Zie HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769, NJ 2020/229, m.nt. P. Mevis, r.o. 3.4.1. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte wel op de hoogte is van de zitting, maar zonder bericht niet verschijnt en diens (al dan niet gemachtigd) raadsman ter terechtzitting uitsluitend stelt dat de verdachte eerder heeft aangegeven wel aanwezig te willen zijn. Vgl. HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172.
HR, 08-10-2024, nr. 22/02881
ECLI:NL:HR:2024:1396
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-10-2024
- Zaaknummer
22/02881
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1396, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:650
ECLI:NL:PHR:2024:650, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1396
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0221
Uitspraak 08‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Besturen motorrijtuig terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9.2 WVW 1994). Aanhoudingsverzoek door gemachtigde raadsvrouw ttz. in hoger beroep gedaan i.v.m. onverwacht afwezige verdachte, door hof afgewezen op de grond dat het simpele zaak betreft en betekening correct is. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1737 m.b.t. beoordelingskader aanhoudingsverzoeken. Raadsvrouw heeft hof verzocht onderzoek ttz. aan te houden, opdat verdachte bij behandeling van strafzaak aanwezig zou kunnen zijn. Raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat weliswaar om eenvoudige zaak gaat, maar dat in eerste aanleg gevangenisstraf van 2 weken is opgelegd, en dat (gelet op actuele persoonlijke omstandigheden van verdachte) van belang is dat hof zelf indruk krijgt van verdachte. Raadsvrouw heeft verder aangegeven dat zij van verdachte had begrepen dat hij vervoer naar tz. zou regelen en hij normaal gesproken altijd iets laat weten als hij niet komt, waarbij zij als mogelijkheid heeft geopperd dat verdachte in file staat of last heeft van boerenprotesten. Hof heeft verzoek afgewezen omdat het “simpele zaak” betreft en “betekening correct (is)”. Daarmee heeft hof, gelet op beoordelingskader en in licht van wat raadsvrouw heeft aangevoerd, zijn beslissing niet toereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02881
Datum 8 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 juli 2022, nummer 21-003578-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder in:
“Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. S.G.H. van de Kamp, advocate te ‘s-Hertogenbosch, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
(...)
De raadsvrouw deelt desgevraagd mede dat het adres van verdachte een postadres betreft. Hij heeft zich anderhalve maand geleden uitgeschreven. Via de hulpverlening heeft hij zich daar destijds ingeschreven. Mijn cliënt slaapt momenteel bij zijn schoonouders. Zijn ouders zijn naar Groot-Brittannië geëmigreerd en ook zijn zus is recentelijk geëmigreerd. Hij is hier dus ‘alleen’.
De raadsvrouw voert het woord:
Ik wil u verzoeken de zaak aan te houden. Het is weliswaar een eenvoudige zaak. maar er is wel twee weken gevangenisstraf opgelegd. De hulpverlening dateert van mei. Cliënt zou een uitkering aanvragen en een woning betrekken. Daarvoor moest hij wel student zijn, maar dat is hij niet. Hij is bezig met het starten van een dakdekkersbedrijf en hij bekijkt of hij zijn rijbewijs kan halen. Ik acht het van belang dat u zelf een indruk krijgt van cliënt. Ik had hem vandaag ook verwacht. Ik heb hem nog aangegeven dat het hier in Arnhem is. Hij zou vervoer regelen. Ik durf niet te zeggen of hij in de file staat of last heeft van de boerenprotesten. Ik vind het lastig omdat hij normaal gesproken altijd iets laat weten. Het is van belang dat hij aanwezig is en hij wilde ook aanwezig zijn.
De advocaat-generaal voert desgevraagd het woord:
Ik vind het prima om even te wachten. Ik zal mij verzetten tegen aanhouding. Het is belangrijk te weten hoe de verdachte in de wedstrijd zit, maar dan moet hij wel bij de wedstrijd zijn. Hij is op tijd opgeroepen.
De raadsvrouw reageert:
Het is de eerste keer dat de zaak op zitting staat. Ik persisteer bij het aanhoudingsverzoek.
De voorzitter deelt als beslissing mede:
Het is een simpele zaak. De betekening is correct. Ik zal het aanhoudingsverzoek afwijzen.”
2.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt.Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden - in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte - of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd - als dat juist zou zijn - in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al - dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan - afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).
2.4.
De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof verzocht het onderzoek op de terechtzitting aan te houden, opdat de verdachte bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig zou kunnen zijn. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het weliswaar om een eenvoudige zaak gaat, maar dat er in eerste aanleg een gevangenisstraf van twee weken is opgelegd, en dat het - gelet op, kort gezegd, de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte - van belang is dat het hof zelf een indruk krijgt van de verdachte. De raadsvrouw heeft verder aangegeven dat zij van de verdachte had begrepen dat hij vervoer naar de terechtzitting zou regelen en hij normaal gesproken altijd iets laat weten als hij niet komt, waarbij zij als mogelijkheid heeft geopperd dat de verdachte in de file staat of last heeft van boerenprotesten.Het hof heeft het verzoek afgewezen omdat het “een simpele zaak” betreft en “de betekening correct (is)”. Daarmee heeft hof, gelet op het hiervoor onder 2.3 vooropgestelde beoordelingskader en in het licht van wat de raadsvrouw heeft aangevoerd, zijn beslissing niet toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2024.
