Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/7.4.2.4.6
7.4.2.4.6 Goederen die worden ingevoerd onder een huur- of leasecontract
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258786:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Study 2.1. Treatment of rented or leased goods. (Adopted, 11th Session, 7 March 1986, 33.180).
De nadere voorwaarden die ten grondslag liggen aan deze methoden zijn nader uiteengezet in hoofdstuk 6.
In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op deze methode.
Study 2.1. Treatment of rented or leased goods. (Adopted, 11th Session, 7 March 1986, 33.180).
De Technische commissie douanewaarde van de WDO heeft voorzien in een casusuitwerking over op welke wijze de douanewaarde bepaald kan worden aan de hand van lease- en huurgelden die tijdens de economische levensduur betaald worden in Case Study 4.1. Treatment of rented or leased goods. (Adopted, 12th Session, 10 October 1986, 33.590).
Het huidige artikel 71, lid 1, onderdeel c, DWU.
Dit artikel is in aangepaste vorm opgenomen in artikel 136, lid 3, UDWU.
HvJ EU 9 maart 2017, nr. C-173/15 (GE Healthcare GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf), ECLI:EU:C:2017:195, r.o. 72-85.
HvJ EU 9 maart 2017, nr. C-173/15 (GE Healthcare GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf), ECLI:EU:C:2017:195, r.o. 81.
Een huur- of leasecontract is een civiele figuur, die niet gelijke rechten en plichten schept als een verkoopovereenkomst. Zo gaan de macht om over de goederen te beschikken alsmede het financiële risico niet over bij een huurcontract. De transactiewaarde van de ingevoerde goederen vindt derhalve geen toepassing. Dit is niet anders als het huurcontract een koopoptie bevat op basis waarvan een huurder na een bepaalde periode eigendom over de goederen verkrijgt. Op het moment van invoer staat dan namelijk nog niet vast dat de macht om over de goederen te beschikken alsmede het financiële risico over zullen gaan. Derhalve zal de douanewaarde ook dan op basis van een alternatieve waarderingsmethode moeten worden vastgesteld. Bij leasing kan onderscheid worden gemaakt tussen operationele en financiële lease. Bij operationele lease behoudt de lessor het juridisch en economisch eigendom over de goederen. Bij financiële lease blijft het juridisch eigendom bij de lessor, maar gaat het economisch eigendom over op de lessee. Zoals uit de inleiding op onderdeel 7.4.1 volgt, zijn alle transacties die economisch of juridisch als verkoop kwalificeren geschikt om als basis te dienen voor de transactiewaarde van de ingevoerde goederen. Derhalve lijkt een financiële lease, anders dan een operationele lease, in beginsel te kwalificeren als verkoop. Daar kan tegenin worden gebracht dat aan de ‘verkoop’ beperkingen zijn verbonden door de verkoper. De lessor houdt namelijk de macht om ingevoerde goederen over te dragen of aan iemand anders te leasen waardoor artikel 70, lid 3, onderdeel a, DWU de toepassing van de transactiewaarde verhinderd. Derhalve lijkt het bepalen van de douanewaarde op basis van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen bij elke vorm van leasecontracten uitgesloten.
De transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen vindt daarop in beginsel toepassing, mits goederen die identiek of soortgelijk zijn aan de goederen die onderwerp zijn van het lease- of huurcontract geïdentificeerd kunnen worden.1/2 Indien dat niet het geval is, moet worden getoetst of de aftrekmethode toepassing vindt. Dit zal vaak niet het geval zijn, aangezien de goederen die worden ingevoerd onder een huur- of leasecontract niet na de invoer in de Europese Unie worden verkocht. Zo dat wel het geval is dan zal een dergelijke verkoop in de regel niet op of omstreeks dan wel ten minste binnen 90 dagen plaatsvinden. De aftrekmethode zou wel toepassing kunnen vinden indien identieke of soortgelijke goederen op of omstreeks dan wel ten minste binnen 90 dagen verkocht worden. Indien dit ook niet het geval is, moet worden onderzocht in hoeverre de douanewaarde op basis van de berekende waarde kan worden vastgesteld.
