Prg. 2026/112
Hof kan niet vaststellen dat alle Uber-chauffeurs werken op basis van een arbeidsovereenkomst.
Hof Amsterdam 27-01-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:163
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
27 januari 2026
- Magistraten
Mrs. G.C. Boot, M.L.D. Akkaya, F.J. van de Poel
- Zaaknummer
200.300.335/01
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHAMS:2026:163, Uitspraak, Hof Amsterdam, 27‑01‑2026
ECLI:NL:GHAMS:2024:601, Uitspraak, Hof Amsterdam, 13‑02‑2024
ECLI:NL:GHAMS:2023:2220, Uitspraak, Hof Amsterdam, 03‑10‑2023
ECLI:NL:GHAMS:2022:2080, Uitspraak, Hof Amsterdam, 19‑07‑2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:855, Uitspraak, Hof Amsterdam, 22‑03‑2022
- Wetingang
Art. 7:610 BW; art. 3 Wet AVV
Essentie
Arbeidsovereenkomstenrecht. Kan rechter op grond van Wet AVV algemeen oordeel geven of sprake is van arbeidsovereenkomst, indien blijkt dat individuele omstandigheden van werknemers te veel uiteenlopen.
Nee. Maar voor zover rechter wel oordeel kan geven voor bepaalde groepen werknemers, kan dit in dictum tot uiting worden gebracht.
Samenvatting
Uber-chauffeurs verzoeken de kantonrechter op grond van art. 3 lid 2 AVV de cao op chauffeurs van Uber van toepassing te verklaren. De kantonrechter wijst toe. Het hof buigt zich over de vraag of de betrokken Uber-chauffeurs wel werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst.
Volgens ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.