Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7816.
HR, 10-01-2025, nr. 23/04963
ECLI:NL:HR:2025:56
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-01-2025
- Zaaknummer
23/04963
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:56, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1156
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:7816
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑12‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:1156, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:56
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Ondernemingsrechtpraktijk 2025/15
OR-Updates.nl 2025-0031
JOR 2025/79 met annotatie van G.J.H. Sangen
JIN 2025/42 met annotatie van mr. dr. E.E.G. Gepken-Jager
AA20260307 met annotatie van Veen van W.J.M. Wino
Uitspraak 10‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Ondernemingsrecht. Rechtspersonenrecht. Coöperatie. Geschil tussen coöperatie en voormalig lid over verschuldigdheid van uittreedvergoeding (art. 2:60 BW). Onder meer klacht dat hof heeft miskend dat overeenkomst over uittreedvergoeding dezelfde waarborgen biedt als statutaire grondslag, zodat art. 2:60 BW geen beletsel vormt voor verschuldigdheid van uittreedvergoeding.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/04963
Datum 10 januari 2025
ARREST
In de zaak van
KUBUS COÖPERATIE U.A.,
gevestigd te Deest,
EISERES tot cassatie,
hierna: Kubus,
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
[verweerder], handelende onder de naam [administratiekantoor],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
advocaat: P.A. Fruytier.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 9500618 \ CV EXPL 21-2484 van de rechtbank Overijssel van 25 januari 2022 en 26 april 2022;
b. de arresten in de zaak 200.318.360 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 april 2023 en 19 september 2023.
Kubus heeft tegen het arrest van het hof van 19 september 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat en mede door J.P. Jas.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Kubus heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Kubus is een coöperatie. Zij biedt haar leden, bestaande uit administratie-, accountants- en advieskantoren, steun bij de exploitatie op het gebied van inkoop, software, marketing en opleiding. De statuten van Kubus bepalen dat het lidmaatschap onder andere eindigt door opzegging en verbinden geen voorwaarden aan uittreding.
(ii) [verweerder] is in 2015 een administratiekantoor begonnen en is toen een zogenoemd lid B van Kubus geworden. Kubus en [verweerder] hebben een overeenkomst gesloten met als opschrift ‘ledenovereenkomst B’ (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst bepaalt onder meer dat [verweerder] toetreedt tot de coöperatie, dat [verweerder] de formule en handelsnaam van Kubus mag gebruiken en dat [verweerder] aan Kubus bepaalde vergoedingen moet betalen.
(iii) In de considerans van de overeenkomst staat onder meer:
“Bovendien is het de Ondernemer genoegzaam bekend dat bij aanvang van het lidmaatschap een vergoeding verschuldigd is terzake goodwill en bij uittreden een uittredevergoeding (goodwill);”
(iv) In art. 11 van de overeenkomst, met het opschrift “Intrede- en uittredevergoeding e.a.”, staat onder meer:
“3. Bij (gedeeltelijk) uittreden van een Ondernemer – ongeacht het moment waarop en de reden waarom – is een uittredingsvergoeding verschuldigd. Daarbij gelden de volgende bepalingen voor een Lid B:
(...)
De vergoeding voor het Lid B bij het eindigen van het lidmaatschap B wordt berekend over de afrekenomzet Lid B en bedraagt 25% over de afrekenomzet
De te betalen vergoeding bij uittreding van het Lid B aan KUBUS Coöperatie u.a. bedraagt minimaal € 10.000,= (excl. BTW). Van het te betalen bedrag wordt het ledenkapitaal van het Lid B (= saldo van zijn kapitaalrekening met de Coöperatie) in mindering gebracht; (...).”
(v) [verweerder] heeft Kubus op 29 juni 2020 geschreven:
“Hierbij zeg ik het lidmaatschap van Kubus [plaats] op per 31 juli 2020.”
2.2
Kubus vordert in deze procedure op grond van de hiervoor in 2.1 onder (iv) vermelde overeenkomst betaling van [verweerder] van de overeengekomen uittreedvergoeding. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.
2.3
Het hof1.heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en heeft over de uittreedvergoeding het volgende overwogen:
“Uitkomst
3.1. (…)
De uittreedvergoeding die partijen zijn overeengekomen is een voorwaarde voor uittreding in de zin van artikel 2:60 BW. Zo’n voorwaarde moet een statutaire grondslag hebben en dat is hier niet het geval. Kubus kan daarom geen aanspraak maken op betaling van de vergoeding. Het hof legt dit oordeel hierna uit.
Feiten
(…)
3.5.
Het einde van het lidmaatschap van Kubus betekent het einde van de overeenkomst tussen Kubus en het lid en andersom, zo hebben beide partijen bevestigd bij de mondelinge behandeling in hoger beroep. [verweerder] heeft Kubus op 29 juni 2020 geschreven: “Hierbij zeg ik het lidmaatschap (...) op per 31 juli 2020.”
Juridisch kader: uittreedvoorwaarden moeten statutaire grondslag hebben
3.6.
Artikel 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten van de coöperatie, met behoud van de vrijheid van uittreding, voorwaarden kunnen worden verbonden aan die uittreding. Die voorwaarden moeten in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. Dit artikel maakt, dat vloeit ook uit de tekst voort, een begrenzing mogelijk van de vrijheid van vereniging, die ook vrijheid van uittreding inhoudt. Uit het artikel, dat op grond van artikel 2:25 BW van dwingend recht is, volgt dat zo’n begrenzing een statutaire grondslag moet hebben.
3.7.
De Hoge Raad oordeelde in 2015 over een geval waarin de statuten wel een grondslag voor een uittreedvergoeding maar geen uitgewerkte regeling bevatten. Hij overwoog toen dat de strekking van de eis dat de uittreedvoorwaarden in de statuten zijn opgenomen is dat de voorwaarde voor de leden kenbaar is en voor hen bepaalbaar is wat de aard en de omvang zijn van de verplichtingen die eruit voortvloeien. [voetnoot hof: HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, rov. 4.1.2, 4.1.3.] De voorwaarde hoeft niet in de statuten tot in detail te zijn uitgewerkt. In de juridische literatuur is mede aan de hand van dit arrest gesuggereerd dat uittreedvoorwaarden ook in een overeenkomst tussen de coöperatie en individuele leden kunnen worden opgenomen. Opneming in zo’n overeenkomst, die anders dan de statuten niet bij meerderheidsbesluit kan worden gewijzigd, kan de kenbaarheid van de voorwaarde en de bepaalbaarheid van de verplichtingen die eruit voortvloeien ook waarborgen. De statutaire grondslag die artikel 2:60 BW vereist voor een voorwaarde voor uittreding, welke grondslag in de door de Hoge Raad besliste zaak aanwezig was, waarborgt echter meer dan kenbaarheid en bepaalbaarheid. Een statutaire grondslag betekent immers ook een inbedding in het rechtspersonenrechtelijk kader, waarin aan naleving of schending van de statuten betekenis toekomt bij onder meer de geldigheid van besluiten, bestuurdersaansprakelijkheid en het enquêterecht. Daarbij komt dat als ook zonder statutaire grondslag voorwaarden aan uittreding zouden kunnen worden verbonden, niet meer duidelijk is of ook daarvoor de vereisten gelden van behoud van de vrijheid van uittreding en overeenstemming met doel en strekking van de coöperatie.
Beoordeling door het hof
3.8.
Kubus heeft aangevoerd dat in deze zaak geen sprake is van een ledenovereenkomst maar van een franchiseovereenkomst en dat geen sprake is van een uittreedvoorwaarde in de zin van artikel 2:60 BW maar van een vergoeding voor het einde van de franchiserelatie. [verweerder] heeft met gebruikmaking van de franchiserelatie een onderneming kunnen opbouwen en moet daar een vergoeding voor betalen, aldus Kubus.
3.9.
[verweerder] heeft aangevoerd dat de overeengekomen vergoeding een uittreedvoorwaarde is in de zin van artikel 2:60 BW, en dat Kubus zich daar bij gebrek aan statutaire grondslag niet op kan beroepen. (…)
3.10.
Het gaat in deze zaak om een uittreedvergoeding, een uittreedvoorwaarde in de zin van artikel 2:60 BW. Partijen hebben de vergoeding zelf zo aangeduid in de overeenkomst, die “ledenovereenkomst” is genoemd. De vergoeding is verschuldigd, zo volgt uit de hiervoor aangehaalde considerans en lid 3, bij het einde van het lidmaatschap. Kubus maakt er aanspraak op vanwege, zoals zij aanvoert, het einde van de overeenkomst, maar gaat er (net als [verweerder]) van uit dat het einde van de overeenkomst samenvalt met het einde van het lidmaatschap. Uit het hiervoor geschetste juridisch kader vloeit voort, anders dan Kubus heeft betoogd, dat zo’n vergoeding een statutaire grondslag moet hebben. Omdat die er niet is, is de verplichting tot het betalen van de uittreedvergoeding in strijd met de dwingende wetsbepaling van artikel 2:60 BW en kan Kubus zich daar niet op beroepen.
3.11.
Dat sprake is van een vergoeding op grond van (en wegens het einde van) een franchiseovereenkomst, die zozeer los staat van de lidmaatschapsverhouding dat artikel 2:60 BW daar niet aan in de weg staat, heeft Kubus onvoldoende toegelicht. Kubus heeft ervoor gekozen haar franchiseorganisatie in te bedden in een coöperatie, zodat daarop het dwingendrechtelijk kader van een coöperatie van toepassing is. Iedere franchisenemer is lid van de coöperatie en sluit een overeenkomst met de coöperatie zoals de “ledenovereenkomst” die [verweerder] sloot. Als de ene rechtsbetrekking eindigt, eindigt noodzakelijkerwijs ook de andere. De tekst van de overeenkomst verbindt de vergoeding expliciet aan het uittreden als lid. Daarvoor is een statutaire grondslag nodig.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 2.1 van het middel klaagt kort gezegd dat het hof (in rov. 3.10) ten onrechte heeft geoordeeld dat een uittreedvoorwaarde als bedoeld in art. 2:60 BW een statutaire grondslag moet hebben, en dat Kubus zich zonder zo’n statutaire grondslag niet kan beroepen op de uittreedvergoeding die in de overeenkomst is opgenomen.
3.2
De klacht faalt. Het oordeel van het hof dat uit art. 2:60 BW voortvloeit dat een uittreedvoorwaarde als bedoeld in die bepaling – waarvan naar het oordeel van het hof bij de in de overeenkomst opgenomen uittreedvergoeding sprake is – een statutaire grondslag moet hebben, is juist. Een zodanige uittreedvoorwaarde kan zonder statutaire grondslag niet geldig worden overeengekomen.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Kubus in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Kubus deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 10 januari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑01‑2025
Beroepschrift 19‑12‑2024
PROCESINLEIDING CASSATIE (VORDERINGSZAAK)
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Datum indiening: | dinsdag 19 december |
Uiterste verschijndatum verweerder: | donderdag 18 januari 2024 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt op — de in hoofdstuk 1 van het Procesreglement van de Hoge Raad der Nederlanden genoemde — vrijdagen om 10.00 uur de zaken die vermeld zijn op het in art. 15a van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken.
De hierna te vermelden verweerster in cassatie kan in dit geding bij de Hoge Raad uitsluitend verschijnen door tussenkomst van en vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad.
Partijen en advocaten
Eiseres tot cassatie
Naam: | Kubus Coöperatie U.A. (hierna: Kubus) gevestigd in Deest |
Advocaat bij de Hoge Raad: | mr. J.H.M. van Swaaij |
Kantooradres advocaat: | Molenveldlaan 162 6523 RN Nijmegen |
Verweerder in cassatie
Naam: | [verweerder], ook handelend onder de naam [administratiekantoor] (hierna: [verweerder]), wonende te [woonplaats] |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. H.C. Sauer |
Kantooradres advocaat: | Memlingstraat 11 3817 DK Amersfoort |
Bestreden uitspraak
Gerecht: | gerechtshof Arnhem-Leeuwarden |
Datum uitspraak: | dinsdag 19 september 2023 |
Zaaknummer: | 200.318.360 |
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van essentiële vormen doordat het hof geoordeeld en beslist heeft zoals vervat is in zijn uitspraak van 19 augustus 2023, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen:
Inleiding
Kubus exploiteert (sinds 2003) een franchiseorganisatie.1. Zij faciliteert haar leden (administratie-, accountants- en advieskantoren) op basis van een door haar ontwikkelde formule.2. Deze voorziet onder meer in het gebruik van een gemeenschappelijke naam, collectieve inkoop, marketing en een systematiek van expertise-uitwisseling.3. Met ieder lid is een exclusief wervingsgebied overeengekomen. Kubus heeft ook een eigen kwaliteitssysteem.4. [verweerder] was lid van de coöperatie. Tussen partijen is een ledenovereenkomst5. gesloten. Op grond van deze overeenkomst is een uittreedvergoeding verschuldigd. Tussen Kubus en haar franchisenemers bestaat een ‘dubbele rechtsbetrekking’,6. namelijk een samenwerkingsverband en een lidmaatschap van de coöperatie zoals geregeld in de ledenovereenkomst. [verweerder] heeft zijn relatie met Kubus opgezegd. Deswege vordert Kubus van hem betaling van een bedrag van € 8.931.7. Het hof is van oordeel (i) dat voor een uittreedvergoeding geen grondslag bestaat in de statuten en (ii) dat deze grondslag ook niet zou bestaan in de tussen partijen gemaakte afspraken: genoemde overeenkomst. Dit heeft geleid tot afwijzing van de vordering van Kubus. Daarover gaat dit cassatieberoep.
1. Er is een dúbbele rechtsbetrekking: contractueel is de vergoeding verschuldigd
[verweerder] is de vergoeding niet verschuldigd voor de beëindiging van zijn lidmaatschap
1.1
Het hof heeft in rovv. 3.5, 3.10 en 3.11 miskend:
- a.
dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten waarin geregeld is zowel hun onderlinge (franchise-)verhouding, als het lidmaatschap van [verweerder] van de coöperatie; en
- b.
dat de beëindiging van de franchiseverhouding door opzegging van de overeenkomst tevens het einde van het lidmaatschap meebrengt.8.
De kennelijke strekking van de afspraken is dat ‘de Ondernemer’ bij het aangaan van de franchiseovereenkomst tevens lid wordt van de coöperatie. Daaruit volgt dat het beëindigen van de franchiseovereenkomst het einde van het lidmaatschap tot gevolg heeft. Daarom is onjuist dan wel onbegrijpelijk 's hofs oordeel dat de ondernemer ([verweerder]) een wegens de beëindiging van zijn lidmaatschap van de coöperatie een vergoeding verschuldigd zou zijn. Want [verweerder] is een vergoeding verschuldigd op grond van (de opzegging van) de tussen partijen gesloten overeenkomst.9.
