Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.1.1:17.3.1.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.1.1
17.3.1.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495894:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Anders dan geldt voor het strafrechtelijk zwijgrecht in art. 29 Sv, is in art. 5:10a Awb niet uitdrukkelijk een pressieverbod verwoord. De wetsgeschiedenis bij art. 5:10a Awb gaat hier niet op in. Een mogelijke verklaring voor het ontbreken van een (verwijzing naar het) pressieverbod is dat het verhoor in fiscale boetezaken een ander – milder – karakter pleegt te hebben dan geldt voor het strafrechtelijk verhoor. Zie nader § 19.6.2 hierna.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het boeterechtelijk zwijgrecht in art. 5:10a Awb laat de (potentiële) boeteling de keuze om tijdens verhoor al dan niet ‘verklaringen omtrent de overtreding’ af te leggen.1 Hij kan niet worden bestraft voor zijn weigering om daarover te verklaren. In fiscale boetezaken gaat het dan om de (verdenking van een) overtreding van een fiscaal voorschrift, die wordt bedreigd met een verzuim- of vergrijpboete. In § 14.4.3 kwam ter sprake dat moet worden aangenomen dat het boeteonderzoek in belastingzaken steunt op de bijkomende (informatie)verplichtingen ex art. 47 e.v. AWR.
Voor wat betreft vragen van de inspecteur omtrent de (fiscale) overtreding komt de inlichtingenplicht in art. 47, lid 1, onder a AWR als bevoegdheidsgrondslag in beeld. In § 17.3.1.2 zal ik enkele opmerkingen maken over art. 47 in relatie tot het verhoor in boetezaken. In § 17.3.1.3 zal ik (nader) ingaan op de – voor de praktijk belangrijke – beperking van het boeterechtelijk zwijgrecht tot zuivere boete- of schuldvragen tijdens verhoor en de relatie daarvan met het (ruimere) EVRM-zwijgrecht. In § 17.3.1.4 volgen nog enkele opmerkingen over de betekenis van het boeterechtelijk zwijgrecht in de bezwaar- en beroepsfase, dus na het opleggen van de fiscale boetebeschikking.