25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/45.3:45.3 Rol van artikel 4:6 Awb
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/45.3
45.3 Rol van artikel 4:6 Awb
Documentgegevens:
prof. mr. R. Ortlep, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. R. Ortlep
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
CBb 1 november 2000, ECLI:NL:CBB:2000:AN6567.
Vgl. CRvB 31 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1238.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gelijk als in de inleidende paragraaf tot uitdrukking is gekomen, is de discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan om zijn besluit te heroverwegen niet neergelegd in artikel 4:6 Awb. Op grond van vaste rechtspraak heeft het bestuursorgaan, wanneer de wetgeving dienaangaande zwijgt, met de bevoegdheid om een besluit te nemen de impliciete bevoegdheid om zijn besluit te heroverwegen. Zo heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in zijn prejudiciële verwijzingsuitspraak van de – in de vorige paragraaf besproken – Kühne & Heitz-zaak als volgt overwogen:
‘Naar Nederlands bestuursrecht staat geen rechtsregel eraan in de weg dat een bestuursorgaan terugkomt op door hem genomen besluiten, die naar nationaal recht definitief zijn geworden, zelfs niet indien er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) zijn. In lijn hiermee biedt artikel 4:6 Awb een bestuursorgaan de mogelijkheid een nieuwe aanvraag om een beschikking bij gebreke van nova op eenvoudige wijze af te doen maar verplicht het hiertoe niet. Naar Nederlands recht heeft een bestuursorgaan derhalve in beginsel steeds de bevoegdheid om terug te komen op een beslissing die definitief is geworden; in beginsel, omdat uiteraard aan de belangen van derden niet tekort mag worden gedaan.’1
Het ontbreken van nova doet dus geen afbreuk aan de impliciete discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan om zijn besluit te heroverwegen. Wat betreft de normering van de uitoefening van die bevoegdheid zijn met name de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van belang. Verder zij opgemerkt dat ook het bestuursorgaan in het kader van een heroverwegingsverzoek een beroep toekomt op de rechtszekerheid – als algemeen rechtsbeginsel – en dat het in de rechtspraak rechtens toelaatbaar wordt geacht dat het heroverwegingsverzoek wordt afgewezen indien een dergelijk verzoek niet binnen een redelijke termijn is ingediend.2
Het bovenstaande geeft aanleiding om in te gaan of artikel 4:6 Awb van belang is bij de vraag of het Unierecht verplicht tot het heroverwegen van een met dat recht strijdig besluit. Doen de vier omstandigheden uit het Kühne & Heitz-arrest zich voor, dan is het bestuursorgaan gehouden om zijn besluit te heroverwegen en speelt artikel 4:6 Awb geen rol, omdat – zoals meermaals is opgemerkt – daarin niet de bevoegdheid tot heroverweging is neergelegd. Doen de vier omstandigheden uit het Kühne & Heitz-arrest zich niet voor, dan speelt artikel 4:6 Awb eveneens om dezelfde reden geen rol. In de vorige paragraaf is uiteengezet dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie naar voren komt dat de vraag of het Unierecht verplicht tot het heroverwegen van een met dat recht strijdig besluit beantwoord moet worden binnen het kader van de beginselen van loyale samenwerking en nationale procedurele autonomie, waarbij de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid de randvoorwaarden zijn waaraan het nationale recht moet voldoen. Daarbij zijn tevens de bijzondere omstandigheden van het geval bepalend voor het aannemen van de voornoemde plicht. Zien die bijzondere omstandigheden, zoals in het Byankov-arrest, op een besluit dat voortdurend en zonder een mogelijkheid tot opheffing een belemmering is van een vrijheid die het Unierecht waarborgt, dan bestaat er op grond van de beginselen van doeltreffendheid en loyale samenwerking een Unierechtelijke plicht tot heroverweging.