Geen uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW
1.2
Zoals uit de in rov. 3.4 van het arrest weergegeven tekst onmiskenbaar blijkt, is ‘de ondernemer’ zowel bij de aanvang van het lidmaatschap als bij de beëindiging een vergoeding verschuldigd ter zake van ‘goodwill’ en niet ter zake van de beëindiging van het lidmaatschap van de coöperatie. In wezen gaat het om een financiële afrekening betreffende (de voor- en nadelen van) de franchiseverhouding. Hieruit kan geen andere conclusie volgen dan dat de uittreedvergoeding geen voorwaarde is als bedoeld in art. 2:60 BW. Daarom is het andersluidende oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk.
2. De vergoeding is contractueel verschuldigd: daarom is geen statutaire grondslag nodig
2.1
Zelfs als juist zou zijn 's hofs oordeel in rov. 3.10 dat het hier zou gaan om een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW, dan volgt daaruit in casu nog niet dat de verplichting tot het betalen van de uittreedvergoeding (goodwill) ‘dus’ een voorwaarde voor uittreding zou zijn geworden die in de statuten opgenomen zou moeten worden10. en evenmin dat deze verplichting wegens het ontbreken van zo'n grondslag in strijd zou zijn met de dwingende wetsbepaling van art. 2:60 BW. Immers, deze wetsbepaling staat er niet aan in de weg dat tussen partijen voorafgaand of uiterlijk bij toetreding tot de coöperatie de afspraak gemaakt wordt en schriftelijk vastgelegd wordt dat bij uittreding een (goodwill)vergoeding is verschuldigd.11. Want uit art. 2:60 BW volgt (‘slechts’) dat een begrenzing van de vrijheid van vereniging en daarmee de vrijheid van uittreding mogelijk is als daarvoor een statutaire grondslag bestaat. En een voorafgaand aan de toetreding of uiterlijk bij het toetreden gemaakte afspraak kan per definitie geen (ontoelaatbare) begrenzing vormen van de uittreding, reeds omdat het betreffende lid van de coöperatie daarmee vooraf al ingestemd heeft en daarom niet alleen bekend was met de voorwaarde, maar deze voorwaarde ook bij voorbaat aanvaard heeft. Het hof heeft miskend dat een (contractuele) afspraak over een uittreedvergoeding (goodwill) ten minste dezelfde waarborgen biedt als een statutaire grondslag, zodat, indien zo'n afspraak gemaakt is, art. 2:60 BW of de bescherming(sgedachte) daarachter geen beletsel vormt voor verschuldigdheid van de uittreedvergoeding (goodwill).12. Derhalve is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan of heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd door aan een en ander geen (kenbare) aandacht te besteden.
2.2
In elk geval is onbegrijpelijk hoe het hof in rov. 3.11 tot zijn oordeel komt dat Kubus ‘onvoldoende heeft toegelicht’ dat sprake is van een vergoeding op grond van een franchiseovereenkomst die zozeer losstaat van de lidmaatschapsverhouding dat art. 2:60 BW daaraan niet in de weg staat. Kubus heeft namelijk uitdrukkelijk en gemotiveerd gesteld dat [verweerder] de franchiseovereenkomst heeft beëindigd.13. De vennootschappelijke verhouding staat daar los van.14.
2.3
Voor zover het hof in rov. 3.11 als eis heeft gesteld dat Kubus' betoog alleen opgaat als de franchiseovereenkomst losstaat van het lidmaatschap van de coöperatie, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, niet in te zien valt waarom een afspraak als de onderhavige niet gemaakt zou kunnen worden met een (toetredend) lid van de coöperatie, zoals in casu het geval is. Het lidmaatschap van de coöperatie doet er ook niet aan af dat het gaat om afspraken in het kader van een franchiseovereenkomst.
Op grond van dit middel moge het de Hoge Raad behagen om de bestreden uitspraak te vernietigen, met zodanige beslissing als de Hoge Raad passend acht; kosten rechtens, met bepaling dat over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd is indien deze niet voldaan zijn binnen veertien dagen na de datum waarop de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doet.
Deze procesinleiding bevat 1364 woorden.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑12‑2024
Zie uitgebreider MvG-§ 7, en het arrest onder rovv. 3.4 en 3.5.
Idem.
Idem.
Idem.
Inl.Dagv-prod. 1.
MvG-§ 10.
MvG-§§ 11 en 12, 26.
MvG-§ 12: ‘De verplichting van [verweerder] aan Kubus een uittreedvergoeding te voldoen is tussen partijen contractueel vastgelegd in artikel 11 van de ‘ledenovereenkomst’, onder het kopje ‘intrede- en uittredevergoeding e.a.’. De uittreedvergoeding is géén voorwaarde voor uittreding uit de coöperatie. Deze vergoeding is uitsluitend verschuldigd in het kader van beëindiging van de franchiserelatie door de franchisenemer. Zo staat het ook in de ‘ledenovereenkomst’. Bij uittreden als franchisenemer eindigt per datum van uittreding ook het lidmaatschap van de coöperatie, zo vat de voorlaatste alinea van artikel 11 van de ‘ledenovereenkomst’ het eindigen van de dubbele rechtsbetrekking mooi samen. Het één is dus het gevolg van het ander, waarbij het automatisch en onvoorwaardelijk eindigen van het lidmaatschap van de coöperatie het rechtgevolg is van het door de franchisenemer beëindigen van de franchiserelatie.’
MvG-§§ 18 en 21.
MvG-§ 22.
MvG-§ 25.
MvG-§ 33.
MvG-§ 17.
MvG-§ 18 (‘het vennootschappelijke artikel 2:60 BW raakt alleen de vennootschappelijke verhouding tussen Kubus en [verweerder]’). Zie ook MvG-§§ 19, 21, 22, 26 en 27.
Conclusie 01‑11‑2024
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04963
Zitting 1 november 2024
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
Kubus Coöperatie U.A. (hierna: Kubus)
tegen
[verweerder] , ook handelend onder de naam [administratiekantoor] (hierna: [verweerder])
Inleiding
[verweerder] , exploitant van een administratiekantoor, was lid van Kubus, een coöperatie. In een overeenkomst tussen hen uit 2015 is een “uittredingsvergoeding” bedongen. [verweerder] heeft zijn lidmaatschap in 2020 opgezegd. De vraag rijst of [verweerder] de “uittredingsvergoeding” aan Kubus verschuldigd is, gelet op art. 2:60 BW. Ook in hoger beroep is deze vraag ontkennend beantwoord. Daartegen komt Kubus in cassatie op, m.i. zonder succes.
1. Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.3-3.5 van het bestreden arrest1.(hierna: het arrest).
1.1
Kubus is, zoals gezegd, een coöperatie. Zij biedt haar leden, bestaande uit administratie-, accountants- en advieskantoren, steun bij de exploitatie op het gebied van inkoop, software, marketing en opleiding. Leden B van Kubus zijn gewone leden, leden A zijn onder andere oprichters en houders van een certificaat. De statuten van Kubus bepalen dat het lidmaatschap onder andere eindigt door opzegging en stellen geen voorwaarden verbonden aan de uittreding.
1.2
[verweerder] is in 2015 een administratiekantoor begonnen en is toen lid B van Kubus geworden. Kubus en [verweerder] hebben (in 2015) een overeenkomst gesloten met als opschrift “LEDENOVEREENKOMST B” (hierna: de overeenkomst). Deze houdt onder andere in dat [verweerder] toetreedt tot de coöperatie, dat [verweerder] de formule en handelsnaam van Kubus mag gebruiken en dat [verweerder] aan Kubus bepaalde vergoedingen moet betalen.
1.3
In de considerans van de overeenkomst is onder andere te vinden:
“Bovendien is het de Ondernemer [het lid, A-G] genoegzaam bekend dat bij aanvang van het lidmaatschap een vergoeding verschuldigd is terzake goodwill en bij uittreden een uittredevergoeding (goodwill).”
1.4
In art. 11 van de overeenkomst, met het opschrift “INTREDE- EN UITTREDEVERGOEDING E.A.”, staat onder andere (als ‘tweede’ derde lid, op p. 10):
“3. Bij (gedeeltelijk) uittreden van een Ondernemer - ongeacht het moment waarop en de reden waarom - is een uittredingsvergoeding verschuldigd. Daarbij gelden de volgende bepalingen voor een Lid B:
(...)
De vergoeding voor het Lid B bij het eindigen van het lidmaatschap B wordt berekend over de afrekenomzet Lid B en bedraagt 25% over de afrekenomzet
De te betalen vergoeding bij uittreding van het Lid B aan KUBUS Coöperatie u.a. bedraagt minimaal € 10.000,= (excl. BTW). Van het te betalen bedrag wordt het ledenkapitaal van het Lid B (= saldo van zijn kapitaalrekening met de Coöperatie) in mindering gebracht; (...).”
1.5
Het einde van het lidmaatschap van Kubus betekent het einde van de overeenkomst tussen Kubus en het lid en andersom, zo hebben beide partijen bevestigd bij de mondelinge behandeling in hoger beroep. [verweerder] heeft Kubus op 29 juni 2020 geschreven:
“Hierbij zeg ik het lidmaatschap van Kubus [plaats] op per 31 juli 2020.”
2. Procesverloop
In eerste aanleg
2.1
Bij dagvaarding van 11 oktober 2021 heeft Kubus bij de kantonrechter van de rechtbank Overijssel (hierna: de kantonrechter) een procedure tegen [verweerder] aanhangig gemaakt en veroordeling van deze gevorderd tot, onder andere, betaling van € 8.931. Daaraan heeft Kubus ten grondslag gelegd dat [verweerder] haar een uittreedvergoeding is verschuldigd.
2.2
Op 11 januari 2022 heeft [verweerder] een conclusie van antwoord in conventie (tevens conclusie van eis in reconventie) genomen.2.
2.3
Op 30 maart 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.4
Bij vonnis van 26 april 20223.(hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter, voor zover van belang, de vordering in conventie ter zake van de uittreedvergoeding afgewezen.
In hoger beroep
2.5
Bij appeldagvaarding van 22 juli 2022 is Kubus in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof).
2.6
Op 20 december 2022 heeft Kubus een memorie van grieven genomen (hierna: de MvG).
2.7
Op 28 februari 2023 heeft [verweerder] een memorie van antwoord genomen.
2.8
Op 3 juli 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Partijen hebben spreekaantekeningen doen overleggen.
2.9
In het arrest heeft het hof, voor zover van belang, het vonnis bekrachtigd en ter zake van de uittreedvergoeding het volgende overwogen en geoordeeld:
“Uitkomst
3.1.
Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. De uittreedvergoeding die partijen zijn overeengekomen is een voorwaarde voor uittreding in de zin van artikel 2:60 BW. Zo’n voorwaarde moet een statutaire grondslag hebben en dat is hier niet het geval. Kubus kan daarom geen aanspraak maken op betaling van de vergoeding. Het hof legt dit oordeel hierna uit.
(…)Juridisch kader: uittreedvoorwaarden moeten statutaire grondslag hebben
3.6.
Artikel 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten van de coöperatie, met behoud van de vrijheid van uittreding, voorwaarden kunnen worden verbonden aan die uittreding. Die voorwaarden moeten in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. Dit artikel maakt, dat vloeit ook uit de tekst voort, een begrenzing mogelijk van de vrijheid van vereniging, die ook vrijheid van uittreding inhoudt. Uit het artikel, dat op grond van artikel 2:25 BW van dwingend recht is, volgt dat zo’n begrenzing een statutaire grondslag moet hebben.
3.7.
De Hoge Raad oordeelde in 2015 over een geval waarin de statuten wel een grondslag voor een uittreedvergoeding maar geen uitgewerkte regeling bevatten. Hij overwoog toen dat de strekking van de eis dat de uittreedvoorwaarden in de statuten zijn opgenomen is dat de voorwaarde voor de leden kenbaar is en voor hen bepaalbaar is wat de aard en de omvang zijn van de verplichtingen die eruit voortvloeien.4.De voorwaarde hoeft niet in de statuten tot in detail te zijn uitgewerkt. In de juridische literatuur is mede aan de hand van dit arrest gesuggereerd dat uittreedvoorwaarden ook in een overeenkomst tussen de coöperatie en individuele leden kunnen worden opgenomen. Opneming in zo’n overeenkomst, die anders dan de statuten niet bij meerderheidsbesluit kan worden gewijzigd, kan de kenbaarheid van de voorwaarde en de bepaalbaarheid van de verplichtingen die eruit voortvloeien ook waarborgen. De statutaire grondslag die artikel 2:60 BW vereist voor een voorwaarde voor uittreding, welke grondslag in de door de Hoge Raad besliste zaak aanwezig was, waarborgt echter meer dan kenbaarheid en bepaalbaarheid. Een statutaire grondslag betekent immers ook een inbedding in het rechtspersonenrechtelijk kader, waarin aan naleving of schending van de statuten betekenis toekomt bij onder meer de geldigheid van besluiten, bestuurdersaansprakelijkheid en het enquêterecht. Daarbij komt dat als ook zonder statutaire grondslag voorwaarden aan uittreding zouden kunnen worden verbonden, niet meer duidelijk is of ook daarvoor de vereisten gelden van behoud van de vrijheid van uittreding en overeenstemming met doel en strekking van de coöperatie.
Beoordeling door het hof
3.8.
Kubus heeft aangevoerd dat in deze zaak geen sprake is van een ledenovereenkomst maar van een franchiseovereenkomst en dat geen sprake is van een uittreedvoorwaarde in de zin van artikel 2:60 BW maar van een vergoeding voor het einde van de franchiserelatie. [verweerder] heeft met gebruikmaking van de franchiserelatie een onderneming kunnen opbouwen en moet daar een vergoeding voor betalen, aldus Kubus.
3.9.
[verweerder] heeft aangevoerd dat de overeengekomen vergoeding een uittreedvoorwaarde is in de zin van artikel 2:60 BW, en dat Kubus zich daar bij gebrek aan statutaire grondslag niet op kan beroepen. (…)
3.10.
Het gaat in deze zaak om een uittreedvergoeding, een uittreedvoorwaarde in de zin van artikel 2:60 BW. Partijen hebben de vergoeding zelf zo aangeduid in de overeenkomst, die “ledenovereenkomst” is genoemd. De vergoeding is verschuldigd, zo volgt uit de hiervoor aangehaalde considerans en lid 3, bij het einde van het lidmaatschap. Kubus maakt er aanspraak op vanwege, zoals zij aanvoert, het einde van de overeenkomst, maar gaat er (net als [verweerder] ) van uit dat het einde van de overeenkomst samenvalt met het einde van het lidmaatschap. Uit het hiervoor geschetste juridisch kader vloeit voort, anders dan Kubus heeft betoogd, dat zo’n vergoeding een statutaire grondslag moet hebben. Omdat die er niet is, is de verplichting tot het betalen van de uittreedvergoeding in strijd met de dwingende wetsbepaling van artikel 2:60 BW en kan Kubus zich daar niet op beroepen.
3.11.
Dat sprake is van een vergoeding op grond van (en wegens het einde van) een franchiseovereenkomst, die zozeer los staat van de lidmaatschapsverhouding dat artikel 2:60 BW daar niet aan in de weg staat, heeft Kubus onvoldoende toegelicht. Kubus heeft ervoor gekozen haar franchiseorganisatie in te bedden in een coöperatie, zodat daarop het dwingendrechtelijk kader van een coöperatie van toepassing is. Iedere franchisenemer is lid van de coöperatie en sluit een overeenkomst met de coöperatie zoals de “ledenovereenkomst” die [verweerder] sloot. Als de ene rechtsbetrekking eindigt, eindigt noodzakelijkerwijs ook de andere. De tekst van de overeenkomst verbindt de vergoeding expliciet aan het uittreden als lid. Daarvoor is een statutaire grondslag nodig.”
