NJB 2024/965:Weigering erkenning of uitvoering van Europees Onderzoeksbevel (EOB): dit is o.g.v. van art. 5.4.4 lid 1, aanhef en onder f, Sv mogelijk als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van het bevel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen van Nederland als uitvoerende staat ingevolge art. 6 VEU en het EU Handvest. Het gaat daarbij o.a. om het recht op (ongestoord genot van) eigendom, art. 1 Eerste Protocol EVRM en art. 17 lid 1 Handvest. Inbeslagneming en overdracht van het bewijsmateriaal leiden op zichzelf niet tot het verlies van eigendom van het voorwerp, maar deze beperken wel het ongestoorde genot van eigendom. De Hoge Raad zet het kader uiteen om te beoordelen of zo’n beperking als gevolg van inbeslagneming en overdracht op grond van een EOB ‘lawful’ is, waarbij onder meer van belang is of de inbeslagneming en de overdracht een ‘legitimate aim in the public interest’ dienen en of een ‘fair balance’ is getroffen tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van het individuele recht op ongestoord genot van eigendom anderzijds. Voorts gaat de Hoge Raad er uitgebreid op in dat het uitgangspunt dat de uitvaardigende staat geacht moet worden de grondrechten – waaronder het recht op (ongestoord genot van) eigendom – na te leven, alleen uitzondering lijdt in het geval dat door of namens de klager voldoende onderbouwd is aangevoerd dat de bescherming van het door art. 1 Eerste Protocol EVRM en art. 17 Handvest gewaarborgde recht op (ongestoord genot van) eigendom evident tekortschiet.