Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.3.3.b.ii
5.3.3.b.ii De 'locus protectionis'
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS464023:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie noot 501 van dit hoofdstuk 5.
Internationaal Gerechtshof 19 december 1978, /C/ Reports 1978, p. 32, no. 77 (`Aegean Sea Continental Shelf'). Zie Sinclair 1984, p. 125, alsook noot 407 van dit hoofdstuk 5.
Zie Kooijmans/Bms, Blokker & Senden 2008, p. 43 e.v.; Ulmer 1975, p. 13.
Zie Kooijmans/Bms, Blokker & Senden 2008, p. 48 e.v. Zie bijvoorbeeld art. 74 Rijksoctrooiwet 1995, dat een aantal bepalingen van de Nederlandse octrooiwet van toepassing verklaart ten aanzien van het Nederlandse deel van het continentaal plat, 'doch uitsluitend voor zover het betreft handelingen gericht op en verricht tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid van natuurlijke rijkdommen of het winnen daarvan?' Daarmee is een (beperkend) verband gelegd met de soevereine rechten die Nederland ten aanzien van zijn continentaal plateau mag uitoefenen. Zie Huydecoper & Van Nispen 2002, p. 228-229. Vgl. ook art. 1 onder a Wet conflictenrecht onrechtmatige daad. De volkenrechtelijke vraag of een dergelijke uitbreiding ook is toegelaten ten aanzien van andere gebieden waarop volgens het internationale recht soevereine rechten (kunnen) worden uitgeoefend, namelijk de contigue zone en de exclusieve economische zone, valt buiten het bestek van deze studie. Zie ook Van Nispen 2008.
Vgl. in dit verband art. Ster van het Verdrag van Parijs over bepaalde octrooirechtelijke toepassingen in vaar-, voer-, en luchtvaartuigen (zie ook art. 54 Rijksoctrooiwet 1995, en het daarin vermelde art. 27 Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, Stb. 1947, H 165; zie Huydecoper & Van Nispen 2002, p. 231). Art. Ster van het Verdrag van Parijs is geen beperking van het begrip 'grondgebied', zoals Ulmer 1975, p. 13 lijkt te suggereren, maar een beperking van de beschermingsomvang ('niet als inbreuk zal worden aangemerkt').
Over intellectuele-eigendomsrecht in de ruimte, zie onder meer Saragovitz 1976 en Beier & Stauder 1985. Zie ook art. 21 van het Verdrag betreffende samenwerking inzake het civiele internationale ruimtestation, Washington 29 januari 1998, Trb. 1999, 184.
Zie art. 1 onder b en c van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (Stb. 2001, 190). Merk op dat deze bepaling voor luchtvaartuigen niet is beperkt tot het locus sine lege-geval, zie daarover het advies van de Staatscommissie IPR van 23 december 1996, in: De Boer 1998, p. 73. Deze bepaling figureerde, nadrukkelijk ontleend aan art. 1 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad, in het voorstel van de Europese Commissie voor de Rome II-Verordening (COM/2003/0427 def., art. 18), maar is uiteindelijk niet overgenomen. In de praktijk bedient men zich ook van andere oplossingen. Zo is voor DVD-video's bijvoorbeeld binnen de regioverdeling van de wereld (`Regional Playback Control') een aparte regiocode in het leven geroepen voor vliegtuigen, schepen, enz. (regiocode 8).
Vgl. ook Keller & Siehr 1986, p. 169. Daarbij geldt overigens als voorwaarde dat het betrokken verdrag (de Berner Conventie en/of het Verdrag van Parijs) wel geldt voor deze territoriale eenheid. De conflictregel in het beginsel van nationale behandeling heeft immers geen universeel toepassingsgebied (zie noot 479 van dit hoofdstuk 5). Terzijde: tamelijk onwaarschijnlijk, maar theoretisch denkbaar is nog de situatie dat een land meerdere intellectuele-eigendomsrechtssystemen kent voor verschillende (nationale) bevolkingsgroepen. Dan wordt naar een meervoudig c.q. personeel-versplinterd rechtsstelsel verwezen. Zie daarover noot 9 van hoofdstuk 6.
Benelux-Verdrag inzake de warenmerken van 19 maart 1962, Trb. 1962, 58 en de bijbehorende Eenvormige Beneluxwet op de merken; Benelux-Verdrag inzake tekeningen of modellen van 25 oktober 1966, Trb. 1966, 292, en de bijbehorende Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen of modellen. Al deze regelingen zijn per 1 september 2006 vervangen door het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (`BVIE') van 25 februari 2005, Trb. 2005, 96.
Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PbEG 1994, L 11/1; nadien gewijzigd).
Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG 1994, L 227/1; nadien gewijzigd). Het kwekersrecht valt buiten het bestek van deze studie, zie alinea 10 hiervoor).
Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PbEG 2002, L 3/1; nadien gewijzigd).
Die gedachte lijkt voor het eerst te zijn geuit door Ulmer 1975, p. 73.
Samenvoeging van territoria is aan de orde in het geval van verovering van een land, of van een samengaan van twee landen (zoals de Bondsrepubliek Duitsland en de Duitse Democratische Republiek in 1990).
Ten onrechte, want de lidstaten zijn zelfstandige staten met een zelfstandig grondgebied. De Europese Gemeenschap zelf is geen land of staat, zij is een volkenrechtelijke rechtspersoon zonder eigen grondgebied — en in die hoedanigheid is zij niet eens aangesloten bij het Verdrag van Parijs of de Berner Conventie. Voor (de lex loci protectionis-conflictregel in) deze verdragen zijn alleen de territoria van de lidstaten van de Europese Gemeenschap relevant.
COM/2003/0427 def., p. 23 (onderstreping toegevoegd). Zie ook het voorstel van de Hamburg Group (Hamburg Group 2003, p. 21-24), waardoor de Europese Commissie zich naar verluidt heeft laten inspireren (zie Drexl 2005, p. 157).
Uit de gangbare misvatting dat er sprake is van één groot territoir, is ook voortgekomen de verwijzing in art. 8 lid 2 naar 'het recht van het land waar de inbreuk is gepleegd' Men meende immers dat een verwijzing naar het recht van het land waarvoor de bescherming wordt ingeroepen (de lex loci protectionis) hier tekort schiet, en is daarom uitgeweken naar verwijzing naar het recht van het land waar de inbreuk is gepleegd. Aangenomen mag worden dat men hier niet van het lex loci protectionis-stramien heeft willen afwijken door een aparte lex loci delicti-verwijzing te introduceren. Maar het gevaar bestaat natuurlijk dat lid 2 toch als een lex loci delicti-verwijzing wordt opgevat. Vgl. bijvoorbeeld Schaper 2005, p. 204 e.v.; vgl. ook Van Engelen 2008, p. 442-443. Een betere formulering zou zijn: 'het recht van de lidstaat waarvoor de bescherming wordt ingeroepen.' Zie ook noot 512 van dit hoofdstuk 5. Terzijde: in de redenering van de Europese wetgever, zo mag worden aangenomen, vormt art. 8 lid 2 van de Rome II-Verordening thans het internationaal privaatrecht waarnaar wordt verwezen in art. 97 lid 2 en art. 98 lid 2 van de Verordening inzake het Gemeenschapsmerk, art. 88 lid 2 van de Verordening betreffende Gemeenschapsmodellen en art. 53 nonies lid 2 van de ontwerp-Verordening betreffende het Gemeenschapsoctrooi (Raadsdocument 7119/04 PI 28 van 8 maart 2004).
`Auflockerung' wordt hier bijvoorbeeld door Metzger 2005, p. 218 e.v. voorgesteld.
Denkbaar was immers geweest dat het communautaire recht een andere oplossing zou voorstaan ter regeling van door hem ongeregelde kwesties (zoals bijvoorbeeld de 'algemene beginselen'-benadering van art. 7 lid 2 Weens Koopverdrag).
Dit kan worden gerealiseerd door, bijvoorbeeld voor het Gemeenschapsmerk, art. 97 lid 2 van de desbetreffende Verordening als volgt te herformuleren: 'Op alle zaken die niet in deze verordening geregeld zijn, past de rechtbank voor het Gemeenschapsmerk het nationale recht van de lidstaat waarvoor de bescherming wordt ingeroepen, toe' Op dezelfde leest zou art. 98 lid 2 moeten worden geschoeid: 'Overigens past de rechtbank voor het Gemeenschapsmerk het nationale recht van de lidstaat waarvoor de bescherming wordt ingeroepen, toe.' (daargelaten de vraag of die bepaling niet overbodig is gelet op art. 97 lid 2). Vgl. in dit verband ook art. 88 lid 2 van de Verordening betreffende Gemeenschapsmodellen en art. 53 nonies lid 2 van de ontwerp-Verordening betreffende het Gemeenschapsoctrooi (Raadsdocument 7119/04 PI 28 van 8 maart 2004).