In cassatie
2.10
Bij procesinleiding van 19 december 2023 heeft Kubus (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. Kubus heeft nog gerepliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel van Kubus bestaat uit een inleiding en twee onderdelen (met klachten).
3.2
In de onderdelen wordt mede aan de orde gesteld of de in de overeenkomst bedongen uittreedvergoeding een uittreedvoorwaarde is in de zin van art. 2:60 BW. En of dit beding gelet op art. 2:60 BW werking heeft, oftewel rechtsgeldig/afdwingbaar is, niettegenstaande het ontbreken van een grondslag voor dit beding in de statuten van Kubus.5.
3.3
3.4
Recent concludeerde ik in een zaak die zag op art. 2:60 BW in relatie tot uittreedvoorwaarden in een huishoudelijk reglement.6.Daarmee is nog niet alles gezegd. De vraag blijft of art. 2:60 BW, dat ziet op uittreedvoorwaarden “bij de statuten”, in de weg staat aan de werking van een uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling als het daarbij gaat om een contractueel beding tussen het lid en de coöperatie zónder grondslag in de statuten van de coöperatie. Volgens het hof, hier, wel (zie rov. 3.7 en 3.10-3.11 van het arrest).7.In het discours krijgt deze vraag, ook na relevante Hoge Raad-arresten uit 2015 en 2024,8.geen eenstemmig antwoord.9.M.i. dient deze vraag in beginsel bevestigend te worden beantwoord.10.Ik licht dit toe onder 3.28-3.33 hierna, tegen de achtergrond van 3.5-3.27 hierna. Daarna bezie ik nog, kort, wat een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW behelst. Zie onder 3.34-3.38 hierna. Een drietrapsraket derhalve.
(i) Achtergrond
3.5
Een coöperatie is, naar huidig recht, een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging (art. 2:53 lid 1, eerste zin BW). Aanvankelijk was in de opzet van Boek 2 BW de coöperatie een subvorm van de vereniging (thans geregeld in Titel 2.2 BW). In de vigerende opzet van Boek 2 BW is de coöperatie (thans geregeld in Titel 2.3 BW) een eigen rechtsvorm naast de vereniging. Kenmerkend voor een coöperatie is mede dat tussen het lid en de coöperatie zowel een lidmaatschapsverhouding als een contractuele verhouding bestaat (art. 2:53 lid 1, tweede zin BW). Gesproken wordt wel over een ‘dubbele rechtsband’.11.
3.6
Een lid van een vereniging kan, dwingendrechtelijk, het lidmaatschap opzeggen (art. 2:35 lid 1, aanhef en onder b BW).12.Art. 2:36 lid 1 BW beperkt de onmiddellijke werking van die opzegging, laat althans zo’n beperking toe. Deze bepalingen zijn via art. 2:53a lid 1 BW ook van toepassing op de coöperatie, voor zover daarvan in Titel 2.3 BW niet wordt afgeweken.
3.7
In art. 2:60, eerste zin BW is bepaald dat “[v]oor de coöperatie (…) [geldt] dat, met behoud der vrijheid van uittreding uit de coöperatie, daaraan bij de statuten voorwaarden, in overeenstemming met haar doel en strekking, kunnen worden verbonden.” En in de tweede zin van dit artikel dat “[e]en voorwaarde welke verder gaat dan geoorloofd is, (…) in zoverre voor niet geschreven [wordt] gehouden.” Deze redactie is bijna integraal het uitvloeisel van een amendement in de Tweede Kamer dat gepaard ging met debat,13.met als resultante dat in belangrijke mate werd aangesloten bij art. 12 lid 1 van de Wet houdende nieuwe wettelijke regeling van de coöperatieve vereenigingen uit 1925.14.,15.
3.8
Art. 2:60 BW laat dus toe dat, binnen bepaalde grenzen, voorwaarden worden verbonden aan de uittreding door het lid uit de coöperatie. Deze bepaling heeft betrekking op uittreedvoorwaarden “bij de statuten”. De geciteerde drie woorden kwamen niet voor in de overigens bijna gelijkluidende voorganger, art. 12 lid 1 van de wet uit 1925, vermoedelijk omdat dit grondslagvereiste indertijd vanzelfsprekend (daarin besloten liggend) werd geacht. De toelichting op laatstgenoemde bepaling ging immers uit van een statutaire grondslag:16.
“Zoomin als de vereeniging genoodzaakt kan worden een door haar niet gewild lid aan te nemen of, in de gevallen waarin ontzetting of opzegging van het lidmaatschap statutair of wettelijk is toegelaten, zoodanig lid in haar midden te blijven dulden, zoomin kan een lid worden gedwongen tegen zijn zin in de vereeniging te blijven; dit laatste echter met de beperking, dat aan de voorwaarden, mogelijk bij de statuten aan de uittreding verbonden, moet zijn voldaan.”
M.i. wordt hier eenvoudigweg erop gewezen dat aan de uittreding voorwaarden kunnen worden verbonden (“de voorwaarden, mogelijk (…) aan de uittreding verbonden”), wat dan wel een statutaire grondslag vereist (“bij de statuten”).17.,18.Zie ook onder 3.14-3.15 hierna. Daarmee ligt de invoeging van “bij de statuten” in art. 2:60 BW in lijn.19.
3.9
Bij het hanteren van dergelijke uittreedvoorwaarden blijft, zo wordt dus ook bepaald in art. 2:60 BW, de “vrijheid van uittreding” behouden. Deze vrijheid van uittreding is gefundeerd op diepere aardlagen.20.Bij een relatief gemakkelijke (toe- en) uittreding werd oorspronkelijk - in een andere financieel-economische context dan de huidige21.- vooral ook gedacht aan het kunnen terugnemen van de kapitaalinbreng, wat een ‘veranderlijk kapitaal’ impliceerde.22.
3.10
Daarmee strookt dat de regering op de drempel van het vierde kwart van de negentiende eeuw, geïnspireerd door buitenlandse regelingen, een ‘vennootschap met veranderlijk kapitaal’ wilde introduceren als wettelijke regeling voor de coöperatie.23.Kenmerkend voor zo’n ‘vennootschap met veranderlijk kapitaal’ was volgens de toelichting bij het wetsontwerp onder andere het relatieve gemak van uittreding.24.De coöperatie werd pas in de loop van dit wetgevingsproces, conform de reeds bestaande praktijk, als wettelijke regeling in de vorm van een ‘coöperatieve vereniging’ gegoten.25.Coöperatieve verenigingen, die werden gebruikt omdat zij geschikter waren dan (kapitaal)vennootschappen, bestonden feitelijk al voordat zij als zodanig werden gereguleerd in de Wet tot regeling der coöperatieve vereenigingen uit 1876,26.voorloper van voornoemde wet uit 1925.27.
3.11
Deze financieel-economische opzet van de coöperatie had niet speciaal iets met principes rondom ‘gewone’ verenigingen te maken. Nee, een relatief gemakkelijke (toe- en) uittreding en daarmee ‘veranderlijk kapitaal’ werd veeleer gezien als karaktertrek van een coöperatie.28.De omschrijving van de coöperatieve vereniging in art. 2 van de wet uit 1876 bevatte dan ook dat zij een “vereeniging van personen” is “waarbij de in- en uittreding van leden is toegelaten”.29.Het toenmalige BW uit 1838 kende geen regeling, laat staan een dwingende, omtrent de opzegbaarheid van een verenigingslidmaatschap.30.De keuze voor regulering van de coöperatie in een verenigingsvariant, inmiddels dus - mede via voornoemde wetten uit 1876 en 1925 - geëvolueerd in art. 2:53 lid 1 BW, is historisch zo gegroeid.31.
3.12
Ik laat in dit verband Rensen aan het woord:32.
“In 1876 kwam de Wet tot regeling der coöperatieve vereenigingen tot stand (…). In het aanvankelijke wetsvoorstel werd de rechtsvorm voor de coöperatie voorgesteld als vennootschap. De wetgever heeft toen echter de voorkeur gegeven aan de aanduiding ‘vereniging’. Met de Wet van 1876 ontstond een specifieke verenigingsvorm, de coöperatieve vereniging. De coöperatieve vereniging werd door een speciale wet geregeld, die structuur en inrichting van de vereniging in hoofdlijnen bepaalde. (…) De Wet van 1876 bracht mee, dat voortaan twee verenigingsvormen in het recht voorkwamen: de gewone vereniging en de coöperatieve vereniging. In de Wet houdende nieuwe wettelijke regeling van de Coöperatieve Vereenigingen 1925 (…) bleef dit ongewijzigd. De coöperatieve vereniging werd de eigen rechtsvorm voor de coöperatie. (…) De coöperatieve vereniging zoals geregeld in de wetten van 1876 en 1925 was een bijzondere rechtsvorm van een vereniging die aan bepaalde criteria voldeed. (…) In de aanvankelijke opzet van Boek 2 BW was de coöperatie een subvorm van de vereniging, die is geregeld in titel 2. De Wet van 16 juni 1988 (…) maakt de coöperatie (…) tot een eigen rechtsvorm naast de gewone vereniging. Coöperaties (…) worden geregeld in titel 3. Voor de toepasselijkheid van de bepalingen van verenigingsrecht op de coöperatie maakt dit echter geen verschil. De bepalingen van de titel ‘Vereniging’ zijn, met uitzondering van art. 2:26 lid 3 BW (winstuitkeringsverbod) en art. 2:44 lid 2 BW (beperking bestuursbevoegdheid) op de coöperatie (…) van toepassing voor zover daarvan in titel 3 niet wordt afgeweken (art. 2:53a lid 1 BW). Een groot aantal wettelijke bepalingen over verenigingen is met enkele retouches ontleend aan de Wet op de Coöperatieve Vereenigingen 1925.”33.
3.13
In het bijzonder de gedachte dat de coöperatieve vrijheid van uittreding haar oorsprong vindt specifiek in (de negatieve zijde van) de grondrechtelijke vrijheid van vereniging34.is m.i. met de geschiedenis moeilijk te verenigen en ook overigens, substantief, weinig overtuigend. De wetsgeschiedenis rept er bij mijn weten niet over. De coöperatie heeft bovendien niet, doordat zij een als coöperatie opgerichte vereniging is (art. 2:53 lid 1 BW), bij voorbaat noemenswaardig méér met het ‘recht tot vereniging’ van doen dan andere rechtsvormen voor ondernemingen. In art. 8 Gw is zeker niet één-op-één de rechtsvorm in Titel 2.2 BW bedoeld. In de literatuur wordt een uitleg van art. 8 Gw aanvaard die juist is losgekoppeld van die titel.35.Voor de aan art. 11 lid 1 EVRM ontleende bescherming is dit nog evidenter: die hangt uiteraard niet af van nationale rechtsvormen.36.Die grondrechten laat ik dus rusten.
3.14
Dat een relatief gemakkelijke (toe- en) uittreding een karaktertrek was van de coöperatie had, al vanaf het vierde kwart van de negentiende eeuw, implicaties voor de vereiste inhoud van de statuten. De omschrijving van de coöperatieve vereniging in art. 2 van de wet uit 1876 bevatte, zoals gezegd, dat zij een “vereeniging van personen” is “waarbij de in- en uittreding van leden is toegelaten”. Dit is mede als volgt toegelicht:37.
“Hierin ligt het verschil met vennootschappen onder eene firma en met de burgerlijke maatschap. (…) De statuten moeten dit punt regelen.”38.
Art. 7, aanhef en onder 8° van die wet bepaalde in samenhang daarmee dat “[d]e acte van oprigting (…) op straffe van nietigheid (…) de voorwaarden van in- en uittreding der leden [bevat]”. Hijmans van den Bergh zei het zo:39.
“Artikel 7 van de Wet coöperatieve Vereenigingen 1876, Stb. 227 luidde, voorzover thans van belang: “De acte van oprichting bevat op strafte van nietigheid: ... 8e de voorwaarden van in- en uittreding der leden.” Dit voorschrift, bij amendement in de wet opgenomen, werd gedacht enerzijds als een uitwerking van het in art. 2 neergelegde beginsel van vrijheid van toe- en uittreden en anderzijds als een vastleggen van de mogelijkheid toch voorwaarden te stellen, die dan in de statuten moesten worden omschreven. Die voorwaarden mochten echter op de vooropgestelde vrijheid van toe- en uittreden niet een te grote inbreuk maken. Zo heeft ook de rechter art. 7 onder 8e Wet 1876 opgevat (…).”
Die samenhang tussen omschrijving van een coöperatieve vereniging en oprichtingsakte, en dus statutaire inhoud, is tevens gemarkeerd in de wetsgeschiedenis.40.De Hoge Raad overwoog dan ook in 1918:41.
“dat (…) art. 2 der Wet, hetwelk eene omschrijving van het wezen der Coöp. Vereeniging inhoudt, toelating van in- en uittreden der leden als kenmerkend vereischte voor haar bestaan vermeldt.”
Hierop sluit weer aan wat ik schreef over art. 12 lid 1 van de wet uit 1925, en in het verlengde daarvan over art. 2:60 BW, onder 3.7-3.8 hiervoor.
3.15
Er was dus, kortom, reeds vroeg - vanaf de wet uit 1876 - sprake van een als hard te kwalificeren statutaire eis inzake eventuele uittreedvoorwaarden, verband houdend met opvattingen omtrent coöperatieve essentialia. De (lagere) rechtspraak met betrekking tot genoemde wetsbepalingen42.beperkte ook in substantief opzicht de reikwijdte van zulke uittreedvoorwaarden en is zo, indirect, een belangrijke materiële bron geweest van thans art. 2:60 BW.43.
3.16
In de tussentijd is er wel iets veranderd. Het is tegenwoordig niet zo dat (toe- en) uittreedvoorwaarden op straffe van nietigheid van de oprichtingshandeling in de oprichtingsakte moeten worden opgenomen.44.Bovendien is, na beraad, niet gekozen voor een separate wettelijke verankering van “vrije toe- of uittreding”.45.
3.17
Desondanks is de notie van een relatief gemakkelijke uittreding, anders dan een wettelijk vereiste mogelijkheid van toetreding,46.bij de coöperatie naar huidig recht niet verdwenen.47.De door art. 2:60 BW bedoelde “vrijheid van uittreding” staat onmiskenbaar in het teken dáárvan. Dit blijkt ook wel uit het feit dat “uittreding” niet een term is die voorkomt in Titel 2.2 BW met betrekking tot de vereniging. Gedacht vanuit art. 2:35 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW zou de passage “met behoud der vrijheid van uittreding uit de coöperatie” in art. 2:60 BW wetstechnisch overbodig zijn als zij slechts een uitgangspunt van de ‘gewone’ vereniging zou uitdrukken. Die passage drukt, gezien de historische antecedenten, kennelijk méér uit. Dit strookt ook met de herkomst van de redactie van art. 2:60 BW, kort gezegd: art. 12 lid 1 van de wet uit 1925. Zie onder 3.7-3.8 en 3.14 hiervoor.
