Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.2.5:4.2.5 Bewijsmiddelen: wettige bewijsmiddelen en bewijsminima
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.2.5
4.2.5 Bewijsmiddelen: wettige bewijsmiddelen en bewijsminima
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940789:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 339 Sv. De opgesomde bewijsmiddelen worden vervolgens uitgewerkt in de artikelen 340 tot en met 344a Sv.
Knigge 1998, p. 124.
Zie daarover nader Corstens/Borgers 2014, p. 781 e.v. en Knigge 1998, p. 124 e.v..
Art. 341 lid 4 Sv. Zie voor een fiscaal getint voorbeeld HR 1 februari 2022, V-N 2022/11.17.
Corstens/Borgers 2014, p. 757. Zie ten aanzien van de categorie ‘overige geschriften’ ook Corstens/Borgers 2014, p. 814 e.v..
Corstens/Borgers 2014, p. 757-762.
Zie daarover paragraaf 4.2.9 hierna.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechter wordt beperkt in de bewijsmiddelen die hij mag betrekken bij zijn oordeel over de vraag of de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. De wet geeft zelfs een limitatieve opsomming van de toegestane bewijsmiddelen.1 Er is dus geen sprake van een vrije keuze met enkele uitzonderingen, maar juist van een ‘witte’ lijst die alle andere bewijsmiddelen op voorhand uitsluit. De rechter moet zijn overtuiging dus halen uit een verzameling bewijsmiddelen die stuk voor stuk vallen onder één van de toegestane, wettelijk benoemde categorieën. Doet hij dat niet, en baseert hij zich onverhoopt op een bewijsmiddel dat niet ‘wettig’ is, dan zal de Hoge Raad casseren en het vonnis of arrest nietig verklaren.2
De toegestane bewijsmiddelen zijn: eigen waarneming van de rechter, verklaringen van de verdachte, verklaringen van een getuige of van een deskundige en schriftelijke bescheiden.3 Aan elk van deze categorieën stelt de wet vervolgens nadere eisen door het geven van een definitie. Een getuigenverklaring in de zin van de wet kan bijvoorbeeld alleen betrekking hebben op feiten of omstandigheden, die de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden.4 Begrijpelijkerwijs is er over dergelijke vereisten veel geprocedeerd. In het kader van het getuigenbewijs stond bijvoorbeeld dikwijls ter discussie of en in hoeverre verklaringen ‘van-horen-zeggen’ (testimonia de auditu) toelaatbaar zijn.5
In de bepalingen die de limitatief opgesomde wettige bewijsmiddelen uitwerken, zijn bovendien diverse zogenoemde bewijsminima opgenomen. Het gaat daarbij om nadere regels die voor bepaalde categorieën bewijsmiddelen zijn gesteld. Die regels zien bijvoorbeeld op een minimum aantal benodigde bewijsmiddelen. Zonder dat minimum aantal bewijsmiddelen mag de rechter dan geen bewezenverklaring uitspreken. Het bekendste voorbeeld is de regel ‘één getuige is geen getuige’.6 Een ander bekend voorbeeld is de regel dat een bewezenverklaring niet uitsluitend mag zijn gebaseerd op de eigen verklaring(en) van de verdachte.7 Verder bevatten de bewijsminima soms voorschriften over de mate van overtuigingskracht die de rechter aan een bepaald bewijsmiddel mag toekennen.8 Zo mag de rechter zich bijvoorbeeld niet uitsluitend of in beslissende mate baseren op anonieme getuigenverklaringen.9 Ongeacht de werkelijke geloofwaardigheid van een dergelijke verklaring in het concrete geval, zal de rechter die verklaring dus slechts als ondersteunend bewijs mogen gebruiken. Hij heeft dus steeds ook ander bewijsmateriaal nodig (dat bovendien van een groter gewicht moet zijn) om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Als het wettelijk voorgeschreven, minimale bewijs aanwezig is op basis van de in de wet opgesomde bewijsmiddelen, dan is er ‘wettig’ bewijs.10 De term ‘wettig’ heeft dus op zichzelf niets te maken met de geloofwaardigheid of betrouwbaarheid van het bewijs: daarover oordeelt de rechter geheel zelfstandig.11