Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.2.2
4.2.2 Hoofdregels van het strafrechtelijke bewijsrecht
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940231:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor een uitvoeriger beschouwing verwijs ik naar Nijboer 2011 (hij onderscheidt acht kernpunten, zie hoofdstuk 2) en Corstens/Borgers 2014, hoofdstuk XVI (zie in het bijzonder paragraaf 12).
Deze combinatie kan zelfs betekenen dat er vrijspraak moet volgen, terwijl de rechterlijke overtuiging er wel is, zie Nijboer 2011, p. 72 en Corstens/Borgers 2014, p. 758.
Corstens/Borgers 2014, p. 757, Nijboer 2011, p. 40 en nader par. 1.6.3 en 1.6.4 (waarin een nuance wordt aangebracht, leidend tot de conclusie dat het Nederlandse stelsel in feite deels negatief-wettelijk, deels negatief-jurisprudentieel is). Zie voorts Embregts 2005, par.3.
Corstens/Borgers 2014, p. 731-738, Tekst & Commentaar Strafvordering, art. 338, par. 2a (bijgewerkt tot 1-7-2018).
Corstens/Borgers 2014, p. 731-734 en p. 858, Van Bemmelen-Van Veen/De Jong & Knigge 1998, p. 46.
Corstens/Borgers 2014, p. 860-861, Van Bemmelen-Van Veen/De Jong & Knigge 1998, p. 45.
Corstens/Borgers 2014, p. 860, Nijboer 2011, p. 76-77.
Titel III Eerste Boek Wetboek van Strafvordering.
Het strafrechtelijke bewijsrecht is geformaliseerd in de wet.1 De derde afdeling van Titel VI, Tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering bevat een eigen regeling betreffende het bewijs in strafzaken. De belangrijke aspecten van deze regeling zijn:2
De rechter mag het bewijs slechts aannemen, indien hij ‘de overtuiging heeft bekomen’ dat de verdachte ‘het tenlastegelegde feit’ heeft begaan;
Die overtuiging moet voortkomen uit de ‘inhoud van wettige bewijsmiddelen’;
Die bewijsmiddelen moeten op ‘het onderzoek ter terechtzitting’ aan de orde zijn gekomen.
Gelet op deze bepalingen kent Nederland geen zogeheten positief-wettelijk stelsel van bewijs. Dat betekent dat de strafrechter niet verplicht is om de verdachte te veroordelen, zodra er een bepaalde hoeveelheid bewijs bijeen is gebracht. In plaats daarvan mag hij juist niet veroordelen op grond van andere dan de wettige bewijsmiddelen, of op basis van minder dan het voor de overtuiging minimaal vereiste bewijs.3 Vanwege deze negatieve binding aan de bewijsmiddelen wordt wel gesproken van een negatief-wettelijk bewijsstelsel.4
Het strafrechtelijke bewijsrecht is tamelijk streng geregeld. Er is sprake van een zeer sterke gebondenheid aan de tenlastelegging.5 De rechter mag namelijk slechts beraadslagen ‘op de grondslag van de tenlastelegging’6 en alleen op grond daarvan beslissen of het tenlastegelegde een strafbaar feit oplevert. Omstandigheden die niet zijn tenlastegelegd, kunnen niet bewezen worden verklaard.7 Als het bewijs van het tenlastegelegde geleverd is, moet de rechter nagaan ‘welk strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert’.8 Het voorgaande betekent dat uit de bewezen verklaarde, tenlastegelegde feiten een strafbaar gesteld feit moet volgen. Alle bestanddelen uit de delictsomschrijving van het strafbare feit moeten in de bewezenverklaring voorkomen.9 Is dat niet het geval, dan is er geen sprake van een strafbaar feit en volgt ontslag van rechtsvervolging.10 Alleen een in de tenlastelegging opgenomen feit kan dus bewezen worden verklaard, en alleen dat, wat bewezen verklaard is, kan vervolgens een strafbaar feit opleveren. De tenlastelegging en de bewezenverklaring moeten uitdrukkelijk in het vonnis worden opgenomen.11
De wet schrijft verder bewijsminima voor: de algemene gedachte is dat er telkens ten minste twee afzonderlijke bewijsmiddelen moeten zijn (behalve bij een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar).12 Het zogeheten onmiddellijkheidsbeginsel bepaalt vervolgens dat alle bewijsmiddelen ter zitting aan de rechter moeten worden aangeboden. De rechter is vervolgens wel geheel vrij in de keuze en waardering van die bewijsmiddelen.
Er is in het strafrecht – behoudens in de cassatieprocedure13 – geen verplichte procesvertegenwoordiging.14 De verdachte kan dus besluiten om zijn eigen verdediging te voeren; hij is daar vrij in. Het Wetboek van Strafvordering bevat wel regels omtrent het toevoegen van een raadsman.15 Dat laatste houdt verband met de uitwerking van het recht op rechtsbijstand, dat niet alleen een grondrecht is maar ook door art. 6 EVRM wordt gegarandeerd.16