Op het moment dat voorgaande alternatieve waarderingsmethoden geen toepassing vinden, zal de douanewaarde moeten worden vastgesteld op basis van de fall-back methode.3 Study 2.1 van de Technische commissie douanewaarde van de WDO geeft aan, dat op dat moment gekeken kan worden naar regelmatig up-to-date gebrachte prijslijsten, waarbij bij reeds gebruikte goederen rekening gehouden moet worden met hun waardevermindering.4 Ook een onafhankelijke taxateur, die zowel de goedkeuring van de importeur als douaneautoriteiten geniet, kan uitkomst bieden. Als een koopoptie is opgenomen in het lease- of huurcontract, kan de koopprijs die in voornoemd contract is opgenomen als uitgangspunt dienen. Daarbij zal in aanmerking genomen moeten worden dat de koopprijs die in het contract is opgenomen, overeenkomt met de economische waarde van het goed op het moment dat de goederen worden aangegeven voor het vrije verkeer. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het contract erin voorziet dat de koopoptie reeds bij aanvang van het contract kan worden uitgeoefend. Indien de koopoptie ontbreekt of om andere redenen geen uitkomst biedt bij de vaststelling van de douanewaarde, kan aansluiting worden gezocht bij de lease- of huurgelden die gedurende de economische levensduur van het ingevoerde goed in rekening worden gebracht. Het totaal bedrag aan lease- of huurgelden zou eventueel moeten worden verminderd voor zover voorgaande gelden ook een vergoeding omvatten die in rekening wordt gebracht om de afschrijving van de ingevoerde goederen binnen de normale economische levensduur op te vangen.5 Terecht staat de Study 2.1 in dat kader stil bij de vraag wat onder het begrip ‘economische levensduur’ moet worden verstaan. Hier kan consultatie van gespecialiseerde (advies)kantoren uitkomst bieden. Afhankelijk van de condities zoals opgenomen in het lease- of huurcontract, moet de totale huurprijs worden gecorrigeerd. In Study 2.1 wordt voorts opgemerkt dat voor betreft de bijtelcomponenten aansluiting kan worden gezocht bij – vertaald naar het DWU – artikel 71 DWU. Het Hof van Justitie oordeelt in dat kader specifiek voor artikel 31, lid 1, onderdeel c, CDW6 en artikel 158, lid 3, TCDW7, dat de aanpassings- en de toebedelingsmaatregelen waarin voornoemde bepalingen respectievelijk voorzien ook kunnen worden toegepast als de douanewaarde wordt vastgesteld aan de hand van de fall-back methode.8 Het arrest van het Hof van Justitie is in zoverre in lijn met de visie van de WDO. De overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van het Hof van Justitie rechtvaardigen mijns inziens ook dat bij de vaststelling van de douanewaarde aan de hand van de fall-back methode ook de andere bijtel- en aftrekcomponenten zoals genoemd in respectievelijk artikel 71 en 72 DWU toepassing vinden. Naar analogie van de overwegingen van het Hof van Justitie is dit namelijk: “[…] zowel „redelijk” in de zin van artikel 31, lid 1 (MLS, lees: artikel 71 en 72 DWU), als in overeenstemming met de beginselen en de algemene bepalingen van de in dit voorschrift opgesomde regels en internationale overeenkomsten is.”9
Indien het geleasete of gehuurde goed ten invoer wordt aangegeven op basis van de totale lease- of huurgelden, maar sprake is van wederuitvoer nog voordat de economische levensduur van de goederen is beëindigd, moet worden vastgesteld, aldus de WDO, of er recht op teruggaaf bestaat. Een dergelijke regeling bestaat in de EU niet.