3.18
Bijgevolg kan een eventueel pleidooi met de strekking dat vrije uittreding voor de coöperatie naar haar aard minder sterk zou (kunnen) gelden dan voor een ‘gewone’ vereniging, wat dan een argument zou zijn voor een grotere mate van soepelheid bij de toepassing van art. 2:60 BW, zoals in verband met de statutaire grondslag van uittreedvoorwaarden, niet overtuigen. Uit de wetsgeschiedenis volgt eerder het tegendeel.48.Blijkens art. 2:60 BW heeft de wetgever de teugels welbewust niet volledig laten vieren. Nu uit niets blijkt dat de wetgever met deze bepaling radicaal afscheid wilde nemen van wat in de oudere regimes - in het bijzonder voornoemde wetten uit 1876 en 1925 - rondom uittreding en daaraan te verbinden voorwaarden gold, waarin dus juist ook de statuteninhoud ter zake van groot belang was, ligt de toelaatbaarheid in uitgangspunt van contractuele uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW zónder statutaire grondslag niet voor de hand.
3.19
Voors en tegens rondom de wenselijkheid van dergelijke uittreedvoorwaarden maakten dat niet een categorisch verbod daarop, maar regulering ervan wenselijk is geacht, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis van art. 2:60 BW.49.Eenzelfde ‘enerzijds, anderzijds’ is daarin terug te vinden voor art. 12 lid 1 van de wet uit 1925.50.Dit stijgt dus uit boven het belang dat is gemoeid met wilsovereenstemming tussen de coöperatie en het individuele (aspirant-)lid. Het heeft er bovendien (minst genomen enige) schijn van dat aan deze regulering ook een gelijkheidsgedachte ten grondslag lag; in die zin dat leden bij uittreding, in overeenstemming met de omstandigheden, zo veel mogelijk gelijk moeten worden behandeld.51.De coöperatieve gedachte52.en de notie van gelijkheid van leden gaan, nog steeds, goed samen. Gesproken wordt wel over een beginsel van gelijkheid van leden, een beginsel dat oude papieren heeft.53.Dit gaat dan weer goed samen met een vereiste statutaire grondslag van eventuele uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW, de statuten gelden immers (uitzonderingen daargelaten) voor ieder lid gelijkelijk.54.
3.20
Dit een en ander is bijvoorbeeld goed verenigbaar met de door het hof in rov. 3.7 van het arrest bedoelde notie van ‘inbedding in het rechtspersonenrechtelijk kader’ en, zo voeg ik toe, de invloed van de leden via de algemene vergadering op de inhoud van uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW.55.Daaraan valt dan nog toe te voegen dat de bredere inzichtelijkheid (en daarmee ook controleerbaarheid) van zulke uittreedvoorwaarden, ook voor geïnteresseerden/aspirant-leden, is gediend met een statutaire grondslag daarvan; de statuten van een coöperatie dienen immers openbaar te worden gemaakt.56.Waarmee strookt wat het hof overweegt aan het slot van rov. 3.7.
3.21
Kortom: een uitleg van art. 2:60 BW waarbij uittreedvoorwaarden in de zin van deze bepaling die louter contractueel zijn ingebed (dus zónder een statutaire grondslag) in beginsel géén werking hebben, is reeds goed te verenigen met de achtergronden van dit artikel die verband houden met de karaktertrekken van de coöperatie, de regulering van voorwaarden verbonden aan uittreding uit de coöperatie en een op de coöperatie gerichte gelijkheidsgedachte. Ook komt betekenis toe aan de gezichtspunten samengevat onder 3.20 hiervoor. Het gaat derhalve niet om een formalistische eis zonder duidelijke of slechts beperkte ratio. Wel pleitbaar om, in de terminologie van Timmerman, een wezenlijk te noemen structuuraspect van de coöperatie.57.
3.22
Werp ik mij nog iets nader op de inhoud van art. 2:60 BW. Deze bepaling strekt, zoals gezegd, tot regulering van uittreedvoorwaarden als daarin bedoeld en bevat daartoe ook een materiële toets. Uit het voorgaande volgt dat art. 2:60 BW uitdrukt dat ledenbinding bij de coöperatie is toegestaan, maar, kort gezegd, niet buitensporig mag zijn.58.Hierbij zijn blijkens art. 2:60 BW het doel en de strekking van de coöperatie, waaronder de coöperatieve gedachte, van belang.59.Deze verwijzing naar doel en strekking is overgenomen uit art. 12 lid 1 van de wet uit 1925,60.dat ter zake weer was terug te voeren op rechtspraak omtrent art. 7, aanhef en onder 8° van de wet uit 1876.61.
3.23
De wetgeschiedenis van art. 12 lid 1 van de wet uit 1925 bevat mede:62.
“Het belang eener vereeniging kan medebrengen de mogelijkheid van uittreding aan de meest onderscheiden voorwaarden te binden; deze kunnen verband houden met de financiën der vereeniging, maar ook met andere belangen, bijv. met het belang eener productievereeniging, die eene fabriek bezit, om zich zooveel doenlijk de beschikking te verzekeren over de hoeveelheid grondstoffen, noodig om hare fabriek voordeelig te exploiteeren. Maar welke die voorwaarden ook mogen zijn, zij zullen nimmer verder mogen gaan dan een door de omstandigheden en den aard der vereeniging gerechtvaardigde beperking der vrijheid van uittreding. Gaan zij verder en komen zij neer op eene opheffing dier vrijheid, dan missen zij bindende kracht. Wanneer dit het geval zal zijn, kan niet in de wet worden vastgelegd; de rechter zal het voor ieder geval moeten beslissen.”
3.24
Van buitensporigheid van uittreedvoorwaarden in relatie tot dat doel en die strekking is sprake, indien er geen legitimatie voor de uittreedvoorwaarden is die strookt met dat doel en die strekking,63.laat staan indien de vrijheid om de coöperatie te verlaten niet reëel kan worden geëffectueerd, dus illusoir is.64.Deze aspecten behoeven in deze zaak geen uitwerking, belangrijk is wel dát art. 2:60 BW ook in een eigen materiële toets voorziet.
3.25
Daarnaast geldt een kenbaarheids- en bepaalbaarheidseis.65.In 2015 overwoog de Hoge Raad:66.
“4.1.2 Art. 2:60 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij de statuten van de coöperatie voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding. Die voorwaarden moeten volgens de bepaling in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Voorts moet de vrijheid van uittreding daarbij behouden blijven. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden.
4.1.3
Naar het hof terecht heeft beslist, is aan de eis van art. 2:60 BW dat de uittredingsvoorwaarde is opgenomen in de statuten, voldaan als uit de statuten voor de leden deze voorwaarde kenbaar is en de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor hen bepaalbaar zijn. In dat geval is immers aan het doel en de strekking van die eis voldaan.”
3.26
Daarop liet hij volgen:
“4.1.4 Het hof heeft geoordeeld dat uit art. 13 lid 1 van de statuten van DOC voldoende kenbaar is dat sprake is van een verplichting tot vergoeding van de schade die DOC lijdt ten gevolge van de beëindiging van het lidmaatschap (…). Voorts heeft het hof geoordeeld dat deze schadevergoedingsverplichting ook voldoende bepaalbaar is (…). Uit zijn overwegingen volgt voorts dat uit art. 13 lid 1 van de statuten voldoende duidelijk blijkt hoe de schadevergoeding berekend moet worden, namelijk als een concrete schadevergoeding, overeenkomstig de wettelijke uitgangspunten, en dat DOC daarom aanspraak kan maken op die vergoeding (…). In dat oordeel ligt besloten dat de omstandigheid dat in het onderhavige geval nog geen gevolg was gegeven aan de bepaling in art. 13 lid 1 van de statuten dat de grondslagen van de schadevergoeding in het huishoudelijk reglement zullen worden vastgesteld, niet verhindert dat aan de eisen van art. 2:60 BW is voldaan.Deze oordelen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, verweven als zij zijn met beoordelingen van feitelijke aard, in cassatie verder niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.”
3.27
Hieruit valt op te maken67.dat de uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW kenbaar en, wat betreft de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen, voldoende bepaalbaar dient te zijn, en wel aan de hand van de statuten.68.Een nadere uitwerking van zo’n statutair verankerde uittreedvoorwaarde, bijvoorbeeld in een overeenkomst tussen lid en coöperatie, moet evenwel voor mogelijk worden gehouden.
(ii) Contractuele uittreedvoorwaarde zónder statutaire grondslag?
3.28
Welnu: staat art. 2:60 BW, dat ziet op uittreedvoorwaarden “bij de statuten”, in de weg aan de werking van een uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling als het daarbij gaat om een contractueel beding tussen het lid en de coöperatie zónder grondslag in de statuten van de coöperatie?
3.29
Rensen schrijft,69.na vooropstelling van de vraag hoe te oordelen over een uittreedvoorwaarde die niet in de statuten maar in een overeenkomst tussen de coöperatie en het lid is opgenomen, dat het zijns inziens niet de strekking van art. 2:60 BW is “om steeds de geldigheid aan te tasten van een uittreedvoorwaarde die in plaats van in de statuten in een overeenkomst is opgenomen.”70.Want het gaat er bij deze bepaling vooral om “dat een lid wordt beschermd tegen bijvoorbeeld een bepaling op grond waarvan het bestuur uittreedvoorwaarden kan opleggen aan uittredende leden, zonder dat de maatstaven daarvan kenbaar zijn.” Dat kan in een overeenkomst evengoed zijn gewaarborgd als in de statuten. “Het enkele feit dat een uittreedvoorwaarde in een overeenkomst is opgenomen, hoeft daarom niet steeds tot ongeldigheid te leiden”, aldus nog steeds Rensen. Daarbij betrekt hij dat zo’n contractuele regeling moet worden onderscheiden van bijvoorbeeld een huishoudelijk reglement, in die zin dat voor de eerste instemming van het desbetreffende lid nodig is, terwijl de laatste bij meerderheidsbesluit zal worden vastgesteld. Rensen formuleert hier weliswaar genuanceerd,71.maar toch niet op voorhand in termen van een uitzonderingsgeval, van ‘in uitgangspunt niet en een enkele keer wel’. Zijn betoog72.ademt een ruimere benadering. Daarbij wordt door hem bijvoorbeeld niet toegelicht waaraan (het ontbreken van) zo’n strekking is ontleend.73.Noch opgemerkt dat een besluit tot statutenwijziging, zoals ter invoering van een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW (“bij de statuten”), in beginsel ook niet vergt dat alle leden vóór stemmen (art. 2:43 BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW).74.Ik noem hier verder Cremers. Zij heeft recent een lans gebroken voor de mogelijkheid van een zuiver contractuele route bij een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW. Aldus dat haar “dunkt dat een lid ook gebonden zou moeten kunnen zijn aan een louter contractuele regeling omtrent uittreedvoorwaarden die dat lid is overeengekomen.”75.Zij licht dit standpunt niet toe.
3.30
Ik pleit ervoor, anders kennelijk dan Rensen en Cremers aldaar, de onder 3.28 hiervoor geformuleerde vraag in beginsel bevestigend te beantwoorden. Daarbij betrek ik ook het volgende.
a. De vrijheid van uittreding en de mogelijkheid van aan uittreding te verbinden voorwaarden als bedoeld in art. 2:60 BW zijn, kort gezegd, terug te voeren op oude gedachten omtrent karaktertrekken van de coöperatie en inhoud van de statuten in dat verband, waarvan nooit kenbaar afscheid is genomen. Zie onder 3.5-3.18 hiervoor. Dit spreekt voor zich.
b. Het vereiste van een statutaire grondslag voor dergelijke uittreedvoorwaarden rijmt verder, kort gezegd, met historische sporen van een streven naar passende gelijkheid tussen de leden in het verband van de coöperatie, gegeven ook de coöperatieve gedachte. Zie onder 3.19 hiervoor. Ook hier zijn lange lijnen te trekken, net als onder a hiervoor. Ook dit spreekt voor zich.
c. De tekst van art. 2:60 BW, die aansluit op a-b hiervoor, is bovendien niet bepaald dubbelzinnig over de vereiste bron van dergelijke uittreedvoorwaarden: “bij de statuten”. Zie onder 3.7-3.8 en 3.14 hiervoor. In het algemeen geldt in het rechtspersonenrecht toch niet dat voor “bij de statuten”, een passage die volgens mijn telling zeventig keer voorkomt in Boek 2 BW, mag worden gelezen: ‘bij de statuten, maar een contractueel beding zonder statutaire grondslag is ook prima’. Nee, dat blijkens de wet een onderwerp “bij de statuten” kan worden geregeld, wijst - behoudens duidelijke, per saldo prevalerende contra-indicatie - op ten minste het vereiste van een betekenisvolle statutaire grondslag van zo’n regeling.76.Daaraan doet niet af dat “bij de statuten” soms (zoals denkelijk bij art. 2:60 BW, zie ook onder 3.25-3.27 hiervoor) beter kan worden gelezen als “bij of krachtens de statuten”, een passage die met zo veel woorden negentien keer te vinden is in Boek 2 BW.77.Die laatste passage laat de vereiste statutaire grondslag onverlet en drukt alleen uit dat een uitwerking elders toelaatbaar (rechtsgeldig) is.78.
d. Het gezichtspunt van bescherming is eveneens van belang. Zo bevat art. 2:60 BW dus óók een materiële toets. Zie onder 3.22-3.24 hiervoor. Die zou niet contractueel moeten kunnen worden omzeild (noch trouwens de eis van kenbaarheid en bepaalbaarheid, zie onder 3.25-3.27 hiervoor). M.i. doelt het hof daarop ook, waar het in rov. 3.7, laatste zin van het arrest overweegt dat “als ook zonder statutaire grondslag voorwaarden aan uittreding zouden kunnen worden verbonden, niet meer duidelijk is of ook daarvoor de vereisten gelden van behoud van de vrijheid van uittreding en overeenstemming met doel en strekking van de coöperatie.” De onder 3.29 hiervoor genoemde schrijvers verkondigen overigens niet uitdrukkelijk dat zuiver contractuele uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW ook aldus buiten het toepassingsbereik van deze bepaling blijven. Neem ik aan - wat ik doe - dat Rensen en Cremers slechts de passage “bij de statuten” anders lezen, en de overige eisen van art. 2:60 BW onverkort van toepassing achten op zulke contractuele uittreedvoorwaarden, dan blijft de vraag: waarom en hoe dan precies? Ik lees in hun betogen geen overtuigend antwoord daarop. Zie ook onder 3.29 hiervoor. Zoals gezegd: “bij de statuten” is toch niet bepaald dubbelzinnig, en dit vereiste heeft al oude tevens goede papieren. Zie onder a-c hiervoor. En zie verder onder e-g hierna. Bovendien geldt bij het vereiste van een statutaire grondslag voor uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW dat zij in zoverre in beginsel voor eenieder inzichtelijk (en daarmee ook controleerbaar) zijn, nu statuten, anders dan overeenkomsten, openbaar dienen te worden gemaakt. Zie ook onder 3.20 hiervoor. Daarvan gaat, wat betreft de inhoudelijke toelaatbaarheid van dergelijke uittreedvoorwaarden, ook een zekere preventieve en in die zin beschermende werking uit. Dit komt mij wenselijk voor, passend ook bij de portee van art. 2:60 BW.
