisatie van de in de waardering van dat vermogensbestanddeel begrepen stille reserve. Een vergelijkbare kwestie doet zich bijvoorbeeld voor bij een op de voet van art. 17 lid 2 onderdeel a Wet VPB 1969 buitenlands belastingplichtig lichaam dat in Nederland een onderneming drijft met behulp van een vaste inrichting. Indien een vermogensbestanddeel wordt ‘overgebracht’ van de vaste inrichting naar het buitenlandse hoofdhuis, twijfelt niemand eraan dat een eventuele in de waardering van dat vermogensbestanddeel begrepen stille reserve tot de vaste-inrichtingswinst moet worden gerekend uit hoofde van art. 3.8 juncto art. 3.25 Wet IB 2001. Het desbetreffende vermogensbestanddeel wordt door de overbrenging immers tegen de waarde in het economische verkeer onttrokken aan het Nederlandse ondernemingsvermogen. Voorts kan een vergelijkbare sfeerovergang zich voordoen binnen een beperkt belastingplichtig lichaam, zoals een stichting of een vereniging. De etikettering van een vermogensbestanddeel als ondernemingsvermogen kan immers door een functiewijziging worden herzien, waardoor het desbetreffende vermogensbestanddeel aan het ondernemingsvermogen wordt onttrokken tegen de waarde in het economische verkeer met als gevolg realisatie van de in de waardering van het vermogensbestanddeeel begrepen stille reserve. Ten slotte wijs ik op HR 24 augustus 1995, nr. 30.138, BNB 1995/320c* waarin een in gemeenschap van goederen gehuwde belastingplichtige zijn voor de heffing van inkomstenbelasting gedreven onderneming voortzette in vennootschappelijk verband met zijn echtgenote. Vóór het aangaan van de vennootschap onder firma met zijn echtgenote werd de onderneming voor de heffing van inkomstenbelasting geheel toegerekend aan de belastingplichtige. De Hoge Raad oordeelde dat ‘indien de (...) echtgenoot als ondernemer in de onderneming toetreedt, het gedeelte van het ondernemingsvermogen dat dientengevolge voortaan aan die echtgenoot moet worden toegerekend, aan het ondernemingsvermogen van (...) (de belastingplichtige, JLS) wordt onttrokken.’ De stelling van de belastingplichtige dat een dergelijke onttrekking slechts kan worden gebaseerd op een uitdrukkelijke wetsbepaling werd daarmee door de Hoge Raad verworpen.
Het valt op dat de goedkeuring alleen van toepassing is op een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij zonder een in aandelen verdeeld kapitaal. Daaronder worden in de praktijk doorgaans coöperaties verstaan waarbij de leden geen individuele rechten op het vermogen hebben en het vermogen zich als gevolg daarvan spreekwoordelijk bevindt ‘in de dode hand’.1 In de praktijk worden deze ‘gewone’ coöperaties dikwijls afgezet tegen de coöperaties met een in aandelen verdeeld kapitaal.2 Indien de leden namelijk risicodragend vermogen aan de coöperatie ter beschikking stellen, zal doorgaans met behulp van een in aandelen verdeeld kapitaal worden bepaald in welke mate de winst aan de eigen vermogenverschaffers toekomt.3 Het besluit lijkt mede te kunnen worden verklaard in het licht van dit onderscheid tussen coöperaties. Toepassing van de uitkeringsfictie van art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969 lijkt namelijk af te stuiten op de afwezigheid van deelgerechtigdheid tot het vermogen van de coöperatie zonder in aandelen verdeeld kapitaal (zie ook par. 5.3.2.7 hiervóór). In zoverre hoeft niet eens te worden goedgekeurd dat art. 28a Wet VPB 1969 niet van toepassing is. Steun voor deze benadering kan worden gevonden in het feit dat het besluit, blijkens de zinsnede ‘(...) ik, voor zover nodig, goedkeur (...)’, slechts gedeeltelijk op een goedkeuring berust. Waarschijnlijk ziet het goedkeurende karakter van het besluit derhalve alleen op het achterwege laten van de consequenties voor de heffing van vennootschapsbelasting van de omzettende rechtspersoon.