Conclusie 25‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Aanhoudingsverzoek i.v.m. aanwezigheidsrecht, omdat verdachte onverwacht niet ter zitting is verschenen. Afwijzing door hof ontoereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02881
Zitting 25 juni 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 29 juli 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging (van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen) afgewezen.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
4. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juli 2022 houdt in verband met dit aanhoudingsverzoek het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] .
geboren te [geboorteplaats ] op 9 [geboortedatum] 1998.
wonende te [plaats] . [a-straat 1] .
is niet verschenen.
Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. S.G.H. van de Kamp, advocate te 's-Hertogenbosch, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
Alle mededelingen en verklaringen in dit proces-verbaal betreffen een zakelijke weergave.
De raadsvrouw deelt desgevraagd mede dat het adres van verdachte een postadres betreft. Hij heeft zich anderhalve maand geleden uitgeschreven. Via de hulpverlening heeft hij zich daar destijds ingeschreven. Mijn cliënt slaapt momenteel bij zijn schoonouders. Zijn ouders zijn naar Groot-Brittannië geëmigreerd en ook zijn zus is recentelijk geëmigreerd. Hij is hier dus 'alleen'.
De raadsvrouw voert het woord:
Ik wil u verzoeken de zaak aan te houden. Het is weliswaar een eenvoudige zaak, maar er is wel twee weken gevangenisstraf opgelegd. De hulpverlening dateert van mei. Cliënt zou een uitkering aanvragen en een woning betrekken. Daarvoor moest hij wel student zijn, maar dat is hij niet. Hij is bezig met het starten van een dakdekkersbedrijf en hij bekijkt of hij zijn rijbewijs kan halen. Ik acht het van belang dat u zelf een indruk krijgt van cliënt. Ik had hem vandaag ook verwacht. Ik heb hem nog aangegeven dat het hier in Arnhem is. Hij zou vervoer regelen. Ik durf niet te zeggen of hij in de file staat of last heeft van de boerenprotesten. Ik vind het lastig omdat hij normaal gesproken altijd iets laat weten. Het is van belang dat hij aanwezig is en hij wilde ook aanwezig zijn.
De advocaat-generaal voert desgevraagd het woord:
Ik vind het prima om even te wachten. Ik zal mij verzetten tegen aanhouding. Het is belangrijk te weten hoe verdachte in de wedstrijd zit, maar dan moet hij wel bij de wedstrijd zijn. Hij is op tijd opgeroepen.
De raadsvrouw reageert:
Het is de eerste keer dat de zaak op zitting staat. Ik persisteer bij het aanhoudingsverzoek.
De voorzitter deelt als beslissing mede:
Het is een simpele zaak. De betekening is correct. Ik zal het aanhoudingsverzoek afwijzen.”
5. In het algemeen en kort samengevat gelden op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad de volgende regels voor de beslissing van de rechter op een door of namens de verdachte in verband met het aanwezigheidsrecht gedaan verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. De rechter moet eerst nagaan (i.) of aan het aanhoudingsverzoek concreet een omstandigheid ten grondslag is gelegd. Als zo’n omstandigheid niet is aangevoerd, kan het verzoek om die reden worden afgewezen.1.Als zo’n omstandigheid wel is aangevoerd, kan de rechter nagaan (ii.) of de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Nadat zo nodig gelegenheid is geboden voor nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.2.Indien de rechter niet tot het oordeel komt dat die omstandigheid niet aannemelijk is, dient hij (iii.) een afweging te maken tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van die afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het aanhoudingsverzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.3.
6. In deze zaak heeft de (gemachtigde) raadsvrouw ter terechtzitting een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting gedaan, omdat de verdachte anders dan verwacht niet ter terechtzitting is verschenen, terwijl zijn aanwezigheid voor de beoordeling van de zaak die in eerste aanleg heeft geleid tot oplegging van een gevangenisstraf van twee weken van belang is en de verdachte ook aanwezig wilde zijn.
7. Het hof heeft bij de afwijzing van het verzoek niet als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de raadsvrouw geen omstandigheid ten grondslag heeft gelegd aan het aanhoudingsverzoek. Het hof heeft ook niet geoordeeld dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk was, of er blijk van gegeven de hierboven (onder 5 en iii.) bedoelde belangenafweging te hebben gemaakt. Met andere woorden heeft het hof in de motivering van de afwijzing van het verzoek niet één van de drie afwijzingsgronden genoemd die volgen uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Daarmee is de beslissing van het hof ontoereikend gemotiveerd.
Slotsom
8. Het middel slaagt.
9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑06‑2024
Zie HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737, NJ 2020/230, m.nt. P. Mevis, r.o. 2.3.
Zie HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m.nt. P. Mevis, r.o. 2.5 en HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737, NJ 2020/230, m.nt. P. Mevis, r.o. 2.3.