e. Er is tevens een stelselargument voorhanden. Art. 2:34a BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW onderstreept de noodzaak van een statutaire grondslag van uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW, want bepaalt ook voor de coöperatie dat “verbintenissen (…) slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap [kunnen] worden verbonden.”79.Art. 2:34a BW wordt in de literatuur wat betreft de vereiste statutaire grondslag strikt begrepen, bijvoorbeeld door Rensen.80.En naar luid van art. 2:27 lid 4, aanhef en onder c BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW houden de statuten van de coöperatie de verplichtingen die de leden tegenover de coöperatie hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd, in.81.Art. 2:27 lid 4, aanhef en onder c BW wordt in de literatuur wat betreft de vereiste statutaire grondslag eveneens strikt begrepen, bijvoorbeeld (en wederom) door Rensen.82.En - toegegeven - ook wel ietsje minder strikt, maar genuanceerd en dan nog steeds niet (ook) redenerend vanuit een zuiver contractuele basis.83.Er zijn nog andere voorbeelden te geven, zoals art. 2:36 BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW, al genoemd onder 3.6 hiervoor.84.,85.
f. Verder verdient opmerking dat iedere rechtspersoon (dus ook een coöperatie) een georganiseerd geheel is, waarvan de organisatie mede wordt bepaald door diens statuten,86.naast wet,87.gewoonte, reglementen en besluiten (zie bijvoorbeeld de verwijzingen in art. 2:8 BW). Samen bepalen zij de interne structuur van de rechtspersoon en de interne bevoegdheidsverdeling in de rechtspersoon.88.Door toetreding tot de rechtspersoon als lid (of aandeelhouder), bij oprichting of nadien door toelating als lid (of verwerving van een of meer aandelen), ontstaat een verhouding tussen het lid (of de aandeelhouder) enerzijds en de rechtspersoon anderzijds die wordt beheerst en bepaald door de wet, de gewoonte, de statuten, reglementen en besluiten. Deze verhouding is aan te duiden met lidmaatschapsverhouding, een verhouding van eigen aard die geen contractueel karakter heeft.89.De statuten van de rechtspersoon hebben aldus, bezien vanuit het rechtspersonenrecht en de organisatie van de rechtspersoon, een zekere inbedding en soortelijk gewicht die niet zo, in ieder geval niet één-op-één, opgaan voor bijvoorbeeld een overeenkomst tussen de rechtspersoon en een bij diens organisatie betrokkene.90.Dit wordt bij een coöperatie niet anders door de in art. 2:53 lid 1 (en 3-4) BW bedoelde, in het door haar uitgeoefende bedrijf gesloten, overeenkomsten.91.Zie ook onder 3.5 hiervoor. Het voorgaande raakt tevens aan de door het hof in rov. 3.7, voorlaatste zin van het arrest bedoelde “inbedding in het rechtspersonenrechtelijke kader” van een statutaire grondslag als vereist door art. 2:60 BW. Zie ook onder 3.20-3.21 hiervoor.
g. Tot slot valt te wijzen op 3.25-3.27 hiervoor. Een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW hoeft dus niet integraal geregeld te worden in de statuten van de coöperatie in kwestie. Er bestaat ook bij het in deze bepaling bedoelde vereiste van een statutaire grondslag als uitgelegd door de Hoge Raad een zekere, niet slechts marginale, mogelijkheid tot uitwerking in andere instrumenten, zoals een overeenkomst tussen lid en coöperatie. Van een rigide, inflexibele systematiek is derhalve geen sprake.
3.31
Alleen al gelet op 3.30 onder a-g hiervoor, te meer in onderling(e) verband en samenhang, zie ik niet in hoe - behoudens daartoe strekkende wetswijziging - in uitgangspunt werking kan toekomen aan een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW die is vervat in een contractueel beding tussen het lid en de coöperatie zónder grondslag in de statuten van de coöperatie. Onder dit gesternte schijnt het tegendeel mij toe als juist: aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde komt naar geldend recht in beginsel géén werking toe. In uitzonderlijke gevallen is het dan voorstelbaar dat de regel van art. 2:60 BW dat een uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling een statutaire grondslag vergt, welke regel gezien ook art. 2:25 BW in verbinding met art. 2:60 BW een dwingendrechtelijk karakter heeft, met een beroep op art. 2:8 lid 2 BW buiten toepassing kan worden gelaten zodat langs die weg in dat geval toch werking kan toekomen aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde (aangenomen, uiteraard, dat daarbij aan de overige eisen van art. 2:60 BW is voldaan).92.Die mogelijkheid biedt art. 2:8 lid 2 BW nu eenmaal en moet er ook zijn vanuit het oogpunt van evenwichtige rechtsbescherming en -bedeling, passend bij de redelijkheid en billijkheid als grondnorm (ook) van het rechtspersonenrecht. Voor een dergelijk uitzonderlijk geval zal evenwel de enkele omstandigheid dát sprake is van zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde ontoereikend (moeten) zijn. Want niet alleen is de drempel van art. 2:8 lid 2 BW een hoge.93.Anders verwordt de dwingendrechtelijke eis van zo’n statutaire grondslag tot een wassen neus.94.Er ontbreekt noodzaak hier te verkennen of, en zo ja waaruit, los van art. 2:8 lid 2 BW nog een uitzondering op voornoemde beginsel kan bestaan.95.Ik zie overigens in het licht van het voorgaande onvoldoende grond om de consequentie dat aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde géén werking toekomt, dus waar voornoemde beginsel opgeld doet, niet eenvoudigweg te herleiden tot de in art. 2:60 BW vervatte eis van een statutaire grondslag ter zake (zo nodig in verbinding met art. 3:40 lid 2 BW en art. 3:41 BW). Dit harmonieert ook met het slot van art. 2:60, tweede zin BW. Voor die consequentie hoeft dan geen toevlucht te worden genomen tot juridisch trapezewerk via bepalingen als art. 3:39 BW in verbinding met art. 3:59 BW, wat nodeloos ingewikkeld voorkomt.96.
3.32
Mijn bevindingen onder 3.30-3.31 hiervoor stroken ook met de rechtspraak. Op het Hoge Raad-arrest uit 201597.wees ik onder 3.25-3.27 hiervoor. Hoewel daar niet de onder 3.28 hiervoor geformuleerde vraag speelde, maakte de Hoge Raad daarbij geen enkel (kenbaar) voorbehoud wat betreft de eis van art. 2:60 BW dat de uittredingsvoorwaarde in de zin van deze bepaling is opgenomen in de statuten (“bij de statuten”). Integendeel. Zoals de citaten onder 3.25-3.26 hiervoor laten zien, redeneerde de Hoge Raad daar juist consequent vanuit deze eis. In de woorden van Kroeze:98.
“De wet en de statuten mogen aan de vrijheid tot uittreding beperkingen stellen. (…) Art. 2:60 BW legt het beginsel van vrijheid van uittreding uit de coöperatie vast, maar voegt daaraan toe dat daaraan bij de statuten voorwaarden kunnen worden verbonden. Zo is dikwijls een uittreedvergoeding verschuldigd. Zie bijvoorbeeld HR 12 juni 2015, NJ 2015/437 (Melkveehouders/DOC).”
3.33
Hetzelfde geldt voor een Hoge Raad-arrest van eerder dit jaar, in een zaak waarin in een huishoudelijk reglement een betalingsverplichting was gekoppeld aan uittreding.99.Daarin werd door de Hoge Raad eerst, als volgt, onverkort teruggegrepen op voornoemd arrest uit 2015:
“3.1.2 Art. 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten van de coöperatie voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding. Die voorwaarden moeten volgens de bepaling in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Ook moet de vrijheid van uittreding daarbij behouden blijven. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden.100.
Aan de eis van art. 2:60 BW dat de uittredingsvoorwaarde is opgenomen in de statuten, is voldaan als uit de statuten voor de leden deze voorwaarde kenbaar is en de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor hen bepaalbaar zijn. In dat geval is immers aan het doel en de strekking van die eis voldaan.101.”
Vervolgens oordeelde hij, met voor zich sprekende onderstreping door mij:
“3.1.3 Het hof heeft (…) geconcludeerd dat de statuten van DOC Kaas geen basis bevatten voor terugbetaling van het uitgekeerde deel van de transactiesom, dat sprake is van een met art. 2:60 BW strijdige situatie en dat art. 11 lid 4 Hr een nietige bepaling is. Dit oordeel moet worden bezien in het licht van de (…) vaststellingen van het hof dat de transactiesom “te betalen [is] aan de leden van DOC Kaas” (…), dat de transactiesom “een tijdens het fusiebesluit van 21 mei 2015 aan alle leden (…) toegezegde (extra) (financiële) vergoeding” is (…) en dat de aanspraak van de melkveehouders op hun deel van de transactiesom rechtstreeks voortvloeit uit het fusiebesluit (…). In het oordeel van het hof ligt aldus besloten dat de terugbetalingsverplichting van art. 11 lid 4 Hr afbreuk doet aan de al bij het fusiebesluit aan de leden toegezegde transactiesom en dus aan uittreding een financiële verplichting verbindt, en daarom is aan te merken als een voorwaarde die is verbonden aan de uittreding van een lid zoals bedoeld in art. 2:60 BW. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, (…). Dat de leden van DOC Kaas art. 11 lid 4 Hr niet hebben ervaren als een uittredingsbeperking, is in dit verband niet van belang (…).”
(iii) Wat is een ‘uittreedvoorwaarde’?
3.34
Blijft over de vraag wat een ‘uittreedvoorwaarde’ in de zin van art. 2:60 BW behelst.
3.35
Eerder wees ik op de open formulering in art. 2:60 BW van uittredingsvoorwaarden waar het hier om kan gaan, waarvoor blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling bewust is gekozen.102.Op het gegeven dat deze bepaling een zekere bescherming beoogt te bieden aan leden van de coöperatie waar het gaat om voorwaarden verbonden aan hun uittreding als lid,103.wat evenmin erop wijst dat deze bepaling hier restrictief uitgelegd moet worden.104.En op literatuur, waaruit volgt dat het bij uittredingsvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW draait om voorwaarden105.die als gevolg van de uittreding ontstaan.106.
3.36
Het is, gelet hierop, evident dat art. 2:60 BW niet zo beperkt dient te worden begrepen dat de daarin bedoelde ‘uittreedvoorwaarde’ alleen ziet op een voorwaarde die moet worden vervuld, wil een opzegging haar werking hebben. Dan zou het immers een koud kunstje zijn om art. 2:60 BW te omzeilen, namelijk door niet een preconditie voor rechtsgeldige opzegging te formuleren, maar slechts een (financieel) gevolg te verbinden aan de rechtsgeldige beëindiging van het lidmaatschap.
3.37
Aangenomen zal moeten worden, wil art. 2:60 BW nuttig effect sorteren, dat (in ieder geval ook) elke bepaling die aanwijsbaar (in)direct een verplichting/prestatie voor het lid koppelt aan uittreding van het lid en aldus een drempel opwerpt voor die uittreding wordt aangemerkt als een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW. Of dit in een concreet geval speelt, is vanzelfsprekend een kwestie van uitleg van die bepaling aan de hand van de relevante maatstaf, verweven met beoordelingen van feitelijke aard. Daarbij geldt - zie onder 3.33 hiervoor, aan het slot - dat zo’n bepaling een dergelijke voorwaarde kan opleveren, ook als de leden van de coöperatie die bepaling niet hebben ervaren als een uittredingsbeperking.
3.38
Hieruit volgt dat het toepassingsbereik van art. 2:60 BW, waar het gaat om de daarin bedoelde uittredingsvoorwaarde, onvermijdelijk een zekere openheid kent.
b. Bespreking van de onderdelen
3.39
Met inachtneming van 3.4-3.38 hiervoor zet ik mij nu aan de bespreking van de onderdelen.
Onderdeel 1 (“Er is een dúbbele rechtsbetrekking: contractueel is de vergoeding verschuldigd”)
3.40
Onderdeel 1 bevat subonderdelen 1.1-1.2. Zij zijn gericht tegen rov. 3.4-3.5 en 3.10-3.11 van het arrest.
3.41
Subonderdeel 1.1 heeft als onderopschrift: “ [verweerder] is de vergoeding niet verschuldigd voor de beëindiging van zijn lidmaatschap.” Het klaagt dat het hof in rov. 3.5 en 3.10-3.11 van het arrest heeft miskend: (a) dat tussen partijen de overeenkomst is gesloten, waarin geregeld is zowel hun onderlinge (franchise)verhouding als het lidmaatschap van [verweerder] van de coöperatie; en (b) dat de beëindiging van de franchiseverhouding door opzegging van de overeenkomst tevens het einde van het lidmaatschap meebrengt.107.De kennelijke strekking van de afspraken is dat “de Ondernemer” bij het aangaan van de franchiseovereenkomst tevens lid wordt van de coöperatie. Daaruit volgt dat het beëindigen van de franchiseovereenkomst het einde van het lidmaatschap tot gevolg heeft. Daarom is onjuist dan wel onbegrijpelijk ’s hofs oordeel dat de ondernemer ( [verweerder] ) wegens de beëindiging van zijn lidmaatschap van de coöperatie een vergoeding verschuldigd zou zijn. Want [verweerder] is een vergoeding verschuldigd op grond van (de opzegging van) de overeenkomst.108.
Behandeling
3.42
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.42.1
Het subonderdeel mist feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, voor zover het aanvoert dat het hof voorbijziet aan (a) en (b) als bedoeld in het subonderdeel. En dat het hof eraan voorbijziet, kort gezegd, dat ‘de ondernemer’ (hier [verweerder] ) bij het aangaan van de overeenkomst met Kubus tevens lid wordt van de coöperatie en dat het beëindigen van de overeenkomst het einde van het lidmaatschap tot gevolg heeft. Het hof onderkent dit een en anders immers wel degelijk in het arrest, zoals onder meer volgt uit rov. 3.4, eerste zin:
“Kubus en [verweerder] hebben een overeenkomst gesloten die inhoudt dat [verweerder] toetreedt tot de coöperatie en die verder onder meer regelt dat [verweerder] de formule en handelsnaam van Kubus mag gebruiken en de door [verweerder] aan Kubus te betalen vergoedingen, waaronder een intreed- en een uittreedvergoeding.”
Uit rov. 3.5, eerste zin:
“Het einde van het lidmaatschap van Kubus betekent het einde van de overeenkomst tussen Kubus en het lid en andersom, zo hebben beide partijen bevestigd bij de mondelinge behandeling in hoger beroep.”109.