726. Locus. Bezien wij in de tweede plaats het begrip 'land' in de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling in de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs, dus: de 'locus protectionis'. Daarbij zij — nogmaals — aangetekend dat beter zou zijn om te spreken over het 'territorium protectionis' en de 'lex territorii protectionis'.1
727. Territoir en continentaal plat. Het begrip 'land' of 'grondgebied' is in beide verdragen niet gedefinieerd. Aangenomen mag worden dat dit een open begrip is ("generic term") waarvan de "meaning was intended to follow the evolution of the law and to correspond with the meaning attached to the expression by the law in force at any given time"2, zodat hieronder niet alleen het territoir van een staat moet worden begrepen3, maar in beginsel ook de gebieden waar deze staat volgens het internationale recht bepaalde soevereine rechten mag uitoefenen (functionele jurisdictie) — men denke aan het continentaal plat.4
728. (Lucht)vaartuigen. Voorts kunnen schepen en luchtvaartuigen specifieke problemen oproepen.5 Is het Luxemburgse auteursrecht bijvoorbeeld van toepassing ten aanzien van de vertoning van een film in een Australisch vliegtuig (zolang als) dat boven Luxemburg vliegt?
729. Locus sine lege. In dit verband komt ook de locus sine lege-problematiek in beeld: welk auteursrecht is bijvoorbeeld van toepassing ten aanzien van de vertoning van een film op een cruiseschip op volle zee, of in een vliegtuig dat boven volle zee vliegt? Of is op deze locus sine lege geen auteursrecht van toepassing? Die problematiek doet zich ook voor buiten de context van schepen en luchtvaartuigen: geldt er bijvoorbeeld octrooirecht, en zo ja welk octrooirecht, in Antarctica, op een booreiland op volle zee, en in het International Space Station?6
730. Oplossing Wet conflictenrecht onrechtmatige daad. Voor een aantal van de bovengenoemde problemen zou men aansluiting kunnen zoeken bij de oplossing in artikel 1 van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad, waarin met het grondgebied van een staat gelijk wordt gesteld (i) het in die staat teboekgestelde schip voor zover het zich op volle zee bevindt, en (ii) het in die staat teboekgestelde luchtvaartuig voor zover het zich in het luchtruim bevindt.7
731. Daarmee is nog niet alles gezegd over het 'territoir' van het land waarvoor de bescherming wordt ingeroepen.
732. Meervoudige rechtsstelsels. Het is mogelijk dat dat territoir bestaat uit meer dan één territoriale eenheid, en dat verschillende van die eenheden eigen rechtsregels inzake intellectuele eigendom kennen. Dit is bijvoorbeeld het geval voor het Koninkrijk der Nederlanden: zo hebben de Nederlandse Antillen en Aruba eigen regelingen inzake auteurs- en merkenrecht. De lex loci protectionis-verwijzing verwijst in zo'n geval naar een meervoudig c.q. territoriaal-versplinterd rechtsstelsel. Welk recht wordt er dan aangewezen? De meest voor de hand liggende oplossing is dat onder 'het land waarvoor de bescherming wordt ingeroepen' ook een dergelijke territoriale eenheid wordt verstaan. Zo is het ook in artikel 25 van de Rome II-Verordening opgelost.8
733. Unitaire rechten. Bezien wij in dit kader ten slotte een fenomeen dat naar gangbare vooronderstelling ook in verband wordt gebracht met het 'territoir', namelijk het fenomeen van de unitaire intellectuele-eigendomsrechten. Dit zijn intellectuele-eigendomsrechten die, op grond van eengemaakt recht, in verschillende landen uniform worden beschermd. Het gaat dus om eenvormig intellectuele-eigendomsrecht. Voorbeelden zijn de Benelux-regelingen krachtens welke in Nederland, België en Luxemburg hetzelfde merk- en modellenrecht geldt9, en de communautaire regelingen inzake het Gemeenschapsmerk10, het Gemeenschapskwekersrecht11 en het Gemeenschap smodel.12 De gangbare gedachte is dat in zo'n geval sprake is van één groot territoir: de territoria van de verschillende landen zijn samengevoegd tot één groot territoir, dat de locus protectionis vormt.13
734. Die gedachte is echter niet juist. De deelnemende landen hebben immers niet hun territoria samengevoegd — zij hebben alleen het in hun territoir geldende recht eengemaakt.14 Hun territoir (grondgebied) blijft hetzelfde — en dat nationale territoir blijft dus ook de locus protectionis. Er is dus geen sprake van een vergrote locus protectionis. Voor de lex loci protectionis-verwijzing doet zich hier dan ook geen probleem voor. Als bijvoorbeeld een Gemeenschapsmerk in Nederland wordt geschonden, is op grond van de lex loci protectionis-verwijzing het in Nederland terzake geldende recht van toepassing: en dat is in dit geval de communautaire Verordening inzake het Gemeenschapsmerk.
