Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/11.3.1:11.3.1 Algemeen
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/11.3.1
11.3.1 Algemeen
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498320:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen), § 105.
EHRM 21 december 2000 (Quinn t. Ierland), § 55.
Zie hoofdstuk 6, 4.3.1 hiervoor. Omdat het Hof rept over het gebruik in de latere (straf)procedure, ligt het niet voor de hand dat het met de term ‘indirect use’ (mede) het oog heeft op het gebruik als startinformatie voor verder onderzoek.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het belang van het afgedwongen bewijs
De vraag of het belastend gebruik van het resultaat van de medewerking (verklaringen, fysiek bewijs) die van de verdachte zelf is afgedwongen, ontaardt in een onbehoorlijk strafproces, moet worden beantwoord met inbegrip van de omstandigheden, waaronder het respect voor de rechten van de verdediging en de kwaliteit en het belang van het litigieuze bewijs (‘the weight attached to the evidence’1). Het gebruik van (het resultaat van) de van de verdachte verkregen medewerking als toetsingsfactor voor schending, concentreert zich op dit belang of meer precies het aandeel dat de van de (latere) verdachte afgedwongen medewerking heeft in de bewijsvoering tegen hem (‘the impact on the rights to silence or against self-incrimination of the direct or indirect use made in later proceedings against an accused’)2.
De term ‘direct or indirect use’ geeft waarschijnlijk uitdrukking aan de opvatting van het EHRM dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting redelijkerwijs niet is beperkt tot verklaringen of bekentenissen van een overtreding of observaties die rechtstreeks belastend zijn. Verklaringen die oppervlakkig bezien niet belastend zijn, zoals ontlastende verklaringen of informatie van overwegend feitelijke aard, kunnen later worden gebruikt in de strafprocedure als bewijs voor de strafaanklacht of anderszins, bijvoorbeeld om verdachtes geloofwaardigheid te ondermijnen.3
Op grond van de stukken uit de nationale strafprocedure kan het EHRM in de regel vaststellen of, en zo ja in hoeverre, de van de verdachte afgedwongen medewerking als bewijs of anderszins aan de veroordeling van de verdachte heeft bijgedragen (zie § 11.3.2). In het merendeel van de Straatsburgse nemo tenetur-zaken is echter sprake van klagers die in weerwil van de op hen uitgeoefende dwang, na het ‘charge’-moment hebben geweigerd mogelijk belastend bewijs tegen zichzelf te verschaffen. Van belastend (bewijs)gebruik is dan geen sprake, anders dan door het eventueel trekken van negatieve bewijsgevolgen daaruit (§ 11.3.3).