Uit rov. 3.10, derde en vierde zin, voortbouwend op voorgaande overwegingen:
“De vergoeding [de uittreedvergoeding, A-G] is verschuldigd, zo volgt uit de hiervoor [in rov. 3.4] aangehaalde considerans en lid 3, bij het einde van het lidmaatschap. Kubus maakt er aanspraak op vanwege, zoals zij aanvoert, het einde van de overeenkomst, maar gaat er (net als [verweerder] ) van uit dat het einde van de overeenkomst samenvalt met het einde van het lidmaatschap.”
En uit rov. 3.11, derde t/m vijfde zin, weer voortbouwend op voorgaande overwegingen:
“Iedere franchisenemer is lid van de coöperatie en sluit een overeenkomst met de coöperatie zoals de “ledenovereenkomst” die [verweerder] sloot. Als de ene rechtsbetrekking eindigt, eindigt noodzakelijkerwijs ook de andere. De tekst van de overeenkomst verbindt de vergoeding expliciet aan het uittreden als lid.”
3.42.2
Ik lees in het subonderdeel geen klacht, althans niet een die voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv, waaruit volgt dat en waarom deze specifieke oordelen van het hof de toets der kritiek in cassatie niet zouden kunnen doorstaan. Hetzelfde geldt voor ’s hofs vaststelling in rov. 3.5, tweede zin dat [verweerder] aan Kubus op 29 juni 2020 heeft geschreven: “Hierbij zeg ik het lidmaatschap (…) op per 31 juli 2020”. Overigens valt, zeker zonder méér (wat in het subonderdeel dus ontbreekt), ook niet in te zien dat deze oordelen en vaststelling onjuist dan wel onbegrijpelijk zouden zijn. Daarbij zij bedacht dat het subonderdeel dus enkel leunt op stellingen van Kubus in de MvG en negeert wat daarna ter mondelinge behandeling in hoger beroep is besproken en ter zake is vastgesteld in rov. 3.5, eerste zin, waarop het hof dus juist voortbouwt (in verbinding met rov. 3.4 inzake de overeenkomst, door het subonderdeel niet bestreden) in rov. 3.10-3.11. Zie onder 3.42.1 hiervoor. Daarbij zij verder bedacht dat het subonderdeel dus, gelijk het hof in rov. 3.5, tweede zin, ervan uitgaat dat [verweerder] zijn lidmaatschap van Kubus heeft opgezegd.
3.42.3
Met 3.42.1-3.42.2 hiervoor ontvalt ook al de bodem aan wat het subonderdeel in de laatste twee zinnen ervan nog aanvoert inzake onjuistheid dan wel onbegrijpelijkheid van het bestreden oordeel (“Daarom”, etc.). Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.43
Subonderdeel 1.2 heeft als onderopschrift “Geen uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW.” Het klaagt als volgt. Zoals uit de in rov. 3.4 van het arrest weergegeven tekst onmiskenbaar blijkt, is ‘de ondernemer’ zowel bij de aanvang van het lidmaatschap als bij de beëindiging een vergoeding verschuldigd ter zake van “goodwill” en niet ter zake van de beëindiging van het lidmaatschap van de coöperatie. In wezen gaat het om een financiële afrekening betreffende (de voor- en nadelen van) de franchiseverhouding. Hieruit kan geen andere conclusie volgen dan dat de uittreedvergoeding geen voorwaarde is als bedoeld in art. 2:60 BW. Daarom is het andersluidende oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk.
Behandeling
3.44
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.44.1
Zoals, kort gezegd, blijkt uit 3.34-3.38 hiervoor kent het toepassingsbereik van art. 2:60 BW onvermijdelijk een zekere openheid waar het gaat om de daarin bedoelde uittredingsvoorwaarde. Daarbij past niet dat het enkele gegeven dat de overeenkomst in het voorliggende geval vermeldt dat bij uittreden door ‘de ondernemer’ een “uittredevergoeding (goodwill)” is verschuldigd, alsook dat - zoals het subonderdeel betoogt110.- het daarbij “in wezen” zou gaan “om een financiële afrekening betreffende (de voor- en nadelen van) de franchiseverhouding”, al maakt, dus zonder méér, dat hier geen sprake is van een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW. Nu het subonderdeel categorisch het tegendeel bepleit (met “Hieruit”, etc. en “Daarom”, etc.), loopt het reeds daarop vast.
3.44.2
Overigens zet het hof in rov. 3.10-3.11 van het arrest haarfijn uiteen waarom er in het voorliggende geval, niettegenstaande de in rov. 3.8 en 3.11, eerste zin bedoelde stellingname van Kubus,111.naar diens oordeel sprake is van een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW. Daarbij betrekt het hof de volgende aspecten, gegeven ook de in rov. 3.5, tweede zin vastgestelde opzegging door [verweerder] van het lidmaatschap van Kubus.
- Partijen hebben de vergoeding in kwestie zelf in de overeenkomst aangeduid als een uittreedvergoeding.
- Dit hebben zij gedaan in de overeenkomst die “ledenovereenkomst” is genoemd.
- De vergoeding is verschuldigd, zo volgt uit de considerans en (art. 11) lid 3 van de overeenkomst, reeds aangehaald in rov. 3.4, bij het einde van het lidmaatschap.
- Kubus maakt aanspraak op de uittreedvergoeding vanwege, naar eigen zeggen, het einde van de overeenkomst, maar gaat ervan uit gelijk [verweerder] - zie ook rov. 3.5, eerste zin - dat het einde van de overeenkomst samenvalt met het einde van het lidmaatschap.
- Kubus heeft ervoor gekozen haar franchiseorganisatie in te bedden in een coöperatie, zodat daarop het dwingendrechtelijke kader van een coöperatie van toepassing is.
- Iedere franchisenemer is lid van de coöperatie en sluit een overeenkomst met de coöperatie zoals de “ledenovereenkomst” die [verweerder] sloot.
- Als de ene rechtsbetrekking eindigt, eindigt noodzakelijkerwijs ook de andere.
- De tekst van de overeenkomst verbindt de uittreedvergoeding expliciet aan het uittreden als lid.
3.44.3
Gezien ook 3.34-3.38 hiervoor levert dit een en ander, tja, een alleszins dragende motivering op. Voornoemde oordeel van het hof is derhalve onjuist noch onbegrijpelijk te noemen.
3.45
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2 (“De vergoeding is contractueel verschuldigd: daarom is geen statutaire grondslag nodig”)
3.46
Onderdeel 2 bevat subonderdelen 2.1-2.3. Zij zijn gericht tegen rov. 3.10-3.11 van het arrest.
3.47
Subonderdeel 2.1 klaagt als volgt. Zelfs als juist zou zijn het oordeel in rov. 3.10 van het arrest dat het hier gaat om een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW, dan volgt daaruit in casu nog niet dat de verplichting tot het betalen van de uittreedvergoeding (goodwill) ‘dus’ een voorwaarde voor uittreding zou zijn geworden die in de statuten opgenomen zou moeten worden,112.en evenmin dat deze verplichting wegens het ontbreken van zo’n grondslag in strijd zou zijn met de dwingende wetsbepaling van art. 2:60 BW. Immers, art. 2:60 BW staat niet eraan in de weg dat tussen partijen voorafgaand aan of uiterlijk bij toetreding tot de coöperatie de afspraak gemaakt wordt en schriftelijk vastgelegd wordt dat bij uittreding een (goodwill)vergoeding is verschuldigd.113.Want uit art. 2:60 BW volgt (‘slechts’) dat een begrenzing van de vrijheid van vereniging en daarmee de vrijheid van uittreding mogelijk is als daarvoor een statutaire grondslag bestaat. En een voorafgaand aan de toetreding of uiterlijk bij het toetreden gemaakte afspraak kan per definitie geen (ontoelaatbare) begrenzing vormen van de uittreding, reeds omdat het desbetreffende lid van de coöperatie daarmee vooraf al ingestemd heeft en daarom niet alleen bekend was met de voorwaarde, maar deze voorwaarde ook bij voorbaat aanvaard heeft. Het hof heeft miskend dat een (contractuele) afspraak over een uittreedvergoeding (goodwill) ten minste dezelfde waarborgen biedt als een statutaire grondslag, zodat, als zo’n afspraak gemaakt is, (de bescherming(sgedachte) achter) art. 2:60 BW geen beletsel vormt voor verschuldigdheid van die uittreedvergoeding.114.Derhalve is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan of heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd door hieraan geen (kenbare) aandacht te besteden.
Behandeling
3.48
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.48.1
Het subonderdeel verdedigt in de kern dat, nu in uitgangspunt werking toekomt aan een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW als vervat in een zuiver contractueel beding tussen het lid en de coöperatie (dus zónder grondslag in de statuten van de coöperatie) dat door hen is overeengekomen voorafgaand aan of uiterlijk bij toetreding tot de coöperatie, art. 2:60 BW niet in de weg staat aan werking van de onderhavige uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling, te weten de uittreedvergoeding die [verweerder] vanwege diens uittreden verschuldigd is aan Kubus op grond van de overeenkomst.
3.48.2
M.i. vindt deze opvatting geen steun in het recht, zoals volgt uit (3.4-3.27 en) 3.28-3.33 hiervoor. En huldigt het hof deze opvatting dus terecht niet in het arrest, zoals mede blijkt uit rov. 3.1 en 3.6-3.11. Want art. 2:60 BW staat aan die werking dus in beginsel wél in de weg. Dat in het onderhavige geval rechtvaardiging bestaat voor een uitzondering op dit beginsel op grond van art. 2:8 lid 2 BW (dan wel anderszins) valt niet in te zien, evenmin op basis van hetgeen het subonderdeel aanvoert (dat overigens geen kenbaar beroep doet op een uitzondering op dit beginsel).115.Daarmee is gegeven dat de onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikende motivering die het subonderdeel het hof tracht aan te wrijven zich in werkelijkheid niet voordoet.
3.48.3
Bij deze stand van zaken kom ik niet toe aan het belangverweer zijdens [verweerder] .116.
3.49
Subonderdeel 2.2 klaagt dat in elk geval onbegrijpelijk is hoe het hof in rov. 3.11 van het arrest tot zijn oordeel komt dat Kubus “onvoldoende heeft toegelicht” dat sprake is van een vergoeding op grond van (en wegens het einde van) een franchiseovereenkomst, die zozeer losstaat van de lidmaatschapsverhouding dat art. 2:60 BW daaraan niet in de weg staat. Kubus heeft namelijk uitdrukkelijk en gemotiveerd gesteld dat [verweerder] “de franchiseovereenkomst” heeft beëindigd.117.De vennootschappelijke verhouding staat daar los van.118.
Behandeling
3.50
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.50.1
Op de in noot 117 hiervoor genoemde vindplaats valt mede te lezen dat [verweerder] “de franchiserelatie” met Kubus heeft beëindigd. Dat de opzegbrief van [verweerder] van 29 juni 2020 zo moet worden begrepen. Dat Kubus [verweerder] ’s opzegging ook zo heeft opgevat. Dat aan de dubbele rechtsbetrekking119.inherent is “dat door het beëindigen van de franchiserelatie automatisch en onvoorwaardelijk óók het lidmaatschap van de coöperatie eindigt.”120.En:
“Dat is het rechtsgevolg van het door een franchisenemer beëindigen van de franchiserelatie. Zo hebben partijen met elkaar gecontracteerd.”
3.50.2
Kubus heeft daar dus zelf nadrukkelijk een verband gelegd tussen het beëindigen van de franchiserelatie en het eindigen van de lidmaatschapsverhouding, en wel in onlosmakelijke zin. Iets anders blijkt geenszins uit de in noot 118 hiervoor genoemde vindplaatsen, evenmin waar daarin wordt verwezen naar “de vennootschappelijke verhouding tussen Kubus en [verweerder] ” (waarmee klaarblijkelijk wordt gedoeld op die lidmaatschapsverhouding). Integendeel, zo is daarin door Kubus nog eens herhaald121.dat:
“door het beëindigen van de franchiserelatie óók het lidmaatschap van de coöperatie [eindigt], en wel automatisch en onvoorwaardelijk. Dat is het rechtsgevolg van het door een franchisenemer beëindigen van de franchiserelatie. Zo hebben partijen met elkaar gecontracteerd.”
3.50.3
Daarmee ontvalt al de bodem aan het subonderdeel. Kort en goed: worden voornoemde vindplaatsen in totaliteit bezien, wat het subonderdeel dus niet doet, dan is duidelijk dat wat op die vindplaatsen te lezen valt geenszins de conclusie rechtvaardigt dat ’s hofs bestreden oordeel onbegrijpelijk is.
3.51
Subonderdeel 2.3 klaagt, tot slot, dat voor zover het hof in rov. 3.11 van het arrest als eis heeft gesteld dat Kubus’ betoog alleen opgaat als de franchiseovereenkomst losstaat van het lidmaatschap van de coöperatie, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, niet valt in te zien waarom een afspraak als de onderhavige niet gemaakt zou kunnen worden met een (toetredend) lid van de coöperatie, zoals in casu het geval is. Het lidmaatschap van de coöperatie doet er ook niet aan af dat het gaat om afspraken in het kader van een franchiseovereenkomst.
Behandeling
3.52
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.52.1
De eerste zin van het subonderdeel loopt reeds vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, want in rov. 3.11 stelt het hof niet de eis waarvan het subonderdeel uitgaat (dus: “dat Kubus’ betoog alleen opgaat als de franchiseovereenkomst losstaat van het lidmaatschap van de coöperatie”).
3.52.2
Immers, het hof zet daarin uiteen dat Kubus onvoldoende heeft toegelicht dat sprake is van een vergoeding op grond van (en wegens het einde van) een franchiseovereenkomst, die “zozeer los staat” van de lidmaatschapsverhouding dat art. 2:60 BW daaraan niet in de weg staat. Dit is iets anders dan het subonderdeel veronderstelt, want betekent niet dat de dans van art. 2:60 BW alleen wordt ontsprongen als de franchiseovereenkomst “losstaat”, dus in absolute zin, van het lidmaatschap van de coöperatie (oftewel de lidmaatschapsverhouding).
3.52.3
Voor zover het subonderdeel in de tweede en derde zin (vanaf “Immers, niet in te zien valt”, etc.) voortbouwt op die eerste zin, strandt het ook in zoverre reeds op dit gebrek aan feitelijke grondslag. Los daarvan geldt dat het subonderdeel repetitief is na die eerste zin en daarom deelt in het lot van subonderdelen 1.1-2.2, die falen. Zie onder 3.40-3.50.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.53
Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 2 faalt.
Slotsom
3.54
Het cassatiemiddel van Kubus is derhalve vergeefs voorgesteld.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑11‑2024
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 19 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7816.
Op 18 maart 2022 heeft Kubus een conclusie van antwoord in reconventie tevens akte inbreng producties ten behoeve van comparitie genomen. De eis in reconventie is in cassatie niet meer relevant.
Zie Rb. Overijssel (ktr.) 26 april 2022, zaaknr. 9500618 \ CV EXPL 21-2484 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Toevoeging A-G: in noot ii wordt daarbij verwezen naar HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, NJ 2015/437. Overigens staat zo’n overweging als hier verwoord door het hof niet in dit Hoge Raad-arrest, de Hoge Raad verwijst daarin niet zó toegespitst naar “het doel en de strekking van die eis”. Zie onder 3.25-3.26 hierna. Hetzelfde geldt voor HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241, NJ 2024/84. Zie onder 3.33 hierna.