735. Art 8 lid 2 Rome II-Verordening. De gangbare misvatting dat er sprake is van één groot territoir, is evenwel hardnekkig; zij heeft zich ook genesteld in de Rome II-Verordening. De Europese wetgever ging uit van de gedachte dat de locus protectionis van communautaire intellectuele-eigendomsrechten de Gemeenschap als geheel is. Hij merkte de Gemeenschap dus — ten onrechte — aan als het land waarvoor de bescherming wordt ingeroepen.15 Vanuit die gedachte meende hij dat de lex loci protectionis-verwijzing (artikel 8 lid 1 van de Rome II-Verordening) tekortschiet wanneer het gaat om de vraag welk recht van toepassing is ten aanzien van kwesties die door de communautaire intellectuele-eigendomsrechtelijke regelingen ongeregeld worden gelaten. De lex loci protectionis is aldus bezien immers de desbetreffende communautaire regeling, en die regeling laat de desbetreffende kwesties nu juist ongeregeld. Dus achtte hij een aparte bepaling nodig:
"Lid 2 heeft betrekking op inbreuken op eengemaakte communautaire rechten, zoals het gemeenschapsmerk, de gemeenschapsmodellen of andere eventuele toekomstige rechten (...). Aangezien de locus protectionis in dit geval de Gemeenschap in haar geheel is, worden de in deze ontwerp-verordening bedoelde niet-contractuele verbintenissen rechtstreeks beheerst door het gemeenschapsrecht, dat eenvormig is. Voor het geval dat bij een inbreuk uit de toepasselijke communautaire voorschriften met betrekking tot een specifieke kwestie noch de materiële regel, noch de bijzondere collisieregel kan worden afgeleid, bevat artikel 8, lid 2, van de ontwerp-verordening een subsidiaire regel volgens welke de wet van toepassing is van de lidstaat waar inbreuk is gemaakt op het intellectuele-eigendomsrecht van communautaire oorsprong." 16
736. Zo is artikel 8 lid 2 geboren, luidende:
"De niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een unitair communautair intellectuele-eigendomsrecht, wordt, voor alle aangelegenheden die niet door het desbetreffende communautaire instrument zijn geregeld, beheerst door het recht van het land waar de inbreuk is gepleegd." 17
737. Die bepaling is echter, zo moge ondertussen duidelijk zijn, vanuit conflictenrechtelijk oogpunt overbodig. De lex loci protectionis-verwijzing werkt immers probleemloos: de locus protectionis is nog steeds het land (de lidstaat) waarvoor de bescherming wordt ingeroepen — diens recht is de lex loci protectionis. Wanneer dus, als gezegd, een Gemeenschapsmerk in Nederland wordt geschonden, dan is op grond van de lex loci protectionis-verwijzing het in Nederland geldende recht van toepassing: dat is in de eerste plaats de communautaire Verordening inzake het Gemeenschapsmerk, en voor zover die Verordening bepaalde kwesties ongeregeld laat, is dat het overige in Nederland geldende recht. Een ander rechtsstelsel komt in het geheel niet in beeld. En, zo moge daaraan worden toegevoegd, op grond van de lex loci protectionis-verwijzing in het beginsel van nationale behandeling van het Verdrag van Parijs en de Berner Conventie zijn `Auflockerung' en `Zersplitterung' in dit verband ook uitgesloten. Hier mag dus bijvoorbeeld geen rechtskeuze of accessoire aanknoping worden geïntroduceerd.18
738. Al met al is de bepaling van artikel 8 lid 2 Rome II-Verordening op een onjuiste gedachte gebaseerd en is zij vanuit conflictenrechtelijk oogpunt overbodig. Zij is hooguit nuttig om aan te geven dat de communautaire intellectuele-eigendomsrechtelijke regelingen zich er niet tegen verzetten dat door hen ongeregelde kwesties worden geregeld door het overige, nationale recht van het land waarvoor de bescherming wordt ingeroepen.19 Een bepaling met die strekking past evenwel beter in de desbetreffende Verordeningen dan in de conflictenrechtelijke Rome IIVerordening. Dit had men eenvoudig kunnen realiseren20, en het was voor de rechtspraktijk bovendien overzichtelijker geweest dan de huidige constellatie.