Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/9.2.4
9.2.4 Huidige rechtspraktijk
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS594404:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De 18 geïnterviewde rechters hadden zelfs überhaupt nooit een veroordeling in de werkelijk gemaakte kosten uitgesproken.
Zie § 4.9.4.4.
De hoven hanteren deze tarieven officieel niet en ze gelden ook niet in octrooizaken. Bovendien gelden de IE-tarieven 'ter indicatie van wat maximaal redelijk is', terwijl de bedragen in het liquidatietarief echt forfaitair bedoeld zijn. Zie § 4.5.2.
Dit gebeurt echter niet snel ambtshalve: de kostenstaat moet dan wel door de wederpartij zijn betwist.
Of aan aanwijzingen in de rolreglementen of de Handleiding Regie. En uiteraard jurisprudentie als er al eerder een kostenconsequentie aan soortgelijk gedrag is verbonden. Zie over de categorieën uit Haardt 1945 ook § 4.3.4.
Hoofdstuk 3 en 5 (resp. theorie over verstorend gedrag en interviews) kunnen daartoe mede dienen, maar ook Van der Wiel 2004 en Lindijer 2006 zijn geschikt voor dergelijke verwijzingen.
Niet onderzocht is wat het effect van het vragen om een kostenconsequentie heeft op de relatie, en daarmee ook op de schikkingskansen, met (de advocaat van) de wederpartij. Dit kan een extra belemmering vormen.
Welke inzichten biedt dit onderzoek voor de rechters en advocaten die zich over een actuele, individuele zaak moeten buigen? De in de vorige subparagrafen gegeven aanbevelingen hebben slechts betrekking op een wijziging van het bestaande systeem. Daarom wordt nu ingegaan op wat procesdeelnemers kunnen verwachten en doen als zij in het huidige systeem, dus voordat eventuele nieuwe regels worden opgesteld, met verstorend procesgedrag worden geconfronteerd. Eerst wordt naar de positie van de rechter gekeken en daarna wordt met advocaten en partijen meegedacht.
De aanbeveling aan rechters is niet om na lezing van dit boek meteen alle reserves te laten varen en volop kostenconsequenties uit te gaan spreken. Onder de huidige regeling is de terughoudendheid met kostenconsequenties namelijk grotendeels terecht, vanwege het gevaar van onvoorspelbaarheid en satellite litigation. Als van (over)duidelijke verstorende gedragingen geen sprake is, zullen partijen er op rekenen dat het liquidatietarief wordt toegepast.
De rechterlijke macht kan beter snel in overleg treden met de Orde en andere organisaties om tot een nieuw liquidatietarief te komen en samen vast te stellen aan welke gedragingen kostenconsequenties kunnen worden verbonden en welke maximumbedragen daarbij passen. Een uniforme (rechters)regeling is wenselijker dan dat iedere individuele rechter op basis van dit onderzoek een eigen conclusie trekt.
Voordat een dergelijke regeling is vastgesteld geldt de status quo, zoals die uitgebreid in kaart is gebracht in dit onderzoek. Daarbij geldt dat de rechter in normale en familiezaken meestal slechts bij misbruik van procesrecht en/of onrechtmatig procederen een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten zal uitspreken en dat dit landelijk slechts enkele malen per jaar gebeurt. Het helpt daarbij als de advocaat deze consequentie vordert, want ambtshalve zal geen enkele rechter een dergelijke kostenbeslissing nemen.1
Ook bij nodeloze kosten helpt het als een partij verzoekt om daarmee rekening te houden in de proceskosten. De geïnterviewde rechters zeggen de nodeloze-kostenregeling vooral toe te passen bij het niet verschijnen ter zitting, bij overbodige of premature processen, bij summiere dagvaardingen die een extra ronde veroorzaken en bij onnodige aktes. Uit de uitspraken op rechtspraak.nl blijkt bovendien dat wanneer een partij in hoger beroep gelijk krijgt, maar in eerste aanleg wegens een eigen fout of verzuim verweer te voeren ongelijk heeft gekregen en doordoor het hoger beroep heeft veroorzaakt, de hoven daar soms kostenconsequenties aan verbinden. Zij zijn daar echter niet consequent in: de ene keer wordt het hoger beroep als nodeloos aangemerkt, de andere keer de eerste aanleg en soms wordt in één of beide instanties gecompenseerd.2
In IE-zaken worden de indicatietarieven in de praktijk minder nauw gevolgd dan het liquidatietarief en is überhaupt meer ruimte om over de (hoge!) kostenveroor-delingen te discussiëren.3 De geïnterviewde rechters voelen hier meer ruimte en behoefte om met het procesgedrag rekening te houden en er wordt bij de kosten-beslissing ook kritisch gekeken naar de efficiëntie van het procederen aan de zijde van de winnende partij, met name wanneer die met meerdere advocaten procedeert.4
Welke les kunnen partijen en advocaten die in de huidige situatie graag een kostenconsequentie tegen de wederpartij uitgesproken zien worden hier uit trekken? Het lijkt niet te lonen om in twijfelgevallen een kostenconsequentie te vragen. Dat is vaak zonde van de tijd en moeite, vanwege de lage slagingskans. In een duidelijker geval kan het meer de moeite waard zijn, maar dan lijkt het te helpen als het verzoek in de stukken goed wordt onderbouwd, bijvoorbeeld door bij een verzoek om de werkelijk gemaakte proceskosten daadwerkelijk de criteria van misbruik van procesrecht en de onrechtmatige daad na te lopen.
In de onderbouwing van een verzoek om met nodeloze kosten rekening te houden, zou het gedrag van de wederpartij in een categorie van Haardt kunnen worden geplaatst of worden gekoppeld aan een artikel met een 'geraden gevolgtrekking' in de wet.5 Ook kan worden verwezen naar literatuur die de betreffende gedraging als verstorend beschouwt.6 Slechts dan is er een gerede kans dat de rechter overtuigd is dat de vage grens tussen nodig en onnodig gedrag is overschreden.7