Dit ontbreken staat buiten kijf. Zie ter zake rov. 2.1, 3.3, 3.10-3.11 van het arrest, in cassatie onbestreden.
Zie mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:910) voor HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241, NJ 2024/84. Zie eerder A-G Van Peursem (ECLI:NL:PHR:2015:229) voor HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, NJ 2015/437.
Zie bijv. ook Hof ‘s-Hertogenbosch 20 juni 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AY3884, NJ 2008/214, rov. 4.2.7.
Zie noot 6 hiervoor.
Zie bijv. R.C.J. Galle, ‘De coöperatie in de wet; wettekst met toelichting’, in: Handboek Coöperatie, Dordrecht: Convoy 2010, p. 484-485; J. van der Kraan in JIN 2015/153, nr. 6.3; E. Holtman, ‘Uittreedvoorwaarden bij de coöperatie’, TOP 2016/281; C.H.C. Overes, T.J. van der Ploeg & W.J.M. van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 178-180; T.W.G. de Wit e.a., ‘Het structureren van een venture capital fonds’, TOP 2022/178; Asser/G.J.C. Rensen, Overige rechtspersonen (2-III), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 265 onder c (ook in Extra-verplichtingen van leden en aandeelhouders (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2005, p. 152-153 en JOR 2006/232, nr. 4); M.A.J. Cremers in JOR 2024/132, nr. 8; en M.A.M. van Steensel, Sdu commentaar ondernemingsrecht, Den Haag: Sdu 2024, art. 2:60 BW, aant. 2 (ook in JOR 2024/134, nr. 5).
Zie bijv. ook noot 27 van mijn in noot 6 hiervoor genoemde conclusie.
Zie bijv. Asser/Rensen 2022, nr. 77.
Zie C.J. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 2, Rechtspersonen, Deventer-Antwerpen: Uitg. Æ.E. Kluwer 1962, p. 514. Zie ook C.J. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Invoeringswet Boek 2, Rechtspersonen, Deventer: Kluwer 1977, p. 1252-1253.
Zie Stb. 1925/204 en Stb. 1925/206.
Inzichtelijk met betrekking tot e.e.a. is G.J.H. van der Sangen, Rechtskarakter en financiering van de coöperatie (diss. Amsterdam), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1999, p. 174-188. Zie verder bijv. E.E.G. Gepken-Jager, GS Rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (actueel t/m 1 mei 2024), art. 2:60 BW, aant. 1.
Zie Kamerstukken II 1923/24, 326, 3, p. 8.
Zie bijv. ook HR 26 juni 1959, ECLI:NL:HR:1959:25, NJ 1959/587, waarin o.a. wordt overwogen: “dat ingevolge art. 12, lid 1, voornoemd [“art. 12, lid 1, der Wet coöperatieve Verenigingen 1925, Stb. 204”, A-G] een voorwaarde welke verder gaat dan geoorloofd is slechts “in zoverre', dat is: voor zover zij verder gaat, voor niet geschreven wordt gehouden; dat de strekking van deze beperking is te voorkomen, dat wanneer in rechte beslist wordt dat een in de statuten ener coöperatieve vereniging gestelde voorwaarde verder gaat dan geoorloofd is (…) de voorwaarde in haar geheel zou vervallen en de uittreding mitsdien geheel vrij zou zijn totdat door statutenwijziging een nieuwe voorwaarde is gesteld, omtrent welker geldigheid dan echter wederom geen zekerheid bestaat; (…).”
Dat de toelichting hier in termen van helderheid wellicht niet optimaal is geformuleerd, kan worden toegegeven aan W.L.P.A. Molengraaff, bewerkt door C.W. Star Busmann & Chr. Zevenbergen, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandse Handelsrecht. Eerste deel, Haarlem: Erven F. Bohn 1953, p. 326 (waarover ook de in noot 6 hiervoor genoemde conclusie van A-G Van Peursem, onder 2.1.9-2.1.10).
Zie bijv. ook L.J. Hijmans van den Bergh in NJ 1959/587, nr. 5 over die invoeging. Hier is trouwens iets geks aan de hand. In de digitale NJ-versie van dit Hoge Raad-arrest staat als annotator J.H. Beekhuis vermeld, blijkens de oorspronkelijke (gedrukte) NJ-versie is dit “H.B.”, dus L.J. Hijmans van den Bergh. Hopelijk doorsta ik hiermee de door F.G.K. Overkleeft in MvO 2015, p. 47-48 gemunte “Bröring-test”. Men leze aldaar.
Zie bijv. J.M. Polak, ‘De coöperatieve vereniging’, in: Preadviezen van de Broederschap der Candidaat-Notarissen 1965, p. 1, 4; Van der Sangen 1999, hoofdstuk 3; H. Koster, ‘De rechtsvorm van de coöperatie: verleden, heden en toekomst’, RM Themis 2013, p. 62-69; en Asser/Rensen 2022, nrs. 232-234, 237.
Zie bijv. Van der Sangen 1999, p. 6, die wijst op een ontwikkeling van zelffinanciering en ledenaansprakelijkheid naar externe financiering en uitkering van opbrengsten op korte termijn.
Zie bijv. A.J. Roijards, Iets over de wettelijke regeling der zoogenaamde coöperatieve vereenigingen (diss. Utrecht), Utrecht: J.L. Beijers 1875, p. 74, 253-254; H. Goeman Borgesius, De coöperatiewet en haar toepassing, ’s-Gravenhage: Thieme 1877, p. vii; en J.H. Boudewijnse, De coöperatieve vereeniging naar Nederlandsch recht (diss. Leiden), ’s-Gravenhage: H.L. Smits 1892, p. 21, 25-26. Zie ook Koster 2013, p. 63.
Zie Kamerstukken II 1874/75, 145, 3, p. 3.
Zie Kamerstukken II 1875/76, 28, 1 en Kamerstukken II 1876/77, 41, 5. Zie bijv. ook Asser/Rensen 2022, nr. 233. Zie voorts in verband met een gesneuveld wetsontwerp uit 1890, dat ook uitging van een “vennootschap”, bijv. Van der Sangen 1999, p. 60-62. Er is een interessante parallel met Verordening EG/1435/2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) (hierna: de SCE-verordening).
Zie Stb. 1876/227.
Zie bijv. Roijards 1875, p. 24-25, 172-173; Boudewijnse 1892, p. 84, 87; en Van der Sangen 1999, p. 52-58, 61.
Zie bijv. Van der Sangen 1999, p. 65.
Zie bijv. ook Goeman Borgesius 1877, p. 122: “Uittreding moet natuurlijk geoorloofd zijn. Een vereeniging, die in haar statuten een verbod van uittreding opnam, zou in de voordeelen der Coöperatiewet niet kunnen deelen. In de definitie, die de wet van coöperatieve vereenigingen geeft, wordt vrijheid van in- en uittreding als een van de essentiëele kenmerken genoemd.”
Zie bijv. Van Zeben 1962, p. 211-212 en de in Asser/Rensen 2022, nrs. 232-234, 237 geschetste ontwikkeling.
Zie Asser/Rensen 2022, nrs. 233-234, 237.
Hij wijst ook o.a. erop dat “[d]e grote opkomst en bloei van de coöperatie eerst na de Wet van 1876 [hebben] plaatsgevonden. In overwegende mate hebben de coöperaties de rechtsvorm van de coöperatieve vereniging gekozen. Coöperaties zijn echter ook nadien in andere rechtsvormen tot stand gebracht; in het bijzonder zijn de rechtsvormen van de gewone vereniging en van de NV gebruikt.” Zie Asser/Rensen 2022, nr. 233.
Zie bijv. R.H.M. Becking & W.A. de Voogd, ‘Het lidmaatschap van de coöperatieve vereniging en de inhoud daarvan’, TVVS 1988, p. 73 en M.A.M. van Steelsel in JOR 2024/134, nr. 3. Zie ook rov. 3.6 van het arrest.
Zie bijv. B.M.J. van der Meulen, De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, art. 8 Gw, aant. 1-2; D.E. Bunschoten, T&C Grondwet en Statuut, Deventer: Wolters Kluwer 2023, art. 8 Gw, aant. 1; en G. Leenknegt, Uitleg van de Grondwet, Den Haag: Bju 2021, art. 8, aant. 2.
Zoals eveneens vermeld in de bronnen genoemde in de vorige noot. Ik wijs erop dat het EHRM in zijn uitspraak van 3 december 2015, 29389/11, EHRC 2016/56, in de gegeven omstandigheden en voortbouwend op eerdere rechtspraak, een schending van dat artikel aannam bij een (langs publiekrechtelijke weg) verplicht gesteld lidmaatschap van een Griekse coöperatie, maar niet generiek moeite had met zo’n verplicht lidmaatschap.
Zie Kamerstukken II 1876/77, 41, 4, p. 3.
Uittreding ging (doorgaans) gepaard met een recht op teruggave van de inbreng. Vgl. art. 11, aanhef en onder 4° van de wet uit 1876. Art. 1 lid 1 van de wet uit 1925 bevat een vrijwel identieke omschrijving. Zie bijv. Van der Sangen 1999, p. 68.
Zie L.J. Hijmans van den Bergh in NJ 1959/587, nr. 1.
Zie, in onderlinge samenhang: Kamerstukken II 1876/77, 41, 7; Handelingen II 1876/77, p. 136; en Handelingen II 1876/77, p. 154. Roijards 1875, p. 144 vermeldt dat dit destijds ook in verschillende omliggende jurisdicties in de statuten moest worden geregeld. Er is een interessante parallel met art. 5 lid 4, vijfde gedachtestreepje van de SCE-verordening. Over de nietigheidssanctie, zie bijv. Van der Sangen 1999, p. 63.
Zie HR 21 juni 1918, ECLI:NL:HR:1918:9, NJ 1918/777.
Zie voor verwijzingen bijv. E.M. Meijers in NJ 1928/1454.
Zie bijv. Van der Sangen 1999, p. 68, alsook L.J. Hijmans van den Bergh in NJ 1959/587.
Meer in het algemeen geldt dat de nietige oprichtingshandeling bij privaatrechtelijke rechtspersonen in Boek 2 BW (zoals de coöperatie) blijkens art. 2:4 BW tot zodanig beperkte proporties is teruggeschroefd, dat dáárdoor niet-bestaande rechtspersonen in de praktijk dusdanig weinig voorkomen dat zij trekken hebben van een fabeldier. Zie bijv. Asser/M.J. Kroeze, De rechtspersoon (2-I), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 45.
Zie Van Zeben 1962, p. 471-472. Zie daarover bijv. ook Polak 1965, p. 28.
Zie Van Zeben 1962, p. 471: “Het wezenlijke kenmerk van de coöperatieve vereniging, t.w. dat zij als hoofddoel moet hebben het bevorderen van de stoffelijke belangen van haar leden door het sluiten met hen van overeenkomsten in het door de coöperatie uitgeoefende bedrijf, wordt door een uitsluiting in de statuten van de mogelijkheid tot toetreding van nieuwe leden geenszins aangetast.”
Zie bijv. Van Zeben 1962, p. 501, waar te vinden is dat “[e]nige leden [van de vaste Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer, A-G] (…) van oordeel [waren], dat er bij de coöperatie meer reden bestaat dan bij de gewone vereniging om de vrijheid tot uittreding in de wet te verankeren; (…).”
Zie Van Zeben 1962, p. 503-507.
Zie Kamerstukken II 1923/24, 326, 4, p. 13 en Kamerstukken II 1924/25, 64, 1, p. 3.
In de toelichting bij art. 15 van het wetsontwerp uit 1875, dat aansprakelijkheid na uittreding regelt, staat: “Hij die zijn lidmaatschap opzegt, zij het op een tijdstip waarop de toestand der vereeniging niet gunstig is, maakt gebruik van zijn regt. Voor hem moet dus hetzelfde regtens zijn als voor dengene die om eenige andere reden, bijv. door ontzetting van het lidmaatschap, ophoudt lid te zijn. De aansprakelijkheid na uittreding uit de vereeniging moet dus op allen gelijk drukken.” Zie Kamerstukken II 1874/75, 145, 3, p. 7. Hoewel het hier niet rechtstreeks gaat om uittreedvoorwaarden, zou het merkwaardig zijn als in dát verband het imperatief van gelijke behandeling niet evenzeer opgeld zou doen. Zo nemen Becking & De Voogd 1988, p. 73 aan, klaarblijkelijk als vanzelfsprekend, dat uittreedvoorwaarden volgens art. 2:60 BW “toch op gelijke wijze voor alle leden dienen te gelden”. Vgl. ook art. 16 lid 1 van de SCE-verordening.
Zie bijv. Overes, Van der Ploeg & Van Veen 2021, p. 460 over “de zogenaamde coöperatieve gedachte. Het gaat bij de coöperatie om het gezamenlijk opzetten van een bedrijf ten behoeve van de eigen bedrijven der leden. Gezamenlijk worden baten bijeengebracht, gezamenlijk zullen ook de schulden worden gedragen.”
Zie bijv. Polak 1965, p. 33; Van der Sangen 1999, p. 25, 160, 198, 285-286; en Van der Sangen 2019, p. 39. Zie bijv. ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:910) voor HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241, NJ 2024/84, onder 3.36.3 (noot 76).
Zie bijv. Van der Sangen 1999, p. 160 voor intreedvoorwaarden: “De hoogte van een te betalen intreegeld dient wel voor alle leden gelijk te zijn althans naar gelijke maatstaven te worden bepaald. Een statutaire voorziening lijkt daarom op zijn plaats ter voorkoming van willekeur. Vgl. Pres Rb Amsterdam 22 april 1992, KG 1992, 186.”
Zie bijv. Rensen 2005, p. 152-153: “In art. 2:60 BW wordt ervan uitgegaan dat een uittreedvoorwaarde in de statuten wordt opgenomen. Op deze wijze hebben en houden de leden via de algemene vergadering invloed op de inhoud van uittreedregelingen.” Dat daarop volgt dat, volgens Rensen, “dergelijke voorwaarden ook in de zakelijke overeenkomst met de leden kunnen worden opgenomen” doet aan dat invloed-argument niet af.
Zie bijv. Asser/Rensen 2022, nrs. 34, 241, alsook noot 27 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:910) voor HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241, NJ 2024/84.
Zie bijv. L. Timmerman, ‘Structuur en gedragsnorm in de ondernemingsrechtspraak van de Hoge Raad’, WPNR 2013, p. 245-248. Voor het ‘structuur’-perspectief wijst hij daar bijv. op HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6509, NJ 2012/336, rov. 3.4, waaronder: “De beloning van bestuurders en commissarissen dient, ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden, in het belang van duidelijke verhoudingen binnen de vennootschap op het punt van de bevoegdhedenverdeling, en om belangenconflicten bij de toekenning van beloningen van bestuurders en commissarissen te voorkomen, te geschieden door de in de wet en de statuten aangewezen organen.”
Zie langs die lijnen bijv. ook Asser/Rensen 2022, nrs. 267-269.
Volgens Van der Sangen 1999, p. 115 gaat het uitsluitend om die gedachte in het algemeen. Zie echter Asser/Rensen 2022, nr. 267.
Zie Van Zeben 1962, p. 508-509.
Zie Van der Sangen 1999, p. 68, alsook L.J. Hijmans van den Bergh in NJ 1959/587.
Zie Kamerstukken II 1923/24, 326, 3, p. 9.
Zie noot 59 hiervoor. En verder bijv. Overes, Van der Ploeg & Van Veen 2021, p. 180.
Vgl. t.a.v. art. 12 lid 1 van de wet uit 1925 de opmerkingen van de minister in Kamerstukken II 1924/25, 64, 1, p. 3: “Natuurlijk mogen niet zoodanige voorwaarden worden gesteld, dat in waarheid geen vrijheid van uittreding meer bestaat.” Zie verder bijv. Van Zeben 1962, p. 503 (“de voorwaarden mogen de uittreding niet uiterst bezwaarlijk, laat staan onmogelijk maken”) en Asser/Rensen 2022, nr. 267.
Zie E.M. Meijers in NJ 1928/1454. En verder bijv. Van der Sangen 1999, p. 179: “De te stellen voorwaarden en de omstandigheden waaronder deze kunnen worden gesteld, moeten in de statuten zijn opgenomen althans naar de daarin vervatte maatstaven kunnen worden vastgesteld.” En A-G Van Peursem (ECLI:NL:PHR:2015:229) voor HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, NJ 2015/437, onder 2.1.13-2.1.14.
Zie HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, NJ 2015/437.
Hoewel het er niet zó duidelijk staat. Zie bijv. P. van Schilfgaarde in NJ 2015/437, nr. 6.
Zie bijv. J. van der Kraan in JIN 2015/153, nrs. 9.1-9.2; M.A.J. Cremers in JOR 2016/86, nrs. 8-10; en Asser/Rensen 2022, nr. 265 onder b.
Zie Asser/Rensen 2022, nr. 265 onder c.
Zo ook De Wit e.a. 2022, p. 18.
Zie ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 14.
Dat overigens niet (ook niet via verwijzing) is terug te vinden in G.J.C. Rensen, T&C BW, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (actueel t/m 1 juli 2024), art. 2:60 BW. Daar gaat hij ervan uit, bij aant. a, dat art. 2:60 BW “drie eisen [stelt] voor aan de uittreding te stellen voorwaarden”: (a) “de vrijheid blijft behouden”; (b) “de voorwaarden liggen vast in de statuten”; en (c) “de voorwaarden zijn in overeenstemming met doel en strekking van de coöperatie.” Die eis onder (b) wordt vervolgens, onder “Statutaire basis”, uitgewerkt aan de hand van HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, NJ 2015/437 en HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241, NJ 2024/84.
In JOR 2006/232, nr. 4 verwees hij nog naar “het beeld dat opkomt uit de rechtspraak gewezen onder art. 12 Wet op de Coöperatieve Vereeniging, aan welke bepaling art. 2:60 BW is ontleend (Parl. Gesch. Boek 2 BW, p. 499) en die niet het vereiste van statutaire vastlegging bevatte”, gevolgd door “Vgl.” Van der Sangen 1999, p. 179. Hier past nuancering. Zo gaat Van der Sangen daar onverkort uit van de door art. 2:60 BW gestelde “eis dat de mogelijkheid van het stellen van voorwaarden moet berusten op de statuten” (“De te stellen voorwaarden en de omstandigheden waaronder deze kunnen worden gesteld, moeten in de statuten zijn opgenomen althans naar de daarin vervatte maatstaven kunnen worden vastgesteld”, zie ook noot 65 hiervoor). En wijst Van der Sangen vervolgens tegen díe achtergrond erop, waar het gaat om rechtspraak, dat “[a]lgemene rechtspraak is dat de voorwaarden niet bij enkel besluit aan de leden in geval van uittreding kunnen worden opgelegd” (onder verwijzing naar “Dijk/Van der Ploeg, a w blz. 125”). Dat “[verder] [o]ntoelaatbaar [wordt] geacht dat als voorwaarde geldt dat de mogelijkheid van opzegging afhankelijk wordt gesteld van enig besluit van de algemene vergadering” (onder verwijzing naar “HR 21 juni 1918, NJ 1918 blz 777”), “dit zou” immers “in strijd zijn met het beginsel van een vrije uittreding.” En: “Wel is het toegestaan dat de oplegging van de in de statuten vastgelegde uittreevoorwaarden afhankelijk wordt gemaakt van enig besluit van een orgaan van de coöperatie” (onder verwijzing naar “HR 3 mei 1928, NJ 1928, 1454”).
Zie verder ook noot 27 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:910) voor HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241, NJ 2024/84.
Zie M.A.J. Cremers in JOR 2024/132, nr. 8.
Wat betrokkenheid van de oprichters dan wel, bijna altijd, de algemene vergadering veronderstelt. Wat dus iets anders is dan slechts betrokkenheid van de bestuurders of andere vertegenwoordigers van de rechtspersoon bij een overeenkomst tussen de laatste en een ander (zoals een lid). In het algemeen is een contractueel beding dus geen geëigend alternatief voor een statutaire bepaling. Zie bijv. Asser/Kroeze 2021, nrs. 177-178, 213.
Zie bijv. P. van Schilfgaarde in NJ 2015/437, nr. 5.
Hoeveel ruimte dáárvoor bestaat en wat ter zake minimaal uit de statuten moet blijken, verschilt logischerwijs per onderwerp, wat ik hier kan laten rusten.
Zie daarover bijv. ook Holtman 2016, onder “Wettelijk kader uittreedvoorwaarden bij een coöperatie”.
Zie bijv. Asser/Rensen 2022, nrs. 51-53. Zie verder bijv. Overes, Van der Ploeg & Van Veen 2021, p. 161-162 en C.H.C. Overes, GS Rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2023 (actueel t/m 9 januari 2023), art. 2:34a BW, aant. A2, 2, alsook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:911) voor HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:242, RvdW 2024/227, onder 4.5.5.
Zie daarover bijv. ook Holtman 2016, onder “Wettelijk kader uittreedvoorwaarden bij een coöperatie”.
Zie bijv. Asser/Rensen 2022, nr. 52.
Zie bijv. Overes, Van der Ploeg & Van Veen 2021, p. 160-161.
Zie bijv. Asser/Kroeze 2021, nr. 217: “De wet en de statuten mogen aan de vrijheid tot uittreding beperkingen stellen. Zo bepaalt art. 2:36 BW voor de verenigingsvormen dat de opzegging van het lidmaatschap slechts kan geschieden tegen het einde van het boekjaar, tenzij de statuten anders bepalen.” Zie over art. 2:36 BW en statutaire aspecten bijv. ook Asser/Rensen 2022, nrs. 52, 77, 79, 90, 209, 265 onder d, 270.
Relevant is hier voorts dat art. 5 lid 4, vijfde gedachtestreepje van de SCE-verordening verlangt dat de statuten van een Europese coöperatieve vennootschap de voorwaarden en regels inzake toelating, uitsluiting en uittreding van leden bevatten en dat art. 16 lid 3 daarvan verlangt dat de statuten de regels en voorwaarden voor de uitoefening van het recht tot uittreding bepalen. Dit e.e.a. is niet beslissend, maar legt toch wel gewicht in de schaal.
Dit zijn de eigen functionele organisatieregels van de desbetreffende rechtspersoon. De statuten bepalen voor een goed deel het eigen niet-contractuele rechtsregime van de rechtspersoon (waaraan de oprichters, de later toetredende personen, de organen van de rechtspersoon en ook de rechtspersoon zelf zijn gebonden). In zoverre hebben de statuten een zeker objectiefrechtelijk karakter. Zie bijv. Asser/Kroeze 2021, nrs. 174-175.
Zie bijv. Asser/Kroeze 2021, nr. 171 en Asser/Rensen 2022, nrs. 41-43.
Zie bijv. Asser/Kroeze 2021, nr. 215 en Asser/Rensen 2022, nrs. 15, 46.
Zie bijv. Asser/Kroeze 2021, nrs. 176-178, onder - veel - meer over het “onverkort” dienen te gelden van “het uitgangspunt dat contractuele verhoudingen in beginsel niet doorwerken in rechtspersoonlijke verhoudingen.” Zie ook noot 76 hiervoor.
Zie over dergelijke overeenkomsten bijv. Asser/Rensen 2022, nrs. 243, 245.
Hieraan staat dus niet zonder méér in de weg dat die regel een dwingendrechtelijk karakter heeft. Ook op dat type regel kan het correctief van art. 2:8 lid 2 BW worden toegepast, zij het dus in uitzonderlijke gevallen. Zie bijv. HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7122, NJ 2011/167, rov. 3.7-3.8, daar in de sleutel van art. 6:2 lid 2 BW (het onderliggende principe is vergelijkbaar). M.i. is hier geen sprake van een regel die tevens van openbare orde is, wat toepassing van dat correctief zou blokkeren. Zie over dit laatste bijv. rov. 3.8 van voornoemd Hoge Raad-arrest.
Het enkele optuigen van zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde zou dan immers volstaan om die dwingendrechtelijke eis buiten spel te zetten.
Zo is denkbaar een scenario waarin louter in een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:900 BW tussen de coöperatie en het betrokken lid een uittreedvergoeding wordt bedongen. De vraag rijst dan of dit beding neerkomt op een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW. En zo ja, of - los van art. 2:8 lid 2 BW - een dergelijke zuiver contractuele uittreedvoorwaarde het kan ‘winnen’ van de dwingendrechtelijke eis van een statutaire grondslag van art. 2:60 BW. Ik laat dit dus rusten. Daarover gaat het in de onderhavige zaak ook niet.
Zie bijv. ook Asser/Kroeze 2021, nr. 225: “M.i. verdient het de voorkeur een bepaling rechtstreeks toe te passen als daar argumenten voor zijn en als niets zich daartegen verzet.”
Dus HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, NJ 2015/437.
Zie Asser/Kroeze 2021, nr. 217.
Zie HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241, NJ 2024/84.
[Noot in het origineel, A-G:] HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, rov. 4.1.2.
[Noot in het origineel, A-G:] HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, rov. 4.1.3.
Zie mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:910) voor HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241, NJ 2024/84, onder 3.7.6, met verwijzing naar Van Zeben 1962, p. 503.
Daaraan stelt art. 2:60 BW niet voor niets ook materiële eisen. Zie bijv. Asser/Rensen 2022, nr. 267 over twee grenzen die een uittreedvoorwaarde niet mag overschrijden: (i) de vrijheid van uittreding moet worden behouden; en (ii) de voorwaarde moet in overeenstemming zijn met doel en strekking van de coöperatie. Zie ook onder 3.22-3.24 hiervoor.
Zie mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:910) voor HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241, NJ 2024/84, onder 3.7.6.
Zoals van financiële aard. Zie bijv. HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241, NJ 2024/84, rov. (3.1.2-)3.1.3, geciteerd onder 3.33 hiervoor.
Zie mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:910) voor HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241, NJ 2024/84, onder 3.7.6, met verwijzing naar Asser/Rensen 2022, nr. 266. Zie bijv. ook Asser/Rensen 2022, nr. 82: “Juist dit laatste [het “dienen ter gehele of gedeeltelijke compensatie van het vertrek van een lid”, A-G] is immers de achterliggende gedachte van de uittreedvoorwaarden zoals op grond van art. 2:60 BW bij coöperaties zijn toegelaten (…).” En in nr. 270 aldaar over “het waarborgen van de continuïteit” als die achterliggende gedachte.
In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvG, nr. 12.
In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvG, nrs. 18, 21.
Zie voor die bevestiging bij de mondelinge behandeling in hoger beroep het proces-verbaal van die mondelinge behandeling, p. 6-7: “Voorzitter: Ik zei al dat we een bepaald aantal vragen aan beide kanten hebben. Ik wilde maar beginnen bij de dubbele rechtsverhouding bij de coöperatie. [verweerder] , u begint bij de coöperatie en de lidmaatschapsverhouding en als die eindigt komt ook de overeenkomst tot een einde. Kubus begint bij de overeenkomst, en daar is de redenering dat de overeenkomst is beëindigd en dat daarmee ook het lidmaatschap ten einde komt. Bent u het er beiden over eens dat met de een de ander ook eindigt? Feijen [zijdens Kubus, A-G]: Ja. Mr. Gaber [advocaat van Kubus]: Alleen de volgorde is anders. Mr. Sauer [advocaat van [verweerder] ]: Klopt.Voorzitter: Dat volgt ook uit het vonnis. (…).”
Overigens zonder enige vindplaatsverwijzing.
Dus: “dat in deze zaak geen sprake is van een ledenovereenkomst maar van een franchiseovereenkomst en dat geen sprake is van een uittreedvoorwaarde in de zin van artikel 2:60 BW maar van een vergoeding voor het einde van de franchiserelatie. [verweerder] heeft met gebruikmaking van de franchiserelatie een onderneming kunnen opbouwen en moet daar een vergoeding voor betalen, aldus Kubus.” En: “[d]at sprake is van een vergoeding op grond van (en wegens het einde van) een franchiseovereenkomst, die zozeer los staat van de lidmaatschapsverhouding dat artikel 2:60 BW daar niet aan in de weg staat.”.
In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvG, nr. 22.
In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvG, nr. 25.
In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvG, nr. 33.
Overigens nog dit. Zulke contractuele bedingen die tot stand komen voorafgaand aan of uiterlijk bij toetreding tot de coöperatie zullen veelal een standaardkarakter hebben. Zulke bedingen gelden veelal voor alle leden (van een bepaalde klasse). Daarbij past, gezien ook 3.30 onder a-g hiervoor, bij uitstek een statutaire grondslag.
Zie de schriftelijke toelichting zijdens [verweerder] , nrs. 37-38. Kubus heeft daarop bij repliek, nr. 6 gerespondeerd.
In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvG, nr. 17.
In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvG, nrs. 18, 19, 21, 22, 26, 27.
Hier wordt in de MvG, nr. 17 terugverwezen naar nr. 10 aldaar, waar o.a. staat: “Tussen Kubus en zijn franchisenemers is dan ook sprake van een dubbele rechtsbetrekking. Dit wil zeggen, enerzijds het samenwerkingsverband tussen Kubus en de aangesloten administratie-, accountants- en advieskantoren in de vorm van een franchiserelatie (de verbintenisrechtelijke band tussen de contractanten), anderzijds bestaat er het lidmaatschap van de coöperatie (de verenigingsrechtelijke band tussen de contractanten).”
Hier wordt in de MvG, nr. 17 terugverwezen naar nr. 12 aldaar, waar o.a. staat: “Bij uittreden als franchisenemer eindigt per datum van uittreding ook het lidmaatschap van de coöperatie, zo vat de voorlaatste alinea van artikel 11 van de 'ledenovereenkomst' het eindigen van de dubbele rechtsbetrekking mooi samen. Het één is dus het gevolg van het ander, waarbij het automatisch en onvoorwaardelijk eindigen van het lidmaatschap van de coöperatie het rechtgevolg is van het door de franchisenemer beëindigen van de franchiserelatie.”
Zie de MvG, nr. 22.